is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 38, 1925-1926, no 1978, 02-09-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van kerk Aerbouw voorop zal blijven staan, dan moet men de moeilijkheden zoo mogelijk trotseeren en er niet dadelijk voor op zij gaan.

Kan men, wat voorkomt, Doop- en Avondmaalsbeurten verkrijgen in de eigen plaatselijke kerk, dan verdient zulks voor alles de voorkeur.

Kan men dat niet, dan zoeke men een naburige rechtsche gemeente die als gastvrouw de gelegenheid verschaft om als gasten aan de tafel des Heeren in haar kerk mee aan te zitten. De autobusgelegenheid heft ten dezen vrijwel alle bezwaren op.

Met het Hilversumsche geval voor oogen, heeft men wel toe te zien, dat de Evangelisatie niet uitloope op vrije-gemeente vorming, zooals die, om een enkel voorbeeld te noemen, in Nij verdal voor jaren heeft plaats gehad. Er was aldaar n.1. als buitenwijk der kerkelijke gemeente — naar wij meenen Hellendoorn — een bloeiende evangelisatie.

Toen die kring rijp was om tot zelfstandige Herv. gemeente verheven te worden, wisten zij, die meer den bloei van de eigen kring, dan de opbouw der kerk voorstonden, te bewerken, dat, door een deel althans, een vrije gemeente werd gevormd.

En datzelfde nu heeft ook van vrijzinnige zijde te Hilversum plaats gehad.

En dat wordt o.i. het onvermijdelijk gevolg als men de evangelisatie als het eicjen tehuis gaat beschouwen en niet als een tijdelijke, noodzakelijke, noodwoning. Het laatste blijve ideaal en werkelijkheid. Dan blijft bij de gedachte van noodwoning de kerk het tehuis, waar men eens weer thuis mag zijn.

En waar men toch het Avondmaal viert in een evangelisatie, daar rest ons dan de bespreking van welke beteekenis zoo'n Avondmaalsviering in een evangelisatie is, in onderscheiding met de kerkelijke viering of ook de Avondmaalsviering in de kerk.

De onderscheiding ten dezen is: de openbare viering in de kerk en de zgn. privaatcommunie. De openbare viering sterk en uitsluitend voorgestaan door de gereformeerden (niet de kerkelijk-gereformeerden) is dan aan te merken als een gemeentehandeling; d.w.z. het Avondmaal is het sacrament, dat aan de gemeente behoort. Jezus toch stelde het Avondmaal in met de daaraan deelnemende discipelen, als vertegenwoordigende de N. Testamentische gemeente. Het Avondmaal werd hen dus ingesteld niet als personen, maar als kring van Jezus' jongeren. Zoo opgevat behoort de viering van 't Avondmaal dus plaats te hebben bij openbare viering in het midden der gemeente. Bij de openbare viering des Avondmaals komt dan de gezinsgedachte van 't geestelijk huisgezin naar voren.

Bij de Roomsche kerk en evenzoo bij de Luthersche kerk is de z.g.n. privaat-communie, bepaaldelijk voor zieken, gebruikelijk. Deze privaat-communie is de viering van het Avondmaal in besloten kring of zelfs aan één persoon. Zieken, die verhinderd zijn ten Avondmaal in de kerk te komen, ontvangen het Avondmaal aan huis.

Calvijn was wel geen voorstander van deze aparte of private Avondmaalsviering, doch hij veroordeelde deze viering ook niet. Hij liet ze toe. En zooals onze lezers weten is in de Geref. kerken ten onzent de vraag meer dan eens opgeworpen om te komen tot de privaat-communie voor zieken. In tegenwoordigheid van een of twee ouderlingen mag dan, volgens de voorstellers, een predikant het Avondmaal bedienen aan huis aan zieken, op voorwaarde echter, dat enkele van de huisgenooten ook aan de huis-viering deelnemen. En dat om de gezins- of gemeente-gedachte te bewaren.

Onze lezers gevoelen dus het onderscheid tusschen openbare viering van 't Avondmaal en de huisbediening van dit sacrament. Het Avondmaal als gemeentehandeling omvat dus de kerk als lichaam van Christus, terwijl de huisbediening als een private handeling valt aan te merken. En dan heeft dus de privaat-communie of huisbediening van 't Avondmaal plaats uit nood, wijl men aan de openbare viering niet kon deelnemen.

En nu wil ons voorkomen, dat de viering van 't Avondmaal in een evangelisatie gelijk staat aan een huisbediening of privaatcommunie. En waar een privaat-communie een noodmaatregel is, en geen gewone regel, daar mogen onze evangelisaties bedenken, dat men, het Avondmaal bedienende, van een noodmaatregel nimmer make een gewone regel.

En wijl het gevaar bestaat, dat deze onderscheiding te spoedig uit het oog verloren wordt, daar kan onze opvatting niet anders zijn dan deze, dat viering van 't Avondmaal en dan in den zin van privaat-communie of huisbediening, enkel plaats vinde als uiterste nood-maatregel.

Wij hebben de kerkelijke zijde van dit

vraagstuk alleen bezien en de kant van 't gemoed geheel laten rusten, wijl 't ons enkel ging om de kerkelijke kant van deze zaak.

Er zou over deze dingen nog wel meer te zeggen zijn, maar voor ons doel hebben wij voldoende aandacht aan deze zaak geschonken en vertrouwen, dat onze lezers nu zullen begrijpen waar 't om gaat bij het vraagstuk van kerk en evangelisatie.

VRAGENBUS.

Onvervulde beloften Gods. Nog eens: de jeugdbeweging.

Een lezer, die zijn letters niet wil vermeld zien, schrijft ons: „Wij lezen in Psalm 105: „God zal Zijn waarheid nimmer krenken en Zijn Woord wordt altoos trouw volbracht" .... Dat is Gods Woord en wij gelooven, dat het vast en zeker is, maar dan lezen wij in Psalm 128 ook (aan het slot daarvan): „en gij zult uwe kindskinderen zien" (n.1. dat is voor die den Heere vreezen). Wanneer er nu echter godvreezende menschen zijn en het gaat bij hen juist omgekeerd, wat dan? Zij dalen ten grave, maar geen kindskinderen omringen hen.

Dat is dan zeer smartelijk voor zulke godvreezen den; het schijnt immers alsof de Heere hen vergeet.

Wat nu hiervan te denken ? Mij is het zeer duister .. ..!"

Antwoord. Dit schijnt, ja in menig opzicht is het ook een groote moeilijkheid. Maar dat dit ons zoo moeilijk schijnt komt toch, tendeele althans, hieruit voort, dat wij ons blind staren op één enkelen bijbeltekst, hier op één enkele belofte, zonder te letten op wat God de Heere ons, nog verder, in Zyn Woord wil leeren.

Om daarvan nu maar iets te noemen:

Er staat de genoemde belofte voor die den Heere vreezen, maar er staat óók, dat de Heere de zonden van degenen, die Hem vreezen, bezoekt. En dat doet Hij niet, omdat Hij ze verwerpt; neen, dat doet Hij, omdat Zijn Woord waarachtig is, ook het Woord der bedreiging, dat Hij heeft gesproken.

Nu zal misschien de één onder onze lezers zich bij het lezen dezer woorden gekwetst gevoelen en denken; zou ik zelf, of zou deze of gene lieve bloedverwant dan eene bijzondere zonde op zijn geweten hebben, waarom zij aldus bezocht werden! En een ander zal denken: dat kan in dit geval niet van toepassing zijn. Maar dan wijzen wij op Mozes, die een getrouw dienstknecht des Heeren was in Zijn geheele huis, en die toch om ééne zonde niet heeft mogen ingaan in het aardsche Kanaan. En wie dan zichzelf kent moet de hand op den mond leggen en, als hij door zijn God bezocht wordt, erkennen: „de Heere is recht in al Zijn weg en werk."

Maar er is méér. En nog wat anders ook.

In Psalm 128 staat die door inzender genoemde belofte, maar er staat nergens dat God Zijn beloften aan al Zijn kinderen op gelijke wijze vervult. Abraham, Izaak en Jakob waren alle drie godvreezende patriarchen, voor wie dus alle beloften Gods gegeven waren, en de Heere heeft ze ook ongetwijfeld, alle drie, gezegend, Maar hoe onderscheiden was niettemin hun lot en hoe onderscheiden was ook de zegen, die aan elk van die drie is ten deel gevallen! Welk een veelbewogen en moeitevol leven had Jakob; hoe rustig daarentegen had het Izaak. Omgekeerd: welk een talrijk

nakroost werd aan Jakob geschonken, terwijl Izaak slechts met een tweetal kinderen werd gezegend. En ga nu uwen geheelen Bijbel door en gij zult geen twee kinderen Gods vinden, met wie de Heere God precies den zelfden weg heeft gehouden. Dus: dezelfde belofte, maar een onderscheiden vervulling!

Er is nóg meer.

God de Heere vervult, in het algemeen gezegd, aan al Zijn kinderen Zijn beloften, maar Hij onthoudt aan som nigen hunner wel eens dit of dat beloofde goed, omdat wat voor anderen goed is, in hun geval voor hen geen goed zou zijn.

De Heere redt zijn volk uit alle nooden, maar Paulus moest toch den doorn in zijn vleesch blijven omdragen, omdat dat voor zijn geestelijk welzijn noodig was. En daar staat in de Schrift (van de dagen van Gods gericht) „wee den bevruchten en den zoogenden vrouwen in die dagen". Wat anders steeds een zegen was, zou dan een „wee" waardig zijn, en 't zou dus in zulke dagen een weldaad kunnen zijn, als men ervoor bewaard bleef.

En denk nu eens na: zou het b.v. voor een naar het lichaam zwak en ziekelijk christen geen weldaad kunnen zijn, als de Heere God aan hem de belofte onvervuld liet van het zien van kindskinderen ? De vervulling van die belofte zou in zulk een

geval een straf kunnen wezen, evengoed als de niet-vervulling een zegen!

Maar er is nóg meer.

God de Heere schijnt voor Zijn kinderen wel eens zeer hard en als zij dat niet begrijpen, past het hun de hand op den mond te leggen. Maar.... in waarheid is Hij voor hen niet hard, want Hij kastijdt „dien Hij liefheeft" en Hij „kastijdt ons tot cms nut". En als Hij in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid hun dezen of genen zegen, dien anderen wèl ontvingen, onthoudt, dan geeft Hij hun meestal iets anders, dat beter voor hen is, daarvoor in de plaats.

Om slechts één voorbeeld daarvan te

noemen:

Calvijn was lichamelijk een uiterst zwak men. Zijn kinderen hadden, naar het schijnt zijn zwakheid geërfd; zij stierven allen op jeugdigen leeftijd. Calvijn heeft dus geen lichamelijk nakroost gehad. Zooals hij zelf heeft beschreven, verweten hem dat zijn tegenstanders ook zeer hard en ze zeiden: ge kunt Wel zien: hij heeft geen gunst bij God, want zonder nakomelingschap daalt hij straks ten grave en zijn naam zal met hem vergaan.

En toen heeft Calvijn daarop geantwoord: ik moge dan geen lichamelijk nakroost hebben, maar heeft God mij geen geestelijke kinderen gegeven, bij duizenden ? Zie, in Engeland en Schotland, in Holland en Frankrijk, in Duitschland en in Zwitserland, overal heb ik er ontvangen, die ik mijne kinderen mag noemen."

Welnu, al zijn allen, die God vreezen, geen Calvijns, God de Heere zal aan hen allen op hun wijze en naar hun behoefte Zijne beloften waar maken, zooals Hij die aan Calvijn heeft waargemaakt.

Dat wil zeggen: anders dan ze misschien zelf gedacht en verwacht hadden, maar toch niet beneden, maar boven hun bidden en denken!

En is er nu nog meer?

Ja gewis, er is dit, dat Hij nog duizend andere beweegredenen kan hebben, die wij niet weten, om den zijnen datgene te onthouden, waarop zij toch meenden naar Zijn belofte aanspraak te mogen maken; maar óók, dat Hij langs duizend omwegen hun een zegen kan schenken, die dan komt van een tegenovergestelden kant dan waarvan zij dien verwachtten.

Want: „Mijne wegen zijn niet uwe wegen, en Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, want zoo hoog de hemelen zijn boven

de aarde, alzoo zijn Mijne wegen hooger dan uwe wegen en Mijne gedachten hooger dan uwe gedachten.

En als dan inzender eindelijk nog vraagt: * Maar als de Heere God dan zóó vrij is in het vervullen van Zijne beloften en ze soms vervult op zulk een wijze, dat het natuurlijk vesstand ervan zou zeggen: ze worden niet vervuld, wat heeft men dan

nog aan Uods belolten en waartoe dienen ze dan nog ?

dan is het antwoord:

Die beloften Gods zijn ons gegeven ter aanmoediging en als het ware als wegwijzers op den levensweg.

„Eert uw vader en uw moeder, opdat het u welga en uwe dagen verlengd worden in het land, dat de Heere uw God u geeft." „De Heere zal Zijn volk zegenen."

„Lengte van dagen, zegt de Opperste Wijsheid, is in mijn linkerhand; in mijn rechter rijkdom en eere."

„De Heere zal het goede niet onthouden aan degenen, die in oprechtheid voor Hem leven."

Zoo is de Bijbel vol.

Wilt gij vrede, hier en hiernamaals, genieten? Houdt u dan aan den Heere en Zijn Woord en wegen. Zijne wegen zijn wegen van liefelijkheid; Zijn paden zijn paden van vrede; (terwijl de goddeloozen

geen vrede hebben).

Zóó wijst de Heere ons door zulke beloften den weg en lokt Hij ons daarheen. En wie 't er mee waagt zal er nooit beschaamd mede uitkomen.

Wat nu echter betreft de wijze, waarop Hij die beloften zal waar maken, hier moeten Zijn kinderen Hem vertrouwen. En zelfs als Hij hun een slag geeft, gelooven : 't loopt uit in een zegen..

Meestal gelooven wij dat niet! Want wij willen niet gelooven, maar zien.

Maar de Heere is beter dan ons geloof.

En in 't einde zal 't blijken:

't Is trouw al wat Hij ooit beval; Het staat op recht en waarheid pal, Als op onwrikb're steunpilaren."

En:

„Zijn doen is enkel majesteit, Aanbiddelijke heerlijkheid,

En Zijn gerechtigheid onendig."

Over wat wij met betrekking tot de jeugdbeweging schreven, verscheen een stukje critiek in het blaadje „Voor jeugd en leven".

Het blad schermt vrijwel langs ons heen. Het schrijft b.v. „het is absoluut onwaar, dat de jeugd in onze groote steden geen interesse meer heeft voor de geestelijke dingen."

Nu, zoo absoluut hadden wij niet geschreven; wij hadden geschreven, dat het catechisatiebezoek zoo verminderde en dat dientengevolge de gewone prediking niet meer verstaan Werd en niet meer kon worden genoten. En dat spreekt het blaadje niet tegen, maar gaat het stilzwijgend voorbij.

Als het blaadje verder erop wijst, dat door Confessioneele predikanten in Amsterdam als Ds. Bakker, Ekering, Poot e.a. zoo nuttigen jeugdarbeid wordt verricht, dan verheugen wij ons daarin hartelijk en vermelden wij dat hier gaarne.

Dat, dien arbeid n.1., hadden wij dan ook niet op het oog, toen wij ertegen waarschuwden, dat de z.g. jeugddiensten niet een bedekte ethische propaganda werden. Voor die waarschuwing meenden wij grond te hebben, al was misschien in Amsterdam daarvoor ook geen bijzondere reden.

Eindelijk heeft de schrijver in „Voor jeugd en leven" zich gestooten aan wat wij

schreven over onderwerpen, in jeugddiensten behandeld, die niet de leer, maar uitsluitend het leven raakten.

Daarmede wilden wij natuurlijk allerminst zeggen, dat onze prediking, vooral voor de jeugd, buiten het hedendaagsche leven zou moeten staan. Integendeel!

Wel bedoelden wij te waarschuwen tegen zulk een prediking, waarin voor alle sociale, aesthetische en nog andere vragen plaats zou zijn, maar waarin op den achtergrond zou raken wat onze oude Catechismus ons leert, dat n.1. onze eenige (let wel: éénige) troost in leven en in sterven, is: het eigendom te zijn van dien getrouwen Zaligmaker, Die met Zijn dierbaar bloed voor al onze zonden heeft betaald.

Als men daarvan gaat zeggen of denken: nu ja, dat is wel waar, maar ziet gij, we hebben nu veel gewichtiger dingen, dan is 't al glad mis!

De eenige troost moet de eenige troost blijven en anders heeft of zoekt men een valschen troost.

C. A. L.

OP NAAR UTRECHT OP WOENSDAG 8 SEPTEMBER.

Gaarne willen we nog met een enkel woord onze collega's krachtig opwekken om toch naar onze Gereformeerde predilcantenvergadering te gaan op Woensdag 8 Sept. a.s. In 't vorige nummer werd nog gemeld, dat behalve over het Antinomianisme, dat door Ds. Binsbergen wordt behandeld, ook zal worden gesproken over „onze liturgie" door Dr. H. Schokking en dat Ds. Schumacher van Uelsen, de bekende redacteur van de „Biblische Zeugnisse" het gereformeerd orgaan voor Duitsch¬

land (Adolf Graf, Barmen, Oststrasse 9), predikant te Uelsen in Oost-Friesland, een inleidend woord zal spreken. De vergadering woidt gehouden om 10^ uur in het Hotel Des Pays Bas te Utrecht.

We hopen hartelijk, dat velen zullen komen. Het doet mij altijd leed te bemerken, dat menigeen zich zoo thuis voelt in z'n „groep", waartoe hij nu eenmaal behoort. Dit is toch geen goede toestand. Men voele zich wel thuis in „de Kerk", maar nooit in z'n „groep". Want daardoor wordt het partijwezen bestendigd en gewettigd. En nu is het juist uit dit oogpunt zoo nuttig en goed elkaar eens in een vergadering als deze te ontmoeten, vooral waar we hier samenkomen op den grondslag van Gods Woord en onze belijdenisschriften. Het zou toch wel treurig zijn, als we op dien grondslag niet verder zouden kunnen komen en nader tot elkander gebracht. Waarom zouden we niet in elkander zekere verschillende inzichten op bepaalde punten kunnen dragen en ze rustig en principieel onder de oogen te zien zonder nu maar dadelijk onze meening aan elkander te willen opdringen ? „Wij allen zijn eenzijdig, de Waarheid, Gods Woord, alleen is alzij dig ", heeft eens iemand gezegd. Laten we ons daaraan houden; dan kunnen we gemakkelijksamenspreken en ook tot resultaten komen. Dan zou zelfs een samenkomst als deze een voorbereiding kunnen zijn van een echte „kerkelijke vergadering" (zooals b.v. het „Convent te Wezel" een voorbereiding was van „de Synode te Embden").

Bij gebrek daarvan moeten wij ons wel met een verordening als deze behelpen, die daarom toch wel heel nuttig zijn kan, niet het minst ook daardoor, dat men elkaar eens persoonlijk ontmoet. „Le ton fait la musique", dat geldt ook van zoovele geschillen. Moge bovenal Gods Geest zelf de rechtseenheid bij verscheidenheid werken, die we biddend inwachten.

P. J. Kromsigt.