is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 38, 1925-1926, no 1969, 01-07-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38e JAARGANG» OCT. 1925-OCT 1926

No. 1969

DONDERDAG 1 JULI 1926

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Dr. J. Ch. KROMSIGT te Oostwold (Eindredacteur), Ds. H. BAKKER te Amsterdam, Ds. J. W. GROOT EMERINKte Lddon; Prof. Dr. Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam; Ds. C. A. LINGBEEK te s-Gravenhage; r.

a W I ■ m «VTTTWTT717T A. —

te VGravenhage; Ds. A. u. in ie s-urav«m«.ëC.

n:i li.j .nabalülrc AIIac wat de rpiHar.fift aanpraat en boeken

U ilt U lei tl VOISUlUJUk — O—" -

ter recensie zende men aan Dr. J. Ch. KROMSIGT, Oostwold (Oldambt), vragen voor de Vragenbus uitsluitend aan Ds. C. A. LINGBEEK, Sportlaan 95, 's-Gravenhage; Kerknieuws-berichten aan H. VEENMAN Sr., Law. alleé 2e te Wageningen. Voor advert. en alles wat

.... ... «. 1 i..i J _

de administratie betrett wenae men zien io\ ae

Uitgevers: H. VEENMAN & ZONEN

wageningen POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

Abonnementsprijs f5.— per jaar. Afzonderlijke nummers 10 cents. Prijs der advertentiën: Van 1—10 regels f 2.—, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar.

INHOUD: De Geest der aanneming tot

kinderen. — Katholiciteit, V. Vragen-

bus. — Fonds voor kerkelijke en kerk- ^ rechtelijke geschriften. — Confessioneele

Vereeniging. — Geslaagd. — Ingezonden. ^

Correspondentie. — Kerknieuws. — ^

Advertentiën. g . . . 1

DE GEEST DER AANNEMING TOT ^ KINDEREN. }

„Want gij hebt niet ontvangen 1 den Geest der dienstbaarheid iveder- ■ om tot vreeze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot hinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader!" Rom. 8 : 15.

De apostel Paulus plaatst in Rom. 8 tegenover elkaar het leven naar het vleesch en het leven naar den Geest.

Hoe diep deze tegenstelling in-grijpt, doet hij gevoelen, als hij verzekert: „Indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven."

De tegenstelling, waar het om gaat, is dus die van dood en leven.

Zoodat wij alleszins reden hebben, om ons ernstig op deze zaak te bezinnen. Waarbij wij dan noodzakelijk gebruik moeten maken van de nadere aanduiding, die ons de Apostel geeft omtrent den aard des Geestes Zeiven, en omtrent dien van Zijne openbaring in het leven van de geloovigen. De Geest, dien 's Heeren Kerk ontving, is niet de Geest der dienstbaarheid, maar de Geest der aanneming tot kinderen. Waar Hij in de harten uitgestort is, daar wekt Hij geene vrees, maar stemt veelmeer tot een kinderlijk: Abba, Vader!

De Geest, dien 's Heeren Kerk ontving, is niet de Geest der dienstbaarheid.

De Apostel heeft hier natuurlijk het oog op de dienstbaarheid in ongunstigen zin.

Er is ook eene dienstbaarheid in gunstigen zin. Deze noemt de Apostel elders (6 : 22), als hij zegt: „Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven". Maar deze dienstbaarheid kan Paulus in onzen tekst niet bedoelen. Hoe zou hij dan kunnen zeggen: „Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid" ? Hoe zou hij dan kunnen zeggen: „Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze /"?

Neen, de Apostel heeft hier het oog op dienstbaarheid in ongunstigen zin. Zooals hij die in Rom. 6 : 20 ook eerst had genoemd. „Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de gerechtigheid." Op deze dienstbaarheid is het ten volle toepasselijk: „Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze."

Deze dienstbaarheid der zonde is algemeen, ook al wordt zij niet door allen als zoodanig begrepen. Maar ook waar men zijne dienstbaarheid voor vrijheid aanziet, en er in slaagt om de stem van het geweten het zwijgen op te leggen, daar zal men ten slotte „de bezoldiging der zonde niet ontgaan, die — te vreezen is!

Met deze dienstbaarheid heeft de Pinkstergeest niets gemeen.

Maar dit is, naast de dienstbaarheid der zonde, ook met eene andere dienstbaarheid het geval, die de Apostel, in verband met

I zijne eigene ervaring, ongetwijfeld bijzon¬

der bedoeld heelt: de dienstoaarneiu uer Wet.

Het is duidelijk, wat daaronder moet worden verstaan: de angstvallige poging, om, ter verkrijging van de zaligheid, in i alles met de Wet des Heeren overeen te : stemmen. Gelijk zij aangetroffen werd bij den echten Farizeër, die er eene eer in : stelde, om naar den eisch van 's Heeren Wet onberispelijk te wandelen. En desgelijks bij allen, die, bekeerd van de zonde tot de deugd, zich er met groote nauwgezetheid op toeleggen, om al Gods geboden te eerbiedigen. Men beseft dan ten volle, dat men in deze zaak met God te doen heeft. En dat God, die Zijne Wet uitvaardigde, desgelijks het recht en de macht heeft, om haar te handhaven. Zoodat voor den overtreder Zijn toekomstige toorn is te vreezen.

Zulk een leven is eene harde dienstbaarheid. Want hoezeer men zich afpijnigt, men slaagt slecht. De eischen van Gods Wet gaan nog zooveel verder dan men eerst vermoedde. En men is tot geestelijk goed werk geheel onbekwaam. Ook het beste is nog met zonde bevlekt. Wat zal er nog eens van ons terecht komen, als wij voor God moeten verschijnen? Zal het dan ook met ons niet uitloopen op een: Gewogen en te licht bevonden! ?

Welnu, ook met deze dienstbaarheid dei Wet heeft de Pinkstergeest niets gemeen: „Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid."

Daarmee wordt niet ontkend, dat de Pinkstergeest er mede begint, den mensch des Heeren Wet voor te houden, zoodat deze, aan zichzelven ontdekt, met vrees

wordt vervuld.

Maar wel wordt daarmede ontkend, dat 5 het den Pinkstergeest, ook bij zulk ontdekkend werk, er om te doen zou zijn, den , mensch aan te sporen tot het zoeken van zijne zaligheid in den weg van het werk-

; verbond.

Integendeel: wanneer de Geest van t*od

- een mensch aan zichzelven ontdekt, dan 3 leert Hij hem veeleer aan zichzelven wans hopen, en, in verband daarmede, hongeren

- en dorsten naar de gerechtigheid, die buiten 3 hem is, die God van den hemel geopenbaard

) die Christus door Zijne gehoorzaamheid

i tot den dood des kruises gewrocht heeft. ; „God, als Rechter, zendt ons door den

t Geest der dienstbaarheid tot Christus, als

} Middelaar; en Christus, als Middelaar,

fc zendt ons door den Geest der aanneming

- wederom naar God, als Vader.

Neen, de Pinkstergeest is niet de Geest > der dienstbaarheid. Veeleer is het er Hem s om te doen, Christus in ons te verheerlijken,

- en ons in Christus op te voeren tot de i heerlijkheid der kinderen Gods.

5 Daarom zegt de Apostel: „Gij hebt ontl-j vangen den Geest der aanneming tot kind1 deren."

Wij hebben deze uitdrukking leeren ver-

- staan uit het maatschappelijk leven. Daarin 3 toch worden meermalen ouderlooze kindei ren, deerniswekkende vondelingen of andere stumperds opgenomen onder het vrien-

i delijk dak van een echtpaar, dat de ouderi vreugde mist, of ook zelf reeds kinderen fc heeft. Zulke aangenomen kinderen zijn dan geen natuurlijke. Dit kunnen zij ook nim-

- mer worden. Er moet zelfs menigmaal heel wat aan hen gebeuren, eer zij aanpassen bij

r hunne nieuwe omgeving. Toch worden zij I daarin opgenomen en behandtld, alsof zij t eigen kinderen waren.

Wii bewonderen zooiets bij-de menschen

Maar hoeveel meer verbazing, ja, aanbidding moet het bij ons wekken, wanneer wij in de Schrift lezen, dat God Zijne uitverkorenen ten eeuwigen leven evenzeer in Christus heeft „verordineerd tot aanneming tot kinderen" (Ef. 1 : 5).

Zijn wij niet door de zonde van God afgevallen, verwijderd, vervreemd? Is het bedenken des vleesclies niet vijandschap tegen God? En verdienen wij als kinderen des toorns niet voor eeuwig buitengesloten te worden? Ongetwijfeld.

En ziet, zulken wil God in Zijn huis opj nemen. Een wederhoorig kroost mag bij Hem wonen. Hij neemt in Christus zulke onwaardigen aan als Zijne lieve kinderen! In Christus.

God heeft in den Zoon Zijner liefde den weg tot onze aanneming opengesteld; gelijk zij ook alleen in den weg des geloofs kan worden verkregen.

De Heere Jezus heeft aan het Recht Gods in onze plaats volkomen voldaan. Met name heeft Hij ook het door de zonde verbeurde kindschap Gods voor de Zijnen verworven. Dit deed Hij door Zich aan den Vader te houden in de bangste oogenblikken van Zijn leven: toen Satan Hem A^erzocht in de woestijn; toen de last onzer zonde op Hem drukte in Gethsemané; toen Hij door aarde en hemel uitgeworpen werd op Golgotha. Altoos bleef Hij Zich gehoorzaam houden aan den Vader: aan Zijn weg, aan Zyn wil, aan Zijne liefde.

En zoo vinden zij, die tot aanneming tot kinderen zijn verordineerd, in den Heere Jezus den voor hen bestemden schat. In Hem is er voor allen, die gelooven, voldoening en verzoening, gerechtigheid en leven, vrede en zaligheid. Zij worden tot kinderen aangenomen om den wille van Hem, die Zich aan den Vader hield, en Zich tegelijk niet schaamde hen Zijne broeders te noemen.

Terwijl de Wet een slavenvolk maakt, kweekt de genade kinderen. Kinderen, die als een bevoorrecht Godsvolk de verbeurde . ontferming genieten. Die, in stee met ver-

■ wijten getroffen te worden, zich veeleer . dag aan dag met gunstbewijzen overladen . zien. Die>, in stee voor hun eertijds gestraft , te worden, veeleer door liefdevolle leidin. gen worden gevormd voor eene toekomst, . waarvan ons zeker de helft nog niet is aan. gezegd. Want „nu zijn wij kinderen Gods, ; én het is nog niet geopenbaard, wat wij

. zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij ; zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk worden, want wij zullen Hem zien, gelijk ' Hij is."

Bij deze aanneming tot kinderen past , de Pinkstergeest. Om deze is het Hem aani stonds te doen, als Hij ons ter ontdekking de Wet des Heeren voorhoudt. Daarmede wil Hij ons afhelpen van alle ij dele pogingen, om door de werken der Wet onze

• zaligheid te verkrijgen. Daarmede wil Hij ons uit het diensthuis uitleiden, en deel geven aan de vrijheid der kinderen Gods.

i En om deze aanneming is het den Pink-

■ stergeest voortdurend te doen. Hij roept

- Gods kinderen telkens tot de orde, als zij

• weer afdolen op den weg van het Werk-

■ verbond. Niet met de herinnering, dat er l hier en daar nog iets niet in orde is; niet l met „gebod op gebod, regel op regel":

- veeleer schrijft Hij op alles, waarmede wij l komen aandragen, den dood. Neen, maar j met de heenwijzing naar Christus. Want j het is er Hem om te doen, Christus te verj heerlijken. En terwijl Hij op Zijne volheid

wijst, leidt Hij ons, armen, weer bij ons

kindschap in. En geeft Hij, na zoo menige bange klacht: „Ik, ellendig mensch, wie zal

mij verlossen van het lichaam dezes doods! telkens opnieuw vrijmoedigheid tot den juichtoon van het kinderlijk geloof: ,,Ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere!"

En hiermede is ook reeds de aard van de openbaring des Geestes in het leven van Gods kinderen aangewezen. Ook hier geeft Paulus door de tegenstelling helderheid: „Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen.

Abba, Vader!"

Vrees is het kenmerk van den Geest der

dienstbaarheid.

Zij is in den godsdienst der heidensche volkeren hoofdmotief. De berichten der zendelingen geven telkens den indruk, dat de Heidenen zich door hunne goden, de geesten der voorvaderen, bedreigd gevoelen. Zoodat zij er bij al hun godsdienst steeds op uit zijn, om hunne goden gunstig voor zich te stemmen. Zoolang zij echter door den Geest der dienstbaarheid geleid worden, zullen zij aan hun vrees niet ontkomen.

Ook bij de Joden was en bleef het bij zulk eene vrees. Wel gaven de woorden, die God aan Zijn Volk had toebetrouwd, daartoe geen aanleiding. En was ook het verbond, dat God met Abraham en diens zaad had opgericht, een genadeverbond, dat alle vrees uitsloot. Maar Israël begreep dit alles niet. Het vatte de Wet van Sinaï als een nieuw werkverbond op, liet zich door den Geest der dienstbaarheid beheerschen en omtuinde de goddelijke geboden angstvallig met een breeden kring van menscheiijke inzettingen. Weinig beseffende, aan welk eene miskenning van Gods bedoelingen het zich daarmede schuldig maakte.

Intusschen, de natuur van ieder mensch neigt naar zulk eene vleeschelijke heiligmaking. De siddering voor Sinaï s donderslagen mag hen naar Christus hebben uitgedreven, toch tobben zij nog voortdurend met allerlei geboden en verboden, peinzen zich moe over de vraag naar wat wel en naar wat niet mag, passen en meten zonder eind, om te zien hoever men als Christenen gaan kan. En men bemerkt niet, dat Christus op deze wijze geheel ij del wordt.

In dit alles openbaart zich de Geest der dienstbaarheid.

Hierbij komt het Evangelie weinig tot zijn recht. Spreekt dit niet van den Heere Jezus, die „verlossen zou al degenen, die met vreeze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren

(Hebr. 2 : 15) ?

De openbaring van den Pinkstergeest m het leven van Gods kinderen is dan ook van gansch anderen aard.

Zij roepen: „Abba, Vader!"

Augustinus werd door de beide talen, waarin deze uiting van het kindschap wordt gezegd, aan de gemeenschap der volkeren herinnerd. Gelijk het opschrift van Jezus' kruis de volkeren naar Golgotha riep, zoo worden ze ook alle door den Geest der aanneming tot kinderen tot aanbidding opgewekt. Zij zijn niet gekomen tot den tastelijken berg, maar tot den berg Zion. In het gezelschap der gezaligden vreezen zij niet, maar zeggen, roepen, jubelen: „Abba, Vader!"

Gods kinderen gebruiken dezen vader-