is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 37, 1924-1925, no 1926, 03-09-1925

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuur", en niet omdat ze voor Kerk en godsdienst geen penning over hadden, maar omdat ze bij het onwettig opgelegde Synodale juk moe waren, (wij zeggen: helaas!) onze Hervormde Kerk verlieten.

En buiten die reeds heengingen wijzen wij op die schare, die geen vrijheid vond om heen te gaan; die dus bleef; maar wier hart bloedde over het verval van Gods Kerk en die zuchtte onder het liberaal

geweld.

En nu vermaakt de Moderne Anonymus in de Nieuwe Rotterdammer zich daarover met vroolijke kluchten.

Hij wil dan het voorbeeld der Egyptische drijvers navolgen, die, terwijl de kinderen Israëls zich kromden over hun arbeid, hun in den naam van Farao met zweepslagen beregenden en hen hoonden met een : )3gij gaat ledig; ledig gaat gij!"

O liefelijk mededoogen der Moderne Liberalen!

Men kan er uit zien hoe de Bergrede hun geheele Bijbel uitmaakt en hoe vlijtig zij daarin lezen!

Maar.... wij hebben het drama in Nederland nóg eens gehad; in de dagen vóór 1618.

Toen waren 't de Remonstranten, die in een zelfden toon zongen als nu de moderne Anonymus van het Kerknieuws van de Nieuwe Rotterdammer.

En 't zal niet aan dien Kerknieuwsschrijver liggen, als wij dezelfde geschiedenis nu niet nog eens moeten beleven.

Want: wie onrecht doet, onrecht ontmoet !

C. A. L.

UIT DE SYNODE ONZER KERK.

TTfifvft, hliilrpms wat do hljidon afivpm t.pi

UIT DE SYNODE ONZER KERK.

't Heeft, blijkens wat de bladen geven te lezen, veler aandacht getrokken, dat onze in meerderheid „rechtzinnige" Synode, dit jaar in het bijzonder, consideraties had voor de Modernen.

Wat bleek uit de benoemingen.

O.a., toen een commissie werd benoemd tot bestudeering van het probleem der groote steden. Want toen werd daarin door de Orthodoxe Synode, benoemd de leider der Modernen in ons land, Dr. Niemeyer.

Ja, zelfs werd hem de gewichtige functie van Secretaris dier Commissie toebetrouwd.

Nu kunnen wij het zeer goed hebben, dat men tegenover de personen derModernen, zoolang zij in onze Kerk en in onze Besturen gevonden worden, niet een hatelijke maar een welwillende houding aanneemt.

Men heeft daarbij echter toe te zien.

Want wat puur was een blijk van welwillendheid of hoffelijkheid jegens de personendev Modernen,wordt vaak onmiddellijk door hen opgevat en geëxploiteerd als een duidelijk bewijs, dat men het recht Van Tiet Modemisme in onze Hervormde of Gereformeerde Kerk erkent.

Zoo ging 't ook hier reeds.

Uit de benoeming van Dr. Niemeyer door de orthodoxe Synode leidde de N. R. C. reeds af, dat daarin ligt „de erkenning van de door Dr. Niemeyer vertegenwoordigde Moderne groep in de Kerk en dat uit die benoeming valt af te leiden dat de Synode een beroep doet op de medewerking der vrijzinnigen; dat zij inziet, hoe het probleem der groote gemeenten onmogelijk op te lossen zal zijn, zoolang de orthodoxie haar exclusief standpunt handhaaft ?" „De benoeming van Dr. Niemeyer is meer dan een royaal gebaar; het is een praktische daad, waardoor men aangeeft, te willen breken met het tot nog toe gevolgde stelsel."

Indien dat nu waarlijk de bedoeling is van sommige „orthodoxe" Synodeleden, laten zij zich uitspreken! En dan mogen zij, die de leden der Synode zelf hebben te benoemen, toezien, dat zij geen „Orthodoxen" verkiezen, die in de practijk het Moderne „stelsel" huldigen!

Want dan hadden, wij voor ons, nog liever een royaal Moderne Synode!

M * r TTT T*T T*XT nü At1CntIÜTT\T\m

CALVIJN EN DE AFSCHEIDING.

Een geestig man heeft gezegd:

Eén Hollander — een belijdenis; twee Hollanders — een kerk; drie Hollanders — de scheuring.

Ligt er in deze pikanterie niet een waarheid ?

Wij, Hollanders, zijn een klein volk; wij kennen elkaar van haver tot gort; vaak veel te goed; met onze sympathiën en antipathiën zijn wij gewoonlijk veel te gauw klaar.

Daarbij staan wij in de wereld niet alleen als een echt koopmansvolk, maar ook als een volk van theologen bekend. Theologiseeren, ook al hebben we misschien met ons uitgangspunt aan alle theologie

den doodsteek geseven, dat zit ons in het

bloed. Wij theologiseeren niet alleen in de kerk; maar zelfs in de fabriek en op de beurs.

En dan onze vrijheidszucht! Dat heeft de tachtigjarige oorlog erin gebracht. Of wortelt het nog dieper ? Dateert het al van onze Friesche en Bataafsche voorvaderen, die een gestagen strijd hadden te voeren met de zee ?

Al deze factoren bii elkaar genomen.

maken, dat het individualisme, de zucht tot afscheiding en zelfregeering, op aller¬

lei gebied zoo groot is, dat slechts schade, stoffelijk en geestelijk, er de bittere vrucht van wezen kan.

En gevaarlijk wordt die aangeboren

trek, door historie en omstandigheden nog dieper ingegroefd, wanneer de tijd, waarin men leeft, de zucht naar vrijheid op de

spits drijft; ja, ten slotte de scheidingslijn tusschen vrijheid en bandeloosheid niet meer ziet.

Zijn wij in ons godsdienstig en kerkelijk leven bij dit gevaarlijke punt niet aangeland ? Wij beleefden de diep in het leven ingrijpende kerkelijke afscheidingen van 1834 en 1886. Doch wat haast nog erger is en waarmede de kerken der afscheiding ook danig zullen hebben te rekenen, dat is het voort wroeten van het sektarisme.

In de dorpen en de kleine steden mag men dat zoo niet merken; daar wordt, behalve het kerkelijke opzicht, ook een onwillekeurige controle van den een op den ander geoefend, zoodat men zich niet zoo licht bij een nieuwen kring zal aansluiten.

Maar in onze groote steden! Wat een welig veld voor Adventistische en Mor-

moonscne vrijbuiters ol hoe ze verder heeten! Mannen, die zich vooral op de onkundigen en de eenvoudigen werpen. Die handig genoeg zijn om de kenmerkende dingen van hun partij of hun sekte niet dadelijk naar voren te schuiven, maar zich met een Evangelie in ruimen, prak-

tischen, Amerikaanschen geest aangenaam weten te maken aan de gewetens hunner hoorders. En dan straks, wanneer zij genoegzaam voet aan wal gekregen hebben, hun slag slaan. Ziet men het niet, dat in onze groote steden, die kleine kringen tieren? En dat het de polypen zijn, die het leven der geordende kerk steeds meer tenonderhouden ?

Waarbij dan komt, dat in - onze Hervormde kerk een ieder het souvereine recht bezit om te doen wat goed is in zijn oogen. Een recht, waarvan rijkelijk geprofiteerd wordt. Door predikanten zoowel als'gemeenteleden.

Daar krijgt b.v. een grootestadspredikant in het hoofd om de wijkkerk, waarvoor hij inzamelde, onder eigen bestuur en beheer te houden; zijn kerkeraad, waarvan hij notabene zelf nog wel lid is, heeft er niets

mee te maken. Jiir wordt geconfereerd en onderhandeld. De eene conferentie na de andere. Het eind van het lied is, dat men na twee jaren precies zoover is als toen 't begon. Wat zeggen wil, nog verder van huis. Wat 'n tijdverlies! En verlies van geestelijke energie! En dat alles, omdat men de vrijheid zóó hartstochtelijk bemint; en.... ook een beetje zijn eigen ik.

Of moet ik spreken van allerlei evangelisaties, en preekerijtjes, op gereformeerden grondslag, of ethischen grondslag, of modernen grondslag? Dit is «en lijst, die steeds langer wordt. En een altijd bedenkelijkeraanzien verkrijgt. Maar wie bedwingt dezen stroom? Heeft de kerk zelve, door haar gegoochel met leervrijheid of niet, zelf de sluisdeuren niet opengezet ? En als er dan handen zijn, die ze willen dicht

draaien, wat doet de synode om de lout te herstellen ?

Het is in elk geval goed, dat wij, Hol¬

landers, menschen van kerken en kerkjes en stokpaardjes en scheuringen, letten op de gedragslijn onzer groote mannen. Toen de leer der H. Schrift en de vijandschap der kerk daartegenover een Calvijn gebracht had tot de gereformeerde kerk, heeft deze man Gods zijn lust om te reformeeren niet botgevierd; maar een klassiek voorbeeld van zelfbeperking en gebondenheid aan het Woord zijns Gods gegeven. Hij heeft de heilige kunst beoefend om zichzelf geringer te achten dan den ander.

Ofschoon Luther geen gemakkelijk heer was (een Zwingli wist daarvan mee te praten) en zich bijwijlen ook over de Gereformeerden op krasse wijze uitliet, laat Calvijn na 1538 (Doumergue, de levensbeschrijver van Calvijn, vertelt, dat hij in dat jaar Luther nog onverzettelijk en onwetend noemde) zich niet anders dan met eerbied en waardeering over den Wittenberger uit. Hij was op Luther niet jaloersch, gelijk zich dat juist onder groote mannen soms op zóó kleinzielige wijze kan voordoen. Hij erkende in hem den van God gegeven hervormer; en wilde in zijn eigen, reformatorischen arbeid niets anders

dan de voortzetting van Luther's arbeid zien. Ja, eenmaal sprak hij dit woord: „Zelfs al zou Luther mij een duivel noemen, dan kan ik hem toch de eere niet onthouden hem te erkennen als een uitnemenden dienstknecht des Heeren" (zie bij Kaajan, Laster en Legende omtrent Calvijn).

En ook den vriendschapsband met

Melancnton heeft Calvnn tot het laatste

toe aangehouden. Hij is volstrekt niet bang, dat zijn licht betimmerd wordt. Naast zijn eigen Institutio bezorgt Calvijn van de Loei (Geloofsleer) van Melanchton een Fransche vertaling. Hij wil, dat zijn landgenooten Melanchton zullen leeren kennen

en nem zuilen lielhebben, opdat zij zich, evenals hij, tot God bekeeren.

Daaruit wordt dus duidelijk, dat het hier bij Calvijn niet alleen ging om sympathiën voor de personen. Hij wist hun arbeid te waardeeren; en ofschoon er èn bii Luther èn bii Melanchton meer dan

één stuk was, dat Calvijn anders zag in de H. Schrift, prijst hij ook hun arbeid aan.

Zoo Verklaarde Calvijn, volgens Prof. Rutgers, omtrent de Luthersche Confessie,

de zoogenaamde Confessio Augustana, dat

zij m diepte en klaarheid bij de Gereformeerde belijdenis moet achterstaan, maar.. Calvijn noemde ze daarom nog niet verwerpelijk ; hij was zelfs bereid haar te onderteekenen.

Ook in de liturgie was Calvijn ruimer dan menig Calvinist. Doumergue verhaalt in zijn Calvijn in het strijdperk, dat Calvijn

te Straatsburg de straatsburger, te Geneve de Geneefsche liturgie volgde. Men stond er te Genève op om alleen op de feestdagen het H. Avondmaal te vieren. Calvijn Wilde het iedere maand. Doch hij wist van toegeven. Terwille van deze kwestie liet hij de pees op den boog niet springen. Zelfs gaat de hervormer, die de lijnen van de presbyteriale kerkregeering uit de H. Schrift weer tevoorschijn haalde, zoover, dat hij den koning van Polen, bij de doorvoering der hervorming in zijn land, den raad gaf om de episcopale kerkreeeerine

te laten blijven. Opdat het groote werk der reformatie in dat land niet zou mislukken, wilde hij de bisschoppen, die er waren, wel op hunne plaats laten blijven. Dat is toch zeker wel een buitengewone mate van verdraagzaamheid in den hervormer, die tegenover den godslasteraar, geen voetbreed toegaf; en Genève wilde maken tot „een heilig Jeruzalem".

Wanneer de fundamenteele leer van Christus maar werd gepredikt, wilde Calvijn veel verdragen en toegeven. Hij wist het wel, dat de kwalen en de ergernissen door scheu¬

ring en scheiding zooveel te boozer werden. En dus is ook deze merkwaardige raadgeving van hem, wanneer hij met zijn vriend Farel verbannen is uit Genève: „Een onzuivere leer is geen beletsel. Er is geen kerk, waar geen overblijfselen van onwetendheid meer zijn. Het is voldoende, als de fundamenteele leer van Christus'kerk aanwezig is. Er moet onder de Christenen zulk een afkeer van scheuring zijn, dat zij die altijd, zoo immer mogelijk, vermijden, Dr. Kuyper heeft het in zijn dagen wel

gehad over „een valschen eenheidsdroom. En daarom gepleit voor het stuk van de pluriformiteit der kerk. Doch het schijnt wel, dat de bange werkelijkheid zelve met hare kerken en stroomingen en sekten dat pluriformiteitsstuk achterhaalt; en nu de krachtigste pleitbezorger wordt tegen dat zeer onschriftuurlijke stuk.

Het sektarisme en het separatisme, in onze dagen onrustbarend groot, verplichten ons het oog te vestigen op den grooten hervormer. Aan Kranmer, Engelands pri¬

maat, schreel hij m 1852, dat nij wel „tien zeeën zou willen oversteken" om tot eenstemmigheid onder de kerken der her vorming te geraken.* S Amsterdam. H. Bakker.

Naschrift. In mijn vorig artikel „De Bouwers onzer Natie" werd abusievelijk

gesproken van een gebouwencomplex aan de R. Vinkeleskade te Amsterdam, bestemd voor R. K. Hoogere Burgerschool; dit moet zijn: R. K. Tehuis voor Dames.

OP NAAR UTRECHT!

Ditmaal geldt onze oproep niet, zooals

OP NAAR UTRECHT!

Ditmaal geldt onze oproep niet, zooals

gewoonlijk, gemeenteleden en predikanten samen, maar uitsluitend de predikanten.

Er zal namelijk op Woensdag 9 Sept. wedeiom een samenkomst plaats hebben (nu reeds ds vierde) van onze Gereformeerde 'predikantenvergadering te Utrecht.

We willen allen, die van harte instemmen met onze belijdenisschriften, nog eens zeer dringend opwekken om toch deze vergadering bij te wonen. Indien iets noodig is in onzen tijd, waarin de vrienden der Gereformeerde waarheid naar alle zijden dreigen verstrooid te

worden (terwijl de tegenpartij hoogtij < viert en daarom ook een steeds hoogeren I toon begint aan te slaan; denk als symptoom aan den „toon" van Ds. Borger b.v.)> dan is het wel een centrum van Gerefor- '

'meerd theologisch leven.

Welnu, dat kunnen we op die vergadering hebben en nog hoe langer hoe meer krijgen. DaAr behoeven we niet als op de Her-<| vormde Utrechtsche predikantenvergadering altijd weer te strijden over de inleidend (formeele) vragen: het gezag van Gods woord, bijbelkritiek, intellectueel of ethisch karakter der waarheid enz., maar daar kunnen we aanstonds tot de prin-1 cipieele (materieele), de eigenlijk dogma- I tische vragen overgaan. Juist daarom kan f dez.' vergadering zoo uitermate vrucht- J baar worden, zooals zij ook reeds vruchtbaar geweest is (ik denk b.v. aan het zoo i bezielend referaat van Dr. de Lind van ; Wijngaarden van verleden jaar, waarvan het alleen jammer is, dat hst nog niet in druk verscheen). Doch onze Gereformeerde predikanten van allerlei nuanceering moeten nog veel trouwer opkomen, vooral erbk de jongeren. En juist in de „velerlei^

nuanceerina" moee bliiken. dat er (niet- I

o O ' \

tegenstaande den ethischen hoogdruk van ' 50 jaren) nog Gereformeerd theologisch f leven onder ons is. Komt broeders, stelt j onze verwachting dus niet te leur en weit elkander op om gemeenschappelijk op f onzen theologischen landdag te verschijnen! Het gaat hierbij in den diepsten grond om : de levende eenheid van Christus' Kerk in | ons Vaderland! Laat ons ons opmaken haar ook door dit samenzijn te bouwen! God uit den hemel, die in Zijn genade nog zoo wondervol Zijne hand over onze Kerk uitgestrekt houdt, zal het ons doen gelukken. Zij in dat geloof onze sterkte.] De onderwerpen, die behandeld zullen wurden, zijn wel bijzonder aantrekkelijk en zullen zeker tot breede, broederlijke ■ gedachtenwisseling gereede aanleiding geven, n.1. de mystiek door Dr. Locher van Leiden en de theologie van Barth door Ds. Dijkstra van Amsterdam.

P. J. Kromsigt.

BUITENLAND.

Italië. Een nieuw dogma? De Roomsche Kerk is tegenwoordig bezig met het oog op haar plan van een concilie in het jaar 1926 een nieuw dogma te ontwerpen, n.1. dat van de heirfelvaart van Maria ('reeds van Pius IX werd de vaststel¬

ling van dit dogma verwacht); mis¬

schien zal er zich nog een van de hemelvaart van Jozef bij aansluiten. Want het . boekje, dat den pelgrims van het Heilige Jaar te Rome in handen werd gegeven, en dat voorzien is van twee „Imprimaturs" en een persoonlijke aanbeveling van den paus, bevat zoo in 't voorbijgaan ook de volgende heenwijzing in die richting: „Is 't dan niet recht en behoorlijk, dat de geheele heilige Familie in den hemel vereenigd is, om voortaan onderling met elkaar te verkeeren ?.. .. Van Maria en Jozef zijn geen reliquieën over, ofschoon zij 't in heel bijzonderen zin waard waren; een duidelijke vingerwijzing!.... Is er een triumfator, die op den dag van den triumf niet ook zijn vader zou laten deelen in zijn triumf ? Zou Jezus dan anders handelen met zijn pleegvader ?.. .. Als gehoorzaam Zoon moest Jezus zijn ouders met zijn zweet onderhouden. Moest nu niet het lichaam van Jozef, die door het zweet van een God was onderhouden, de kiem van onvergankelijkheid in zich dragen?" Vooral de laat¬

ste der hier aangehaalde volzinnen geven te denken en te vragen, maar de strekking van het geciteerde is doorzichtig genoeg. In wat er op volgt worden bovendien zestien gronden aangevoerd voor de hemelvaart van Jozef.

Griekenland, Byzanüjnsche schatten te Athene. Tengevolge van de uitbanning der Grieksche geestelijkheid uit Klein-Azië door de Turken en hunne overplaatsing naar Griekenland zijn de Atheensqhe museeën verrijkt met een buitengewonen aanwas van Byzantijnsche kunstwerken. In de beroemde oude kloosters en kerken van Klein-Azië waren sedert tal van eeuwen de kostbaarste werken van Bijzantijnsche kunst bijeengebracht. De metropoliet van Kaisaweia heeft het grootste

1 _T . 1 ii • 1 J1 11 '1

utttu uezer scnaT/ten m zeveiiiiuimera kistou, zorgvuldig verpakt, naar Athene overgebracht. Zooals bericht wordt in de Kunstchronik, zijn onder de vele zeldzaamheden vooral interessant eenige Evangelieboeken,

in met juweelen bezette omslagen, verder een gouden communiekelk, tal van met smaragden en parelen bezette priestermyters, met goud gestikte priesterkleeding»

wonderschoone zilveren kandelaars, ai»" mede tal van andere gereedschappen, vaatwerk en voorwerpen, die een keur van

\