is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 38, 1925-1926, no 1980, 16-09-1926

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooren en gehoorzamen die stem niet (Joh. 8).

De kinderen der waarheid nu zijn geen onzekere waarheidszoekers. De Waarheid vond hen en zij vonden de Waarheid, Terwijl ze de stem der waarheid hooren, vragen ze niet meer met Pilatus: „Wat is waarheid?" maar zijn er innerlijk van verzekerd, dat zij de Waarheid hooren en hebben en dat de Waarheid hen greep en heeft. Dat wil echter niet zeggen, dat zij zich de waarheid reeds volkomen hebben toegeëigend. Waarom zouden ze dan door den Geest al meer in de waarheid moeten worden ingeleid? (Joh. 16 : 13.)

De waarheid, die ze hebben is volstrekt en onfeilbaar, maar het inzicht in de waarheid, dat ze hebben is niet volstrekt en onfeilbaar. Dat kan hoogst gebrekkig zijn. Dé waarheid, die ze hebben is bij alle waarheidskinderen dezelfde, want er is maar één waarheid, een Christus, aan wien alle christenen deel hebben. Maar het inzicht in de waarheid kan bij den een dieper, rijker, wijder, zuiverder zijn dan bij den ander. Wat was zelfs bij de discipelen tijdens Jezus' omwandeling het inzicht in de Waarheid nog gebrekkig!

Kan er dan onder de waarheidskinderen wel verscheidenheid van inzicht zijn in de ééne waarheid, er kan toch nooit sprake zijn van „een atheistisch inzicht in de waarheid". Als iemand atheist is, Gods bestaan loochent, wordt daarin juist openbaar, dat hij de stem der waarheid d.i. de stem Gods niet hoorde, dus geen kind der waarheid is en daarom geen in zicht in de waarheid heeft. Er zijn ook leugenprofeten.

Waar wij nu, ook van de Gereformeerde leer zeggen: niet zij is de waarheid, maar zij is het inzicht onzer Gereformeerde kerk in de waarheid, daar zeggen we ook, dat de Gereformeerde belijdenis moet gehandhaafd, opdat van het rijke waarheidsbezit, dat zij vertegenwoordigt niets verloren ga, maar tevens zeggen we, dat ze alleen mag gehandhaafd met beroep op Gods Woord.

Alleen als conform aan Gods Woord heeft ze gezag. De mogelijkheid moet echter toegegeven, dat ze in eenig punt niet conform aan dat Woord is. Als dit openbaar werd, moest ze naar dat Woord geconformeerd en daaruit verrijkt1). Daarom werd door onze vaderen de gereformeerde kerkbelijdenis en kerkleer zoo zinrijk aangeduid als de norma normata der Gereformeerde Kerk staande altijd onder Gods Woord als de norma nor mans. De eerst is als de maat, die in den winkel wordt gebruikt, de laatste als de ijk, waarnaar deze wordt geijkt. Hier is eenzelfde verhouding als tusschen ons geweten en Gods Wet.

We hopen met dit antwoord aan den wensch van den inzender te hebben voldaan.

J. CH. K:

l) Die mag echter alleen door de Gereformeerde Kerk zelve geschieden, want zij is hare belijdenis, waarmee geen persoon of partij mag handelen naar eigen willekeur.

SCHEIDINGSOORZAKEN

In 't boven opgenomen schrijven wordt ook op Dr. Kuyper's pluriformiteitsleer gedodd.

Ook onzes inziens is dit geen gereformeerde leer. 't Is een spiritualistische leer.

Met den schrijver hebben wij onze bezwaren daartegen. Niet daartegen, dat er erkend wordt, dat er verscheidenheden zijn. Maar daartegen, dat men niet de eenheid, maar de verscheidenheid tot uitgangspunt maakt en men zoo niet tot saambinding, maar tot separatistische ontbinding komt. Men gaat niet uit van het ééne Woord Gods en aller beroep daarop en aller ondei werping daaraan,

Hierbij treft ons dan gedurig die valsche gelijkstelling, waarvan we boven spraken, waardoor men heen en weer slingert tusschen valsch absolutisme en valsch relativisme en nu in 't eene dan in het andere vervalt.

Nu eens wordt aan leer en belijdenis, bijzonder eigen leer en eigen belijdenis, het absoluut volstrekt karakter van de Waarheid, Gods Woord, toegekend, en wordt al wat daartegenover staat in eng exclusivisme buiten gesloten en als valsch en onwaar in den ban gedaan. Dan weer schijnt men niets uit te sluiten. In zeer ruime verdraagzaamheid schijnt men niet meer van de scheiding tusschen waar en valsch, maar "alleen van de graadverscheidenheid van meerdere of mindere zuiverheid te weten.

Al dadelijk bij d? doleantie treft ons dit. Dat Dr. Kuyper niet eerst de organisatiekwestie aan de orde stelde, zooals Dr. Hoedemaker wilde, maar terstond de kwestia der belijdenishandhaving, heeft deze beteekenis.

Men poogde niet de menschen en groepen in de kerk, die Jezus Christus als

de Waarheid, de Schrift als Gods Woord aanvaarden, maar eenigszins verscheiden inzicht hebben in de Waarheid, samen te brengen in gemeenschappelijk beroep op en onderwerping aan Gods Woord. Een groep wordt gevormd, een „Gereformeerde" partij, die haar leer aandient alj zijnde de Waarheid, Gods Woord, en daarmee dus feitelijke alle andere in den ban doet. De scheiding, die volgt, is dan slechts de officieele openbaring van de scheiding, die men do^r zijn partijvorming officieus reeds had gemaakt.

Bij gelegenheid van Dr. Kuypers 80ste verjaardag schreef Mr. Lohman in de Nederlander van 29 Oct. 1917, dat Kuyper zoo goed voldeed ook aan dezen véreischte van een partij man: Hij moet steeds, om het vertrouwen der massa niet te verliezen, pogen zich een aureool van onfeilbaarheid te verschaffen. Zie hier het valsche absolutisme eigenaardig getypeerd.

Naast dat valsche absolutisme, dat de scheiding ten gevolge had,was er echter ook reed j voor en bij de doleantie een valsch relativisme, waarbij alle groepen als alle betrekkelijk recht hebbend los naast elkaar worden geplaatst. Bij de erkenning van dit recht van allen vervalt dan de eisch, dat die groepen hun betrekkelijk recht toonen door gemeenschappelijk beroep op Gods Woord, waaraan zij zich te samen onderwerpen ën waardoor ze worden saamgehouden. Deze samenhoudende band ontbreekt bij dit relativisme, dat daardoor tevens atomisme wordt.

Dit heen en weer slingeren tusschen ve relativisme en absolutisme openbaart zich nu ook telkens in de verhouding van de kerken der scheiding tot de Ned. Herv. Kerk en verhindert nu voorts de heeling der breuk.

Op politiek gebied, in de politieke organen der scheiding, in de Standaard, is dan het relativisme aan het woord. Op kerkelijk gebied, in de kerkelijke bladen, de Heraut, bijzonder de kerkbodes, is het absolutisme aan het woord.

Kort geleden troffen ons een paar karakteristieke staaltjes èn van 't een èn van 't ander.

Toen de Standaard zijn politieke aandacht gaf aan de reorganisatievergadering sprak hij, we wezen er reeds op, in sterke bewoordingen zijn verontwaardiging er over uit, dat op die vergadering Dr. Kuyper een vijand der Ned. Herv. kerk zou zijn genoemd. Zoo erkent men op politiek gebied (neen, niet het historische recht der Ned. Herv. kerk als volkskerk, maar toch) een zeker relatief bestaansrecht dier kerk. Op dezfclfde, mogelijk nog wat minder hartelijke, manier als men ook een zeker relatief bestaansrecht der Roomsche kerk erkent.

Maar als nu op kerkelijk gebied leden, zelfs kerkeraadsleden, van de gescheiden kerken aan onze kerk soortgelijke vriendelijkheid willen gaan bewijzen, dan tappen de kerkelijke bladen plotseling uit het absolutistische vaatje. Dan verschijnt in de Heraut onderstaand bericht:

— Vreemd. Dezer dagen kon men in de bladen lezen, dat ergens in ons vaderland — met opzet laten wij den naam van de plaats Weg — eene Hervormde gemeente werd geinstitueerd, en dat in die samenkomst ook woorden van sympathie werden gesproken door den afgevaardigde van.... den Kerkeraad van de Geref. Kerk. Men klaagt tegenwoordig wel over inzinkend kerkelijk besef, vooral bij onze jonge menschen. Kan men zich echter daarover verwonderen, als zelfs van de zijde van kerkeraden zoo weinig kerkelijk besef wordt getoond ?

En Prof. Fabius laat het niet bij zoo'n kort berichtje, maar hij schrijft in de Geldersche Kerkbode een lang artikel, haastelijk door bijna alle andere kerkbodes overgenomen, waarin hij zelfs het politiek orgaan op de vingers tikt en schrijft:

Soms leest men, dat bij het afscheid van eenen Gereformeerden leeraar ook de synodale predikant wordt toegesproken. Om hem te vermanen tot erkenning van den wettigen kerkeraad ? Allerminst. Veeleer tot stijving in zijn verkeerde bestaan.

Ja, nog meer. Reeds tweemaal meen ik te hebben gezien in de pers, dat bij het afscheid van eenen Gereformeerden predikant, in den dienst eener Gereformeerde Kerk, ook het woord werd gevoerd door den synodalen predikant aldaar.

Zelfs De Standaard berichtte 14 Juli 1.1. dat bij de institueering van de synodale Kerk te Doorwerth op 11 Juli 1.1. namens de Gereformeerde Kerk van Renkum-Heelsum een ouderling hartelijke woorden van gelukwensch had gesproken, daar „niets" — zegge: niets — de Gereformeerde

Kerk belet, „mede verheugd te zijn, nu in deze nieuwe gemeente de ambten, door God gegeven, zijn ingesteld."

't Is niet te verwonderen, dat men van Hervormde zijde bij zoo'n tegenstrijdige bejegening wel eens denkt aan valsehheid. Nu eens de Hervormde kerk goedgunstig meegeteld als een christelijke kerk, dan weer als een valsche synodale kerk met al haar „onwettige" kerkeraden in den ban gedaan. Men begrijpt niet, waar men aan toe is, en spreekt van „politiek" en „verpolitieking".

Dit kan soms terecht zijn. Toch ook vaak ten onrechte.

Vele gescheidene broeders zijn hierin geheel te goeder trouw.

Geen vafschheid vindt men hier, maar wel meenen we hier te moeten signaleeren dat heen en weer slingeren tusschen absolutisme en relativisme, dat 't gevolg is van die verkeerde vereenzelviging van eigen Gereformeerde leer met de Waarheid, van eigen belijdenis met Gods Woord.

Dit heen en weer slingeren houdt alleen op als wij „alle gedachten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus" (2 Cor. 10 : 5), als wij al onze inzichten gevangen geven in gebondenheid aan Gods Waarheid.

Dan liggen ze verankeid in het Woord, „dat zeer vast is". Dat geeft vastigheid aan onze prediking, leer en belijdenis. In onze feilbare veitolkingen klinkt dan het ééne, onfeilbare Woord door. In geloofsbetrekking met de absolute Waarheid heeft ons betrekkelijk inzicht aan hare absoluutheid deel.

En laat er dan 'wat slingering overblijven, dat werkt dan niet scheidend, want wie saam verankerd zijn in het ééne Woord, slingeren dan toch niet uit elkaar.

J. CH. K.

VRAGENBUS.

Geen zaligheid voor die geen Avondmaal vieren"1. Voetius en de autonomie der plaatselijke Kerken.

Een dame, getrouw lezeres, wier naam en letters wij verzwijgen, schrijft ons:

Onze predikant hield onlangs een voorbereidingspreek naar aanleiding van 1 Cor. 10 : 21. Eerst sprak Z.Eerw. over hen, die uit sleur en gewoonte aan de tafel des Heeren plaats namen, om daarna te komen tot hen, die, hoewel lidmaten, nooit aan deze plechtigheid deelnamen. In zeer harde en krasse bewoordingen zei de leeraar, dat, indien ze daarin bleven volharden, zij hiernamaals voor eeuwig van God zouden worden verstooten en uitgesloten van het Avondmaal in den hemel, om ter helle te varen naar het rijk des Satans. Op deze wijze heeft de leeraar zich reeds meermalen uitgelaten. Nu kan ik niet gelooven, dat er ook voor deze ongehoorzaamheid geen vergeving zou zijn te vinden; daarom kan ik mij met zulk een leer niet vereenigen. Gods Woord zegt toch: „Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden." Mogen de geloovigen zich daarop niet verlaten? En indien het zoo was, dat er, zonder dat men aan het H. Avondmaal deelnam, geen zaligheid zou zijn, wat moest er dan niet door de predikanten met veel meer aandrang als eisch der zaligheid worden aangedrongen op toetreding tot het lidmaatschap der Kerk en op Avondmaalsviering, enz.

Antwoord, ,,'t Is de toon, die de muziek maakt," zegt een spreekwoord, dat ook hier geldt, 't Kan zeer noodig zijn op getrouwe Avondmaalsviering aan te dringen, maar dan moet men die boodschap toch nooit brengen als een Wet, als een eisch, die óók vervuld moet worden, zal men zalig worden. Om het zeer eenvoudig te zeggen: de Christen is niet gemaakt om het Avondmaal, maar het Avondmaal is ingesteld voor den Christen. De Heiland heeft ons Avondmaal-vieren niet noodig, maar Hij heeft in den nacht, waarin Hij verraden werd, het ingesteld, ons ten goede. Dus: nu is de rechte uitnoodiging ten Avondmaal niet: gij, Christen, zult, op straffe der eeuwige verdoemenis als ge 't niet doet, avondmaal vieren; neen, nu is de boodschap, vriendelijk en uitlokkend: kom, eet van het brood en drinkt van den wijn, die uw Zaligmaker voor het welzijn uwer ziel beschikt heeft, en „laat uwe ziel zich in vettigheid verlustigen."

Niet met stokslagen moeten de menschen ten Avondmaal gedreven worden, want een Avondmaal vieren uit vrees voor hellestraf, als men er niet aan deel neemt, is toch het rechte niet; neen maar met vriendelij ke noodigingen.

Toch heeft uw predikant gelijk, als hij er op wijst, dat het toch niet aangaat, hier op aarde moedwillig en onverschillig den Avondmaalsdisch voorbij te gaan en in-

tusschen te hopen hierboven aan het eeuwige Avondmaal eenmaal plaats te zullen vinden, 't Is wel waar, wat cnze geachte inzendster herinnert, dat er ook voor deze ongehoorzaamheid vergeving is. Maar als men de boodschap der vergeving mild en ruim en heerlijk en liefelijk zooals het behoort verkondigt, dan mag toch nooit verzuimd worden er bij te voegen wat de Schrift óók leert: „Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt." En: „wie zijne overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar wie ze bekent en laat, die zal barmhartigheid verkrijgen."

In deze woorden ligt dit opgesloten, dat weliswaar voor iedere zonde in dit leven vergeving is te vinden, maar dat men den troost dier vergeving zich niet mag toeeigenen, vóórdat die zonde nu ook hartelijk voor God beleden is en voordat men ook gezind is dien verkeerden weg, waarop men was verzeild, ook waarlijk te verlaten.

Dus: die moedwillig in een weg van ongehoorzaamheid leeft, heeft geen grond voor vrijmoedigheid om te denken: nu, daar is de vergeving van zonde in elk geval c3oed voor. Neen, zoolang wij in dien werkeerden Weg volharden, hebben wij aan Gods vergevende liefde geen ware behoefte en geen deel, en omgekeerd zoodra die groote genade der vergeving door ons geloovig wordt aanvaard, wordt 't ook de oprechte behoefte en begeerte: Heere, leid mij in Uwe wegen, om Uws Naams wil, want het zijn enkel paden van liefelijkheid van zegen en van vrede.

De heer S. te K. stelt een vraag omtrent het standpunt der ééne Kerk, bestaande uit gemeenten, öf der plaatselijke autonome gemeenten, levende met elkaar in kerkelijk verbond. Prof. Kleyn was de man van het eerste, de heeren Rutgers en De Savornin Lohman van het tweede. Beiden beriepen zich echter op Voetius. Zoo ook: en de Synode van Assen en Dr. Geelkerken komen met Voetius aandragen. Wie is nu de rechte Voetiaan, of: op welk standpunt stond nu eigenlijk Voetius?

Antwoord. Het gaat niet aan om in dit bestek een gegronde uitspraak te doen in zake hetverschil tusschen Professor Kleyn en de Hoogleeraren Rutgers en De Savornin Lohman.

Alleen hier dit:

Aan den éénen kant heeft Prof. Kleyn erkend, dat Voetius eenigszins onder invloed stond van de theorieën der Independenten; dat Voetius'kerkrechtelijk stand| punt niet hetzelfde was als van andere eanonici, als b.v. Spanheïm, Hoornbeek, Van Velzen en Triglandt, en dat men dus niet maar eenvoudig kan zeggen: zooals Voetius leerde, zóó is het Gereformeerde standpunt.

Aan den anderen kant herinneren wij aan het stuk van Dr. P. J. Kromsigt, voor eenige weken verschenen in dit ons blad, waarin deze onze geachte mederedacteur er op wees, dat de Heraut, naar aanleiding van het geval-Geelkerken, had erkend, dat de heeren Rutgers en De Savornin Lohman alsmede Dr. Kuyper, in hun beschouwing van de zelfstandigheid der plaatselijke gemeenten, wel wat ver waren gegaan.

Daardoor werd Dr. Kleyn gerechtvaardigd, die in zijn tijd, hoewel hij zelf soms bezwaar had tegen Voetius, nochtans volhield: wat gij, Doleerenden nu, met een beroep op Voetius, omtrent de zelfstandigheid der plaatselijke gemeenten, leert en in practijk brengt, dat heeft Voetius zoo nooit geleerd.

Tn de derde plaats moeten wij er op wijzen, dat, wat Voetius dan ook, terécht of ten onrechte, moge hebben geleerd omtrent de zelfstandigheid der plaatselijke gemeenten, dat toch bloot theorie was. In de practijk kwam het in die dagen niet voor, dat een kerkeraad zich uit het Kerkverband losmaakte en kon dat ook niet voorkomen, daar de Overheid het verband handhaafde. De heeren Rutgers en De Savornin Lohman (onverdachte getuigen!) schrijven in hun: „De rechtsbevoegdheid der plaatselijke Kerken": „Wij willen ons nu nog de vraag stellen wat gedurende de republiek rechtens zou gegolden hebben, wanneer de leeraar of kerkeraad afweek van de gemeene belijdenis of andere ergenis gaf. Wat had de rechter moeten beslissen, zoo b.v. eene kerk van contra-remonstrantsch remonstrantsch werd en eene minderheid in die kerk de kerkgebouwen opvorderde ? Wij onderstellen natuurlijk hierbij, dat de Overheid niet, jure publico, zich met de zaak bemoeide (gelijk feitelijk j in zulk een geval geschied zou zijn) maar dat de rechter naar streng recht te beslissen had."

Let nu wel: „Gelijk feitelijk in zulk een geval geschied zou zijn," schrijven de heeren Rutgers en Lohman.

De Overheid oefende feitelijk een jus circa sacra. (En hield daardoor ook de Kerk bij elkaar.)