is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 38, 1925-1926, no 1960, 29-04-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons offer, waarop al de offers zagen. In Christus is de wet vervuld.

Ja, daar hebt ge het nu!

In Christus de wet vervuld.

En dan precies dat ééne puntje, waarmee „moeder White" de Adventistische beweging, die al danig aan het verloopen was door mislukte profetie, weer uit het verval naar boven bracht, vooral aanhouden: het sabbatsgebod? Alsof Christus de wet op dit punt niet volbracht had! Alsof Christus het gebod van de zevendedagsrust niet had vervuld door zijne rust op den zevenden dag in het stille graf; en daarna op den volgenden, eersten dag der week, bij zijne opstanding, den Nieuw-Testamentischen, den eeuwigen sabbat begonnen was!

Maar daarover stappen de ZevendeDags-Adventisten lichtelijk heen. Evenals over het feit. dat reeds van de oudste tijden af de gansche Christenheid, gebonden door den dag van Jezus' opstanding, op den eersten dag der week tezamenkwam (bijv. I Corinthen XVI : 1 en 2) en dus rustte.

De synode te Assen zal zich wel niet druk maken over den open brief van „het kerkgenootschap der Zevende-Dags-Adventisten in Nederland"; zij heeft al genoeg aan haar hoofd. En de schrijvers van dien brief zullen zich wel geen illusie gemaakt hebben, dat de synode zich aan het onderzoek omtrent het sabbatsgebod zou zetten. Maar hun doel werd voorloopig bereikt. Propaganda!

Onze tijd kenmerkt zich op zeer bijzondere wijze door het sektarisme.

Dat steekt, ook blijkens het schrijven aan de synode te Assen, het hoofd heel vrijmoedig in de hoogte; het vischt op zijn getij; veelal in troebel water; en vangt zieltjes. Maar hoe ? De Zevende-DagsAdventisten strijden liefst met gesloten vizier. Zè houden geregeld samenkomsten in 's-Gravenhage, in Amsterdam. In Amsterdam is het Predikbeurtenblad zoo gastvrij hun publicaties steeds op te nemen. Maar waarom geven ze met geen enkel woord of teeken in hun advertenties te kennen wie zij of hun predikanten zijn. Is dat taktiek om den naam „Zevende-

Dags-Adventist" te verzwijgen? En ook zelfs in hun maandschrift niet dan op een verborgen plekje, liefst op de laatste bladzijde te gebruiken?

Intusschen staat de sekte tegenover de kerk als openbare aanklager. Juist omdat de kerk tekort schoot, kwam de sekte er boven op. Dus is wel het eerste waartoe de kerk in onze bewogen dagen wordt geroepen, om het Woord Gods in zijn samenhang van wet en evangelie, belofte en vervulling, Oud- en Nieuw Testament te kennen en te beleven. En deze kennis ter dege in te prenten. Want de onkunde is groot. En van die onkunde profiteeren de zendelingen, uitgezonden door allerlei Amerikaansche sekten, rijkelijk. Amsterdam. H. Bakker.

DE „STOMME E" EN DE ETHISCHE PREDIKING.

Wanneer het ons in vroegere jaren eens gebeurde, dat wij een z.g. Ethischen predikant mochten beluisteren, dan is 't ons wel voorgekomen, dat wij vele dingen met genoegen en stichting hoorden, maar even dikwijls gebeurde het ons (en blijkens wat ons werd meegedeeld, stonden wij daarin niet alleen), dat wij werden ontontsticht en geërgerd door één of meer steken, die de prediker meende te moeten geven in de richting vandeConfessioneelen, door b.v. op een toon van ietwat hooghartig medelijden te zeggen, dat het niet zat in een „stomme e" of in het opgeven van maar één gezangversje, etc.

Ons verbaasde die eenigszins geniepige manier van doen, want wij hebben nooit de gewoonte gehad in onze prediking dergelijke liefelijke opmerkingen in te vlechten aan het adres van Ethische broeders, die zich daar onder toch niet konden verdedigen.

Maar nos meer verbaasd waren wij,

toen wij in het verslag van de vergadering der Hervormde broederschap, met name in het verslag van de daarin gehouden verhandeling van niemand minder dan Dr. Riemens van Leiden, over „noodzakelijkheid van Eenheid en Differentiatie in de Hervormde kerk" (Handelsblad van 15 April) o.m. deze woorden lazen:

„Het gaat om de getuigenis der Schriften aangaande God en de Christusopenbaring.

Hier is heel wat belangrijker toets¬

steen dan een nieuw gezang, een stomme e, een clubje van geestverwanten of iets dergelijks."

Met deze woorden zijn wij het volkomen eens. De prediking van den Christus

belangrijker dan de „stomme e"; ja eigenlijk mogen die twee dingen niet eens als eenigszins gelijksoortige grootheden naast elkaar worden geplaatst.

Maar waar wij met klem tegen opkomen is de voorstelling, die door die woorden wordt gewekt, alsof wij het eigenlijk in die kleine dingen zochten.

Dat wij meestal meer psalmen dan gezangen opgeven is waar. Reden daarvoor zal wel zijn (zoo is 't althans bij hem, die dit schrijft), dat wij ons werkelijk in den psalmbundel beter thuis gevoelen dan in onzen tegenwoordig en gezangenbundel, die, hoeveel treffelijks hij bevat, toch eenigszins riekt naar den geest van het begin der 19de eeuw. Dat wij „Heere" zeggen en niet „Heer" is óók waar, maar evenmin als wij recht hebben om achter het „Heer" van anderen een onzuivere bedoeling te zoeken, hebben anderen recht om die te zoeken achter ons „Heere".

Zijn er dan misschien niet wel eens menschen geweest, en zijn ze er niet nóg, die gewoon zijn bij de beoordeeling van een preek af te gaan op zulke uiterlijkheden ?

Och ja, een mensch heeft nu eenmaal vaak behoefte aan een gemakkelijk herkenningsteeken.

Dat geldt op elk gebied.

In den oorlog zit de beteekenis van een soldaat niet in de uniform, die hij draagt, maar in de vraag: hoe hij gezind is en aan welke zijde hij zich schaart.

Toch is die uniform niet zonder belang, want men kan in de hitte van den strijd aan eiken soldaat niet even vragen: aan welke zijde staat gij ? maar aan de uniform valt dat dadelijk te zien.

Nu weten wij, dat de geheele inhoud zijner prediking bij een dienaar veel beter als zijn uniform is te beschouwen, dan die „e" of dat gezang.

Wij keuren 't dan ook niet goed, wanneer iemand oppervlakkiglijk alleen op dingen als die beide laatstgenoemde let.

En toch kunnen wij dat verstaan; want voor den eenvoudige, die niet in staat is om over de geheele prediking te oordeelen, zijn die dingen nu eenmaal herkenningsteekenen, waaruit hij eenigszins kan opmaken in welken geest ongeveer die -prediking zelf zal zvin.

Want (en daar moeten wij nu den nadruk op leggen) het gaat er, ook bij die eenvoudigen, die, meer dan wij goedkeuren,

letten op die ,,e en dergelijke, len siowe toch niet om die „e", maar het gaat er wel degelijk om of de prediking de ware is.

Op die „e" letten zij (te veel), omdat zij niet geheel in staat zijn de prediking goed te taxeeren, maar ten slotte gaat het (ook bij hen!) niet om de „e", maar om de prediking.

En dat zij zoo op die „e" letten en op dergelijke dingen, dat geschiedt en daartoe komen zij, doordien zij (al kunnen zij niet zeggen wat het is) in menige „orthodoxe" preek toch iets missen, wat zij er toch in zoeken.

Dr. Riemens zeide op de vergadering der Hervormde broederschap, dat het niet zat in de „e", maar dat het ging om de getuigenis der Schriften aangaande God en Christus."

Dit stemmen wij geheel toe.

Maar dan stellen wij de vraag: schuilt het onderscheid tusschen de (laat ons nu

maar kortheidshalve zeggen) nieuw-Ethische en Confessioneele prediking werkelijk alleen maar in een „e" hier en daar, een gezangversje meer of minder, en niet in de prediking aangaande God en Christus ?

Alleen als Dr. Riemens dat zou durven verzekeren, had hij recht om van die „e" en van dat versje te spreken zooals hij deed.

Wij voor ons aarzelen niet om hier neer te schrijven, dat, overal waar wij de rechte prediking aangaande God en Christus hooren, onze ziel jubelt en wij alle „e"'s cadeau geven, en dat wij onzen lezers aanraden hetzelfde te doen; althans daar¬

over dan geen bezwaar te maKen.

Wij erkennen ook in menige prediking van predikers, die tot de Ethischen werden gerekend, veel goed en heerlijks aangaande God en Christus te hebben gehoord: een

enkele maal zelfs veel meer dan bij een prediker, die tot de Confessioneelen werd gerekend.

Maar, al hoorden wij in de prediking van menigen Ethischen prediker veel, waarvan wij genoten, als men ons vraagt: hoordet ge niet ook andere dingen, waarvan gij niet kondt genieten, en mistet gij niefc

meestal in de UhnstusprediKing, wat gij er toch in meendet te mogen verwachten ?

dan kunnen wij daarop met anders dan bevestigend antwoorden.

Wat de prediking aangaande God betreft, somtijds hoorden wij daarin een zeer beslist Remonstrantschen toon.

Wat de prediking van den Chri&tus betreft, wij hoorden soms wèl van Hem, die ons geworden is tot heiligmaking,

maar wij misten Hem, die ons geworden is tot rechtvaardigheid.

Waar nu zulke verschillen bestaan, moeten die onder de oogen worden gezien en moeten ze niet bedekt worden met de voorstelling, alsof het maar liep over een „e", etc.

Zulk bedekken leidt nooit tot wegneming van de ware verschillen. Daartoe is veeleer noodig, dat ze worden bekend en broederlijk besproken.

C. A. L.

EEN BELANGRIJKE DISSERTATIE.

Verleden week is Ds. Kooy, predikant te Amsterdam, aan de Leidsche universiteit gepromoveerd op eene zeer belangrijke dissertatie over De paraenese van den apostel Paulus. We verblijden ons hartelijk over deze promotie van een ons geestverwant predikant. We hebben jonge doctores zoozeer noodig in den strijd voor onze beginselen en wenschen Dr. Kooy van harte toe, dat hij nog door menige pennevrucht moge medewerken aan den opbouw onzer theologie en alzoo ook op deze wijze werkzaam zijn tot zegen voor Kerk en volk.

Het onderwerp der dissertatie is ook van algemeen belang. Daarom nemen we hier gaarne over wat het Handelsblad in een uitvoerige beschouwing erover schreef „uit Hervormden (ons bekenden) kring":

„Dit is ongetwijfeld een belangrijke prestatie temidden van het drukke ambtswerk, maar veel belangrijker nog om het uiterst belangwekkende onderwerp, waarom wij er hier wat aandacht voor vragen. De titel had ook meer populair kunnen luiden: Paulus en het Christelijke levensideaal of iets dergelijks. Het gaat hier namelijk om de ook uit practisch oogpunt zoo hoogst gewichtige vraag aangaande het verband tusschen het religieuse en het ethische leven, waardoor licht geworpen wordt b.v. over de verhouding van R.-Katholicisme en Protestantisme zoowel als over verschillende stroomingen binnen het Protestantisme zelf, de sectarische er onder begrepen.

Daardoor is dit proefschrift actueel in de hoogste mate. Het geldt hier niet alleen een fundamenteele theologische quaestie, maar veel meer nog een diep in de practijk ingrijpende levensquaestie, n.1. de realiseering van het Christelijk levensideaal. Het gaat om de oude vraag van den Heidelbergschen Catechismus: „Maakt deze (genade)leer geen goddelooze en zorgelooze menschen?" of zooals Paulus haar reeds formuleerde: „Doen. wij de wet te niet door het geloof ? Zullen wij in de zonde blijven opdat de genade te meerder worde?"

Natuurlijk zijn deze vragen door de

Christenen steeds heftig ontkend, maar toch valt het feit moeilijk te loochenen, dat in streng-orthodoxe kringen zich meermalen een ethische slapheid van levenspractijk liet gelden, waarvan men zich afvraagt, of deze dan toch mogelijkerwijze niet sameiftangt met de leer, die men voorstaat .

Dit, zoo dien in 't leven ingrijpende pro¬

bleem stelt nu Dr. Kooy aan de orde met deze dissertatie, waarbij vooral dit het merkwaardige is, dat deze confessioneele theoloog daarbij blijkbaar een dankbaar gebruik gemaakt heeft van de in menig

opzicht nieuwe probleemstellingen, muiuo deze door de ijverige, vaak zeer objectieve onderzoekingen der moderne theologie op dit punt zijn gegeven. Dr. K. wijst er namelijk op, dat er een wezenlijk verschil is tusschen het Christelijke levensideaal van Luther, zooals het door het Protestantisme als geheel (door Calvijn met een belangrijke nuanceering) is aanvaard, en dat van Paulus, terwijl sommige secten eenige wezenlijke bestanddeelen van het paulinisme hebben bewaard. Dit verschil bestaat hierin, dat Luther den Christen aanziet als ten einde toe zondaar, „zondaar, doch gerechtvaardigd", waarbij onwillekeurig het Christelijke levensideaal min of meer zinkt, terwijl daarentegen Paulus geen oogenblik bedoeld levensideaal zinken laat, maar dan ook de mogelijkheid van een onzondigen levenswandel voor den Christen leert.

Of dit laatste geheel iuist is, willen we

hier niet onderzoeken en allerminst beslissen, maar wel erkennen we gaarne, dat hier

op bijzonder boeiende en heldere wijze een uiterst belanoriik nrobleem aan de orde is

gesteld, waarmee zoowel orthodoxe als moderne theologen te rekenen zullen hebben. Dr. K. toont zich hier een dankbaar, doch zelfstandig leerling van den scherpzinnigen Prof. Windisch, die indertijd bedoeld probleem reeds stelde in zijn Taufe und Sünde. Een der best geslaagde gedeelten der dissertatie komt ons juist voor te zijn datgene, waarin Dr. K. aantoont tegenover de „moderne" school, dat bedoelde Pn.iilns nipt, is resul-

taat van een. soort mystiek uitzondigings-

proces naast de rechtvaardiging, maar dat veeleer ,,de door P. geleerde rechtvaardiging zelve het element bevat, dat de mogelijkheid van een onzondigen levenswandel verklaart."

Wie deze keurige en grondige studie leest, die zich ook door weldadige beknoptheid en heldere dictie onderscheidt, moet wel onder den indruk komen van het hooge gewicht van dit probleem. Wat Dr. K. hier doet, is o. i. een doortrekken van de lijn van Calvijn, voorzoover deze afweek van Luther, een nadruk leggen dus op het actieve (ethische) tegenover het meer passieve (eenzijdig-reZigfiewse) van Luther. Dit proefschrift is dus tevens een bewijs, hoe deze „confessioneele" theoloog ethische elementen in zijn denken wist op te nemen en aan de hand der paulinische theologie te verwerken, zoodat ook hier weer blijkt, dat de gangbare tegenstelling „confessioneel" en „ethisch" geen absolute is, maar een weldadige synthese zich ook hier, evenals trouwens bij anderen, gelden doet.

Wat alleen verwondering wekt, is dit, dat de naam van Dr. Kohlbrugge, die door zijn preek over Rom. 7 (zijn briefwisseling met Da Costa en heel zijn latere werkzaamheid) dezelfde quaestie reeds in 1839 op magistrale wijze aan de orde heeft gesteld, hier slechts éénmaal ter loops wordt genoemd (vg. ook Böhl, Wichelhaus en van geheel andere ,zijde den independent John Owen, bij ons door Voetius geïntroduceerd). Blijkbaar is deze geheele beweging zoowel aan Dr. K. als aan zijn promotor ontgaan. Hier blijkt op een frappant punt zoowel de kracht als de zwakheid der Leidsche school, van ouds beroemd om haar wetenschappelijke „bronnenstudie", in casu haar ijverig verzamelen, schiften en samenvatten van het philologische materiaal, waarbij echter het dogmatische (resp. philosophische) meermalen tezeer in de schaduw trad. Dr. Kohlbrugge kwam in menig opzicht tot een ander resultaat dan Dr. Kooy, toch zal m.i. bij diepere studie blijken, dat beiden niet zoo ver van elkaar afstaan, als het eerst schijnt. (Vg. Locher, Noch Antinomianisme noch Perfectionisme).

Ook uit deze dissertatie blijkt weer, hoe dicht Calvijn met zijn treffende vereeniging van het religieuse èn ethische stond bij Paulus en hoe intuitief-juist Ernst Troeltsch eens het Calvinisme heeft gekarakteriseerd als „die Religion des Heroismus". Wanneer zóó het Calvinisme ook onder ons weer meer

mag worden verstaan, zullen de kleine twisterijen ophonden en zal de groote strijd weer aller aandacht vragen, die waard is

gestreden te worden en die toch eigenlijk ook alleen door een belijdende Protestantsche Volkskerk, waarin het volle leven klopt, aan de orde kan worden gesteld.

Terecht vat Dr. Kooy het resultaat van zijn arbeid in zijn voorwoord aldus samen: „Niets minder dan een herziening van de reformatorische rechtvaardigingsleer en het daarop gegronde begrip van het Christelijk leven volgens de paulinische gegevens, is de taak, welke wij met onzen arbeid als bescheiden bijdrage daartoe aan de protestantsche orthodoxe confessie wenschen te stellen. Het zwakke ethische leven, dat het protestantisme kenmerkt, maakt het hoogst noodzakelijk, de ideale, alle zondige macht overwinnende genade van den apostel Paulus in haar vollen rijkdom te verstaan en opnieuw te beleven."

UIT DE PERS.

We laten hier ook nog de belangrijke slotbeschouwing over de zaak-Geelkerken volgen, die Dr. Locher geeft in het Kerkblaadje van 4 April, waarin wij weer een en ander cursiveeren:

Nadat we ons vorig stuk over de zaakGeelkerken geschreven hebben, heeft deze verder haren loop genomen. Dr. Geelkerken heeft niet zonder meer geweigerd het stuk te teekenen. Hij heeft aan de Synode een schrijven gezonden, waarin hij verzoekt, het groote vraagstuk van de Goddelijke ingeving der Schrift nog nader te onderzoeken en te formuleeren. Hij kon daarbij wijzen op vele uitlatingen van Dr. Kuyper en Dr. Bavinck, en op besluiten van vorige Synode's. Hij verklaarde zich bereid, tot na dit onderzoek zich, in zijn werkzaamheid in het openbaar, te houden aan het besluit der Synode. Ook dat verzoek is afge¬

wezen. De Synode bleef staan op onderteekening zonder meer, en toen die uitbleef, heeft zij Dr. Geelkerken voorloopig geschorst voor dertig dagen, in de verwachting dat hij alsnog tot inkeer zou komen.

Dr. Geelkerken heeft, na beraadslaging met zijn Kerkeraad, zich aan die schorsing niet onderworpen. Nu heeft de Synode hem en zijn kerkeraad afgezet.

Daarmee is de breuk gekomen. Volgens het recht, dat in de gescheiden kerken geldt, zijn de Gemeenten aldaar autonoom en slechts door contract met de andere kerken verbonden.