is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 35, 1922-1923, no 1775, 12-10-1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35e JAARGANG. OCT. 1922—OCT. 1923

No. 1775

DONDERDAG 12 OCTÖBER 1922

De <9ettefommefliie Keitfe

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Ds. C. A. LINGBEEK te Reiisum (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT ENZERINK te Leiden; Dr. P. J KROMSIGT te Amsterdam; Dr. J. Ch. KROMSIGT te Oostwold; Dr. H. SCHOKKING te 's-Gravenhage; Dr. A. TROELSTRA te 's-Gravenhage.

:: Dit blad verschijnt wekelijks. ::

Alles wat de redactie aangaat en de boeken ter recensie zende men aan LINGBEEK te Reitsum, en alle berichten omtrent „Kerkaiioe Ün ?* ,J* JELLEMA te Wageningen. Voor advertentlën en administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

Uitgevers: H. VEENMAN & ZONEN

WAGENINGEN POSTREKENING 12940 TELEFOON 1S4

Abonnementsprijs f 5.~ per jaar. Afzonderlijke nummers 10 cents. Prijs der advertentiën: Van 1—10 regels f 2.—, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a 10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar

INHOUD: Behoefte en bevrediging. — Separatistische afdwaling. — Naar de Barbaren terug. — Over de kerkelijke kwestie. — Vragenbus. — Winterlezingen. — Confessioneele Vereeniging. — Bijzondere Leerstoelen. — Ons Blad. — Leestafel. Kerk en school. — Correspondentie. Advertenties.

BEHOEFTE EN BEVREDIGING.

Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Matth. 5 : 6.

De tekstwoorden bevatten een heerlijke belofte, een belofte van verzadiging met het hoogste goed. Het spreekt vanzelf, dat deze belofte alleen geldt dengenen, die nog niet verzadigd zijn, dengenen, die behoeften, zielsbehoeften hebben. Honger en dorst zijn prikkels, die het schepsel aanzetten om spijze te zoeken en alleen dan wanneeer die honger en dorst er is, die trek naar spijze, is er de normale toestand. Zonder die trek kan er ook niet zijn een gezonde ontwikkeling van het lichaam. Een ziek lichaam kent dien trek niet. En wanneer nu die behoefte naar spijs en drank niet bevredigd wordt, dan komt er wat men eigenlijk honger en dorst noemt, een schreiende behoefte, die vervuld moet worden, daar anders het leven op het spel staat. Honger en dorst is dus veel sterker dan trek aan eten en drinken.

Deze behoefte nu kent ook de ziel, omdat de ziel leeft en leVen moet. Het is echter niaar al te waar, dat de lichamelijke beoeften bij den mensch sterker spreken an de geestelijke. Een bewijs daarvan, dat e evenwicht in den mensch \erstoord is. oispionkelijk was dit zoo niet, toen riep e mensch met dezelfde macht om spijze vooi lichaam en ziel, of eigenlijk — hij ehoefde daar niet om te roepen; hij had alles. den hof van Eden en zijn God in dien hof, alles, voor lichaam en ziel. Maar nu is dat jaist de val van den mensch geweest, dat hij meer naar den hof ging verlangen, dan naar God, meer naar Gods gaven dan naar God zelf. De aarde trok hem meer aan dan de hemel, het lichaam won het van de ziel, het oog van het hart. Evenwel bleef toch waar, wat in de schepping reeds duidelijk uitkwam: de ziel is teerder dan het lichaam — omdat de 2ie eeuwig ia en eeuwige behoeften heeft, le a&rde niet, de hemel alleen kan eviedigen. De aarde alleen daar, waar de hemel op aarde is neergedaald, waar Christus is. Doch volkomen bevrediging vinden we hier beneden niet; die vinden we, waar al 't sterfelijke en verderfelijke, onsterfelijkheid en onverderfelijkheid heeft aangedaan, wanneer al 't aardsche is voorbijgegaan en ziet, het is alles hemelsch geworden. En vandaar, wanneer het goed is* de telkens terugkeerende behoefte, e telkens terugkeerend gevoel van gemis, de er iaaldelijke vermaning om te zoeken levensonderhoud, levensbehoud voor degenen, die midden in den dood liggen. En Waar nu die drang, die behoefte sterk spreekt, zoodat het wordt een hongeren en dorsten naar het zielelevensonderhoud, naar het zieleleven, naar het leven, dan khnkt de stem van Hem, die het Leven is:

Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Hongeren en dorsten naar de gerechtigheid — het is een sterk uitgesproken behoefte naar dien toestand, waarin men zonder vrees durft opzien naar boven; een toestand waarin men weet vrede met God te hebben. Temidden van al dè aardsche zorgen en nooden te ervaren reeds bij voorsmaak de vredige rust van het koninkrijk Gods.

Het sterk verlangen heeft zich dus gericht op een bepaald voorwerp: de gerechtigheid, en niet op gerechtigheid in algemeenen zin in tegenstelling met onbillijkheid en onrechtvaardigheid. Gerechtigheid beteekent hier, een inwendige toestand des harten, die gekenmerkt wordt door het gevoel van bevrediging en rust; in tegenstelling met den gescheurden, verdeelden toestand, die men zonde noemt, met den toestand van vrees en onrust en donkerheid.

Degene nu, die daarnaar verlangt, die heeft geen rust, geen bevrediging in de wereld kunnen vinden, zoekt die daar ook niet meer. Die heeft zijn eigen toestand leeren gevoelen in al zijn vreeselijkheid bij de uitspraak van GodsWoord. Toen dat licht van Gods Woord in zijn donker leven viel, toen zag hij de onreinheid van dat leven, evenals men de onreinheid van een kamer ziet, wanneer een straal van Gods reine zon daarin valt. En toen ontwaakte tevens dat sterk verlangen naar reinheid en heiligheid. De honger en dorst naar gerechtigheid is tenslotte niets anders, dan de diep gevoelde behoefte en het besef van gemis aan Gods gemeenschap, de behoefte aan verlossing.

Gelukkig de mensch, bij wien deze behoefte sterk spreekt. Zalig wordt hij geprezen door den Heiland, tot hem komt de noodiging: O alle gij dorstigen, Icomt tot de wateren. Zalig hij, die verlangt naar het brood des levens, naar het water des levens, naar het manna, dat uit den hemel is nedergedaald, naar de rots, waaruit levend water springt, naar Christus en de gerechtigheid die Hij schenkt, die Hij heeft en ons verworven heeft. Want Hij heeft door Zijn gerechtigheid, zijn vervullen van het ideaal, zijn volbrengen van den wil van God, Zijn leven, dat bestond in alle gerechtigheid te volbrengen, ons het leven in gerechtigheid verworven. *

Zalig dan degenen, die hun gebrek gevoelen, want zij zullen verzadiging, volkomen, ontvangen. Zalig zijn zij, omdat ze zalig zullen worden. Immers ze zullen verzadigd worden met gerechtigheid, zij zullen volop gerechtigheid ontvangen, ze zullen er volop van genieten. Zalig, gelukkig zijn ze nu reeds, omdat ze kunnen zingen:

Maar blij vooruitzicht, dat mij streelt,

Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen;

U in gerechtigheid aanschouwen,

Verzadigd met Uw god'lijk beeld.

De zaligheid hier genoemd bestaat natuurlijk niet in het hongeren en dorsten! Hoe zou het kunnen. En toch meenen velen dat! Wanneer wij onze ellende gevoelen, dan zijn we er nog niet. We zijn er nog niet, wanneer we maar „ach" en „wee" kunnen roepen. Dan zou dus Gods doel zijn om

ons ellendige menschen te maken. Alsof de hemel eenmaal van „ach" en „wee" zal weerklinken! O, neen! Zaligheid, verzadiging van vreugde, dat is Gods doel! Zeker, onze ellende moeten wij gevoelen, maar daarbij mogen wij niet blijven staan, dat kan ook niet, niemand houdt het daarin uit, en God laat er ook niemand in zitten, die er werkelijk in zit. Uit de ellende zal er steeds een roepen gehoord worden naar verlossing, maar niet tevergeefs.

Telkens zal weer de zonde gevoeld worden, de scheiding van God. De behoefte aan verzadiging door een betere spijze dan de aardsche blijft bestaan. Zoolang de aardsche woestijnreis naar het hemelsch Kanaan duurt, moet de ziel telkens versterkt worden door het manna, dat van de hemel daalt. Toch voelt de pelgrim naar de eeuwigheid dat dit, hoe heerlijk het ook mag wezen, toch nog niet is de zaligj heid, de verzadiging. Het is en blijft hier beneden alles ten deele, ook de verzadiging. Maar dit weet de geloovige dan ook: die overwint, Christus zal hem, geven te eten van het manna dat verborgen is, op den eeuwigen Sabbath der rust. Het telkens gedeeltelijk bevredigd worden, wordt eenmaal vervangen door een eeuwige bevrediging aan de bruiloft des Lams daarboven.

Zalig zijn de hongerenden en dorstenden naar de gerechtigheid, omdat ze zalig zullen worden. Ze zijn zalig temidden van hun behoefte, omdat zij weten dat een eeuwige bevrediging hun deel is. Eéns houdt elke behoefte op, omdat dan elke behoefte vervuld is. Zaligheid temidden van de ellende —- hoe is 't mogelijk! Omdat het ervaren wordt dat de vreugde der ziel meer is dan de smart des lichaams, dat de glans des hemels der aarde donkerheid doorboort, als een profetie van eeuwig licht. Zaligheid door de werking des Heiligen Geestes, die een onderpand is der verkregen verlossing. Zaligheid, nu nog gemengd met velerlei gevoel van ellende, maar toch zaligheid omdat het de aanvang is van een onvermengde zaligheid. En hoeWel deze zaligheid dikwijls niet ervaren wordt, toch spreekt het geloof steeds weer zijn: nochtans! Honger en dorst — nochtans zalig! Honger en dorst — maar: zoo ik niet had geloofd, ik was vergaan! Geloofd n.1. in de schuldvergeving, in de verzadiging met gerechtigheid.

Honger en dorst naar de gerechtigheid -— gelukkig, zalig de mensch, die dit kent, want hij zal ook verzadiging kennen. Burum. W. J. de Wilde.

SEPARATISTISCHE AFDWALING.

Wil een Gereformeerd mensch (Gereformeerd in den zin van onze belijdenis en waarin de Vaderen het waren!) eens zitten jeuken op zijn stoel, dan moet hij somtijds de stukken lezen over „Kerkorde en Confessie" in de Waarheidsvriend.

Daarin wordt onder Gereformeerden naam allerlei opgedischt wat o.i. toch niet anders is dan Separatistische theoriën. Geen regel bijkans, (in het laatste stuk althans!) waarin dit laatste niet valt na te speuren.

Eenige proeven slechts!

De schrijver heeft het over onze oude Gereformeerde Kerk en haar verhouding tot den Staat en zegt dan:

„Desondanks kwam de bevoorrechting der Kerk hier te lande allengs onder den invloed van het oude ideaal volkskerk

en dat werd niet weinig in de hand gewerkt door de Synodale Organisatie."

Dat is nu eenvoudig een verdraaiing van de geschiedenis. De Synodale Organisatie moge veel op haar geweten hebben, dit heeft zij niet op haar geweten. Want „bevoorrecht" door den Staat was de Gereformeerde Kerk onder de Dortsche Kerkorde tienmaal meer dan onder de Synodale Organisatie.

Maar waarom beweert de schrijver van dat stuk dan, dat die bevoorrechting werd in de hand gewerkt door de Synodale Organisatie ?

Omdat hij niet weten wil, dat die bevoorrechting geschiedde op grond van de Gereformeerde belijdenis, die in art. 36 eischte, dat de Overheid de ware Kerk zou steunen.

Om dit te maskeeren worden onze oude Gereformeerden tot Neo-Calvinisten gemaakt en de oude Gereformeerde voorstelling wordt NB. geschreven op rekening der Synodale Organisatie! Om haar zoo verdacht te maken.

Nog één proeve:

Het geheele betoog van den schrijver komt hierop neer dat onze Kerk als Volkskerk moet vallen. Want een van tweeën, meent hij : of het moet leervrijheid blijven of de Kerk moet ophouden Volkskerk te zijn.

Maar nu komt hij tot de vraag, die voor de hand ligt: Maar als de tucht dan weer werd hersteld, zou dan onze oude Kerk niet kunnen worden wat zij in vroeger eeuwen toch ook geweest is: een belijdende Christelijke Kerk ? En dan schrijft hij:

„Kon zulks geschieden, dan zou ook de Kerk in hare leden overwegend een belijdend karakter dragen; wilde men dat echter van bovenaf opleggen dan zou men noodwendig geraken tot een stelsel, dat de rechten der plaatselijke gemeenten zou krenken."

Hier zien wij nu hoever de schrijver in de Waarheidsvriend reeds van de rechte lijn af is!

Hij drijft de leer van de autonomie der plaatselijke gemeenten zoo ver, dat hij aan die gemeenten het recht toekent om een andere leer dan die der Kerk te eischenl

Daarbij zou Voetius, de. man van de autonomie der plaatselijke Kerken, zeker zijn ineengekrompen!

Natuurlijk, wie zoo de plaatselijke gemeenten als losse eenheden beschouwt, waarvan elk recht heeft op hare eigen belijdenis, die kan op niets anders aansturen dan op doorsnijding van het snoer, waaraan die kralen zijn aangeregen. Om ze dan opnieuw te verbinden: rood bij rood en blauw bij blauw.

Maar volgens ons algemeen reglement heeft de geheele Kerk eene belijdenis. En volgens de oude Gereformeerden niet minder.

En wie dat niet erkent, dat onze Kerk is een Gereformeerde Kerk, wat doet die als Gereformeerde nog langer in onze Kerk ?

C. A. L.

NAAR DE BARBAREN TERUG.

Dat wij in onzen hooggeroemden tijd het evenwicht totaal kwijt zijn, blijkt niet slechts uit de maatschappelijke malaise als gevolg van den oorlog en van de veel te kras gevoerde sociale actie. Dat komt ook telkens weer uit in de geestelijke producten die er tegenwoordig aan de markt komen.

Kort geleden verscheen er, natuurlijk in Duitschland, van de hand van Prof. Binding, hoogleeraar in het strafrecht te Leipzig een boek onder den titel: Die Freigabe der Vernichtung lébensunwerten Lebens (De vrijheid om waardelooze menschenlevens te vernietigen).

Inderdaad, niet alleen de professoren in de physiologie en filosofie en ook theologie dragen er schuld aan dat onze tijd