is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 38, 1925-1926, no 1974, 05-08-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delijk zijn als dat zij pijnlijk aandoen. Er | be is natuurlijk altoos eenige neiging om te vt zeggen: op zoo'n kleinigheid moest de zi eigenlijke zaak toch niet stranden. Maar re omgekeerd is het öök waar, dat de vraag b( niet uitblijven kan: wat is nu een kleinig- tc heid, en een onopzettelijk verzuim? De O] grens is niet te trekken tusschen vergefelijke en gewichtige afwijkingen. Het regie- bi ment is toch duidelijk genoeg gesteld. En w was de schrijver nog een onontwikkeld ki persoontje geweest! maar van een predi- m kant mag toch verwacht worden, dat hij p: in zulke gewichtige aangelegenheden de p' reglementsbewoordingen nauwkeurig leest, al Zij zijn duidelijk. Ik geef toe, dat er nog t< wel eenige zijn, die tweeledige uitlegging d toelaten, maar dat is bij deze bepaling b van art. 55 niet het geval. s<

Waarschijnlijk hebt ge ook reeds ge- n hoord, dat nu definitief aan Dr. Slote- z: maker de Bruïne ontslag als kerkelijk a Hoogleeraar is gegeven. Bijna 10 jaar heeft ie hij die taak vervuld. In de Synode zullen n wij dus ook hem niet meer om de 3 jaar s< terug zien. Ge kent zijn heel bijzondere n bekwaamheden en velen zullen hem zeer ri missen, al zei de President terecht, dat het b toch ook een eer is voor onzen kring, dat r een kerkelijk hoogleeraar geroepen werd d om als Minister op te treden. Dit zij zoo — k ik vermoed, dat het element van eer wel zeer noodig is om het gemis in anderen v zin te vergoeden, en bij de betrokken per- r soon zal het wel moeten wegvallen, om het offer, dat hij bracht, alleen te laten c opwegen tegen het gevoel van plichts- | c vervulling en de hoop om wat goeds voor c ons volk te mogen tot stand brengen. 1 De moeielijke vraag, wie er nu professor 1 wordt, zal pas van den Hen Aug. af kunnen beantwoord worden, omdat de voor- z dracht, (ge weet welke namen daarop t staan) pas een maand na de indiening c behandeld wordt. Aan vermoedens en voor- J spellingen waag ik mij niet. De keuze is ï moeielijk; ook wel omdat de drie figuren: De Hartog, Noordmans en Maarten van Rhijn, ieder eigen verdiensten bezitten. < Zij zijn moeielijk te vergelijken: ieder (

draagt sterk een eigen type, en heeft zie in studie en levenservaring elk op zoo c heel ander terrein bewogen. Ge weet, dat ook menigeen liever een anders sam.enge- , stelde voordracht had gekregen. Dit geldt < zoowel voor vrijzinnigen als voor orthodoxen. Maar wij zitten aan déze voordracht f onlosmakelijk vast. Een van deze drie moet het worden. Natuurlijk hebben de : richtingsgeschillen hier ook nog een woordje mee te spreken; want al zijn de drie voorgestelden alle orthodox, — voor de vrijzirnigen is toch vermoedelijk niet ieder van deze drie gelijk; in elk geval: ook de zes „vrijzinnige" leden der Synode stem- • men mede. Zullen de „orthodoxe leden zich alle voor dezelfde figuur verklaren? En als dat niet het geval wordt, op men zullen de vrijzinnigen dan stemmen. Ziehier punten, welke nog m het duister lig gen. Maar wel is het duidelijk, dat het een gewichtige beslissing is, aan wien m Utrecht de nadere vorming van onze aanstaande predikanten mede zal worden toebetrouwd, afgezien nog van den verderen invloed, welken een hoogleeraar onzer kerk heeft. .

Soms komen zelfs in een administratie college als de Synode in zijn oorsprong en wezen is, dogmatische punten naar boven. Natuurlijk wordt dan terstond gevoeld dat hierover geen beslissing kan genomen worden, evenzeer als 't duidelijk is, a de dogmatische overtuigingen toch doorwerken in de bespïekingen, en soms oo besluiten. Bij het bespreken van het verslag van de kerkvisitatie kwam dit voor bij een aanteekening, dat een kerkeraad een apart avondmaalsstel ontvangen had om bij chronische zieken het avondmaal te kunnen vieren. Behalve historie, ge woonte, wenschelijkheid van uitzonderingsgevallen, heeft het karakter van de avondmaalsviering hier een gewichtig, ja het beslissende woord te spreken. Sakrament en Woord hooren toch bijeen; alle tooverachtige werking van het gebruik van brood en wijn in het nachtmaal moet uitgebannen blijven in de voorstelling der gemeente; de kerkeraad kan een afzonderlijke godsdienstoefening beleggen buiten de gewone in de kerkgebouwen; waarom is soms de doop buiten het kerkgebouw mogelijk gemaakt in 't Reglement en een dergelijke avondmaalsviering niet? — Een andere bespreking betrof meer een punt uit de ethiek. Heeft een ouderling of predikant het recht zich te beroepen op „ambtsgeheim" ook tegenover een rechter, wanneer deze getuigenis vraagt in verband met mededeelingen, welke een predikant of ouderling in zijn qualiteit heeft gehoord van een beklaagde. Hierover liepen de meeningen uiteen, al naar de overtuiging omtrent het karakter van het ambt en de bevoegdheid welke een rechter toekomt Ook hoort hierbij de beteekenis van de

bekentenis voor den kerkeraad: kan wel van berouw gesproken worden, als iemand k zijn daad niet tegenover den burgerlijken o. rechter bekennen wil? Zulke besprekingen is bewijzen wel, dat ook onze „organisatie \\ toch niet blijven kan buiten overtuigingen v op dogmatisch en ethisch terrein. ^

Er zijn ook een paar zaken van rehabi- h statie behandeld. Daarbij bleek, dat het e wel van belang zou zijn, als er onderscheid h kon gemaakt worden tusschen twee ele- m menten, welke in de afzetting van een k predikant samenkomen: het is maatschap- v pel ijk een scherpe blaam èn het belet hem g als predikant op te treden. Bij rehabui- e tatie komeB automatisch de opheffing van v die eerloosheid èn de herstelling van de r bevoegdheid om predikant te worden 1 samen tot stand. Dit maakt de beslissing \ moeielijk. De omstandigheden kunnen zóó i zijn, dat het wèl gewenscht is, het vonnis t als zoodanig op te heffen, zonder dat zoo iemand weer beroepbaar verklaard zou e moeten worden. Nu brengt die laatste i soms het eerste in het gedrang. Ik weet s niet, of velen dit ook zoo gevoelen. Maar 1 m.i. zou een onderscheiding van die twee ; bestanddeelen bij de rehabilitatie in een 1 reglementswijziging omgezet kunnen wor- j den, om de beslissing zuiverder en gemak- i keiijker te maken. i

Een voorstel van Dr. Niemeyer over een < verandering in de bedragen in het Regie- j ment op de Traktementen genoemd, bracht l breede bespreking. Sommigen achtten, dat j dit verschillende kerkvoogdijen tot mee- 1 doen zou brengen; anderen meenden, dat i dit het verzet zou kunnen aanwakkeren. Het voorstel werd verder niet in behande- < ling genomen.

Insgelijks een breede bespreking viel de zaak der combinaties van kleine gemeenten ten deel. Slechts voor ds gemeenten Asten en Someren werd combinatie voorgesteld. De commissie, — die toch reeds zeer sober in haar aanbeveling om art. 22 Regl. Pred. Trakt. toe te passen, was geweest, — zag toch ook dit voorstel verwerpen. Degenen, die met de toestanden in Noord-Brabant op de hoogte zijn, hebben zeer nadrukkelijk bepleit, dat er toch geen pastorie verdwijnen zou, want dan verdwijnen in die Roomsche streken de Protestanten ook. „Combinatie is toch bijna altoos likwidatie" van één der gemeenten, gelijk vroegere ervaringen bewijzen. „Een bestaande gemeente geeft altoos mogelijkheid van betere toestanden", daarom stare men zich niet blind op de bezwaren van de tegenwoordige situatie. Combinatie kan

schijnbaar een ruimer —• soms weer tè uitgestrekt —- arbeidsveld geven aan den predikant, maar wie werken wil, kan ook : in Brabant overvloedig werk vinden, ook al is zijn eigen gemeente klein.

Zwolle's voorste], om voor a.s. godsdienstonderwijzers in plaats van „blijken van algemeene ontwikkeling" het bezit van een M.U.L.O.-diploma te eischen, ■ wordt afgewezen, omdat er toch ruimte i moet blijven voor wie niet allerlei diplol ma's hebben kunnen verwerven. De hoofd-

- zaak is, dat het algemeene peil stijge, en l de Classicale Besturen mogen zelf beslis-

- sen, op welke wijze zij zich willen verge-

- wissen van de aanwezigheid van die breedere ontwikkeling, voor welke het Regle-

f ment een maatstaf aangeeft. Zij kunnen ï examen afnemen, of laten afnemen, of testimonia eischen, alles te bepalen in 1 verband met de personen die zich aan-

t Ik moet nu mijn brief afbreken. D.V.

- volgende week verder.

k

H. Schokking.

r ——————"——

* VRAGENBUS.

tl A-kerkelijk Christendom. Een lid eener

;- Chr. Jongelingsvereeniging hoorde de be-

!- wering, dat het Nederlandsch Jongelmgs-

[_ verbond een orakerkelijk karakter draagt,

t anderen zeiden: een owifikerkelijk, weer

t anderen een a-kerkelijk karakter. Inzender

> vraagt: hoe komt het Jongelingsverbond]

d aan zulk een karakter en hoe daarover te

l- oordeelen. „

Antwoord. Het Nederlandsch Jongehngs3- verbond is een der vruchten van het e Réveil en het Réveil, evenals het Christenle dom van het Reveil had een onkerkelijk

3- karakter. , . .

e Dat is te begrijpen, want het Keveii is m

•e tegenstelling met de Kerk geboren. Toen

[e in het begin der 19de eeuw de Kerk in

ït Nederland, in slaap lag en het kerkelijk

s- Christendom meer en meer werd een vorme-

i- lijke godsdienstigheid met wat brave-

st Hendrikachtige oppassendheid kwam het

□f Réveil weer prediken een oprecht geloot

:d in den levenden Zaligmaker.

le Vanzelf kwamen toen tegenover elkaar

ig te staan: het Kerkelijk Christendom als

Ie iets doods tegenover het Reveil-Christen-

Lt dom, dat meest buiten de kerken voedsel

Ie zocht, als iets levends.

Maar in plaats dat men nu in de Réveil- g:

kringen gevoelde: in die kerk is op het d

oogenblik wel veel doodigheid, maar dat v

is verval van wat eens goed was en wat dus k weer behoort te worden hersteld, zagen

velen in Réveilkringen nu op al wat Kerk li

was met minachting neer of meenden, dat si

het Christendom het zonder kerk eigenlijk h evengoed kon stellen. Maar zoodoende werd

het Réviel, vaak zonder het te weten of te e

willen, zelf min of meer kettersch. Het g

kwam voor den dag met een Christendom, e

waarin voos de Kerk en voor het ambt 1;

geen plaats meer was of waarin de kerk e

en het ambt als menschelijke instellingen \>

werden beschouwd en dus hoogstens, wan- z neer heo duidelijk was, dat ze nut deden, konden worden gedald. Men was echter

volkomen vrij om er andere, zelfbedachte t instellingen, als gelijk van waarde naast

te stellen. 1

Zoo ging men dan aan het stichten van e allerleivereenigingen, die het werk, dat vroeger alleen de Kerk deed, zich tot taak _ stelden; wij denken hier vooral aan de tallooze vereenigingen voor Zending, inwendige en uitwendige. Zoolang nu de Kerk dat toeliet en stilzwijgend toezag, dat anderen haar werk verrichtten, mocht de Kerk vrij haar bescheiden plaatsje blijven innemen. Zij was dan in onze samenleving ongeveer wat een oude grootvader of grootmoeder is, die in een groot gezin inwonen. , Grootvader knutselt nog eens zoo wat en i grootmoeder breit nog eens een ouder- ] wetsche kous (heel aardigjes; wel ja, waar- , om niet ?) en men behandelt de oudjes vanwege hun leeftijd met eerbied, maar het , eigenlijke werk, waardoor het brood moet binnenkomen, dat gaat buiten hen om; dat doen de anderen, en daarvan hebben die goede oudjes geen verstand.

Hoe men nu over deze dingen zal oordeelen, dat hangt af van de vraag of men de Kerk beschouwt van goddelijken dan of men haar beschouwt van menschelijken oorsprong. Doet men het laatste, dan zal men waarschijnlijk zeggen: och de Kerk, dat is een vorm, Waarin in vroegere eeuwen het Christendom zich heeft voorgedaan en die toen ook wel van nut is geweest. Heeft echter die vorm zijn tijd gehad, welnu, als wij dan het Christendom zelf maar overhouden, dan vindt dat vanzelf wel nieuwe voor onzen tijd passende vormen. Misschien maakt men zijn eigen smaak of gril wel geheel tot maatstaf van deze . dingen en zegt men: och wat! mijn soeve> reine ik voelt voor die kerk nu eenmaal l niet veel of in het geheel niets meer. En s daarmee uit!

i Beschouwt men nu echter de Kerk als : van goddelijken oorsprong; houdt men dus : vast aan Wat de Schrift ons leert, dat Christus heeft gegeven sommigen tot apostelen, ■ sommigen tot profeten, sommigen tot i Evangelisten, sommigen tot herders en ; leeraars, tot het werk der bediening, tot opbouw van Zijn lichaam op aarde, dan i oordeelt men over deze zaak natuurlijk • geheel anders. Dan beschouwt men de kerk

- niet als iets, dat bij het Christendom al of l niet nog bijkomt, maar als een onmisbaar

- bestanddeel van het Christendom. En als

- men dan hoort spreken van een onkerkelijk

- of een anti-kerkelijk of een a-kerkelijk

- Christendom, zal dat voor zoo iemand 1 ongeveer gelijk klinken, als wanneer men E zou spreken van een mensch, die zonder i een lichaam is, of die tegen een lichaam is,

- of wien het onverschillig is of hij een lichaam heeft of geen lichaam of misschien

. wel het lichaam van een aap of van een olifant. Nu tot die in laatstgenoemden zin oordeelen behooren wij. Een onker. lcelijk Christendom of een a-kerkelijk . Christendom is een Christendom, dat iets mist en ook gaarne wil missen, wat toch wezenlijk tot het Christendom behoort, r En na zeggen wij niet, dat zulk een

- z.g. Christendom dan alle kenteekenen van

- het Christendom mist, want de feiten too; nen ons, dat er onder die onkerkelijke r Christenen wel menschen zijn die men r naar den aard der liefde voor ware Chris1 tenen zou mogen houden (denk hier aan 3 het Leger des Heils, etc.).

Toch is in zalk een a-kerkelijk Christen-

- dom noodzakelijk iets ziekelijks.

t Wij zeggen: „noodzakelijk".

In de Kerk kan het Christendom zeer s zeker ook ziekelijk zijn; gelijk het dat helaas

ook vaak is.

a Maar een a-kerkelijk Christendom is n altijd ziekelijk; zelfs de besten en de eeria biedwaardigsten, die het aanhingen en |v voor wie wij iïi menig opzicht gaarne den

- hoed afnemen, zijn door die ziekte besmet;

- of hoe zou een Christendom gezond kunnen t zijn, dat versmaadt wat Christus voor de )f zijnen heeft ingesteld en dat meent daarvoor andere dingen in de plaats te mogen

ir stellen ?

Is

1- Uit al het gezegde Wordt wel duidelijk, b1 hoe wij erover denken wanneer men onder de leden onzer Kerk Jongelingsvereeni-

gingen opricht, die zelf a-kerkelijk zijn en die dus niet anders kunnen dan een vorm van Christendom bijbrengen, dat ook a-kerkelijk is.

In dagen, waarin de Kerk, ook plaatselijk, totaal in verval is, zou zoo iets verschoonbaar en misschien tot op zekere hoogte nog nuttig kunnen zijn.

Daarentegen in kringen, waarin nog een eenigszins gezond kerkelijk leven wordt gevonden, vereenigingen op te richten van een anti-kerkelijk of onkerkelijk of a-kerkelijk Christendom, dat zou hetzelfde zijn of men aan een gezonden mensch zijn lichaam wilde uittrekken om te zien of hij niet zonder lichaam leven kon.

Een gevaarlijk experiment! In rond-Hollandsch noemt men dat moordenaarswerk.

En inderdaad, een in de kerk propageeren van een a-kerkelijk Christendom is o.i. een moord voor 's Heeren kerk.

C. A. L.

INGEZONDEN.

Watersnood Land van Maas en Waal en Rijk van Nijmegen.

Sedert den watersnood, die in 't begin van dit jaar bovengenoemde streek van ons vaderland teisterde, is duidelijk gebleken, dat, al zou het Algemeene Watersnood Comité de onmiddellijk geleden schade kunnen vergoeden, de bedrijfskracht van de plattelandsbevolking aldaar zoodanig is verminderd, dat zij haar bedrijf bij lange na niet op denzelfden voet zal kunnen voortzetten. Met name de Protestanten, (die in dat gebied eene kleine minderheid vormen) hebben goeden en blijvenden steun noodig. Met 't oog hierop is in Tiel een Comité opgericht, dat ten doel heeft de Protestanten, die door den Watersnood in hun bedrijf zijn getroffen, steun te verstrekken, natuurlijk nadat voorloopige schadeloosstelling uit het Algemeen Watersnood-Comité is uitgekeerd. Het Comité stelt zich voor de eventueel hiervoor geschonken gelden zoo oordeelkundig mogelijk te besteden, vooral door het verstrekken van voorschotten als anderszins.

Om nu dit doel te kunnen bereiken roept bovengenoemd Comité de hulp in van alle Protestanten in ons vaderland, die belangstellen in het lot van de slachtoffers van den watersnood.

Gelden worden gaarne ingewacht aan het adres van den Penningmeester, den tweeden ondergeteekende.

Ds. E. J. v. d. brugh,'Tiel, Voorzitter.

Ds. M. Haveman, Tiel, Penningmeester, Postchéque- en Gironummer 93291.

Ds. F. W. J. v. d. Poel, Tiel,$ecre-

tffWi .Q

Ds. M. Prins, Tiel.

Ds. A. H. Magendans, Maasbommel en Alphen.

Ds. E. Saraber, Leeuwen en Puiflijk.

Ds. M. A. J. de Zwaan, Wamel en Dreumel.

Ds. H. J. C. Pierson Hzn., Ressen, Voorz. Class. Best. v. Nijmegen.

De Rustdag.

Hoe heerlijk als de Zondag komt,

Als 't klokgelui in de ooren bromt, En we allen rusten van ons werk, En samen opgaan, naar de kerk. Hoe heerlijk, als men rusten mag, Op dezen, Godgewijden dag,

Om Hem te loven en te prijzen,

Voor die verbeurde gunstbewijzen. Ja waarlijk, 't was verbeurde zegen, 't Geen wij uit Grodes hand verkregen; Wij hadden niets verdiend, o neen, Niets anders dan de dood alleen. i Niet een van onze beste daan,

Kan voor Gods aangezicht bestaan; Al onze werken vallen weg,

Bij 't hooren wat Zijn heilstem zegt. Hoe heerlijk als w' in 's Heeren huis, r Verwijderd van het aardsch gedruis, s Hem onze nooden mogen klagen;

Of God ons verder nog wil schragen s Op 't smalle pad naar 't hemelsch leven;

Of Hij de zonden wil vergeven, tl Want God, de Kenner van ons hart, a Hij weet een ieders kruis en smart. ; Als ge daar dan Gods dienaar hoort, n Versta het niet als menschenwoord, e Beluister hierin Godes stem,

Ontsluit uw harten dan voor Hem. n Indien ge zoo den Heere vreest, Dan zal des Heeren goede Geest Ook zeker woning bij u maken, Dan zult ge hier een zegen smaken, >r Een voorsmaak van het hemelsch leven, i- Dat zal de goede God u geven.