is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 35, 1922-1923, no 1776, 19-10-1922

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35e JAARGANG. OCT. 1922—OCT. 1923

No. 1776

DONDERDAG 19 OCTOBER 1922

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Ds. C. A. LINGBEEK te Reitsum (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT ENZERINK te Leiden; Dr. P. J KROMSIGT te Amsterdam; Dr. J. Ch. KROMSIGT te Oostwold; Dr. H. SCHOKKING te 's-Gravenhage; Dr. A. TROELSTRA te 's-Gravenhage.

:; Dit blad verschijnt wekelijks. '■:

Alles wat de redactie aangaat en de boeken ter recensie zende men aan Ds. C. A. LINGBEEK te Reitsum, en alle berichten omtrent „Kerknieuws" aan Ds. J. JELLEMA te Wageningen. Voor advertentiën en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

Uitgevers: H. VEENMAN & ZONEN WAGENINGEN

POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

Abonnementsprijs f 5.— per jaar. Afzonderlijke nummers 10 cents. Prijs der advertentiën: Van 1—10 regels f2.—, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a 10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar

INHOUD: Goddelijke leeftocht. - De gereformeerde predikantenvergadering te Utrecht. — Volkscaricaturen; het rechte portret enz. — Heel het volk. — Over de kerkelijke kwestie. — Vragenbus. — Ingezonden. — Landhuldigings-comité 1898— 1923. — Winterlezingen. — Leestafel. — Kerk en School. — Advertentiën. —

GODDELIJKE LEEFTOCHT.

„En allen dezelfde geestelijke spijze gegeten hébben, en allen denzelfden geestelijken drank gedron ken hebben; want zij dronken uit den geestelijken steenrots, die volgde; en die steenrots was Christus.'" I Cor. 10 : 3 en 4.

Ge zult wel niet weten wat het is, als het levensbrood op is en wat het zeggen wil in stervensnood te verkeeren omdat er een smachten is naai' water. Maar Israël heeft het geweten kort nadat het uit Egypte uitgetogen was. De uit het diensthuis meegenomen spijze is verteerd en de waterzakken, die te Elim overvloedig waren gevuld, zijn tot op den. laatster) droppel uitgeschud.

Evenwel, Jehova vergeet Zijn volk niet. Hij, die het doopte in de zee, Hij die het uit den dood voerde tot het leven, Hij spijzigt het met hemelkoren en dóet het water ontspringen uit een granietharden rots.

Paulus spreekt er nu van, dat Israël een geestelijke spijze at en een geestelijken drank dronk uit een geestelijken steenrots, Christus geheeten. Ge kent misschien het woord, dat het Nieuwe Testament, ligt in het Oude, en dat het Oude Testament, ligt in het Nieuwe. Zoowel het Oude- als het Nieuwe Verbond, het is een en hetzelfde verbond der genade. Gelijk de ochtendschemering verkondigt het aanbreken van den vollen dag, waren de doörleiding door de Roode Zee en de spijziging in de woestijn met brood en met water een aankondiging van de beide sacramenten van het Nieuwe Verbond, de heilige doop en het heilig avondmaal.

Dat op dezen dag een menigte van zondaren Gods volk is, het is om de genade Gods, die in Christus Jezus is, omdat Christus hunne zonden droeg, omdat Hij hun leven, hun heiligmaker en voleinder is. Maar om geen andere oorzaak was Israël in den tijd der belofte het volk des Heeren. Dit is het geheim van Gods geduld met dit wederstrevende en murmureerende volk. De Heere liet het niet sterven van honger en ondergaan van dorst, omdat Hij, die uit Abrahams zaad spruiten zou, zich dit volk als het Zijne toegeeigënd had. In een zeer bijzonderen zin was Israël het eigendom van den Zone Gods en dat is het nog! Zoo teekent ons de Schrift een wonderschoone toekomst voor dit om der zonden wil in smaadheid verstrooide volk; ze zijn onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat God ze barmhartig zal zijn.

Öp de reize door de woestijn nu heeft Israël gegeten van het manna en gedronken uit de steenrots. De Heere heeft het lichamelijk in stand gehouden. Maar veel belangrijker is het, dat dit volk geestelijk niet is ondergegaan, Ja, als het murmureert ftf dartelt om het gouden kalf of anders¬

zins de zonde dient, dan heeft het niet veel meer van een volk des Heere n; maar om Zijne genade, die in Christus Jezus is, heeft de Heere Zijn aangezicht niet afgekeerd van deze zondaren. Ook voor de vromen uit dit bondsvolk zou Christus Zijn vleesch en bloed, Zijn leven geven als een rantsoen. Dit uitgeleide volk is in de belofte vrijgekocht van satan en zonde en wereld. Uit gebrek aan brood en water is niemand in de woestijn gestorven. Zoo blijft Christus het brood des levens, zoo volgt de geestelijke steenrots. Het is Christus kracht, die in de woestijn in het zwakke Israël werd volbracht. Maar de diepe zin dezer gave werd eerst onthuld toen de belofte vervulling is geworden.

Paulus schrijft, dat de Israëlieten dezelfde geestelijke spijze hebben gegeten en allen denzelfden geestelijken drank hebben gedronken. De Corinthiers mogen van denzelfden Christus genieten als de Israëlieten in de woestijn.

Ja! dat is ook uw kracht op uw pelgrimstocht door dit leven, dat Christus uw deel is, dat Christus Zichzelf u meedeelt eiken dag opnieuw. Helaas! er is zoo menigwerf eeij gedachteloos zich toeeigenen van de gave Gods. Het wordt ten slotte een gewoonte het manna te rapen en water te drinken, om de gave Gods te aanvaarden, die door en omj en in Christus Jezus is!

Gelijkerwijs manna en watergevende steenrots voor Israël noodzakelijk waren om het leven te behouden, zoo is Christus onontbeerlijk voor uw ziel. Gelijkerwijs manna en steenrots de eemge uitkomst boden, zoo is alleen bij Christus ontkoming. Gelijkerwijs manna en steenrots door God werden geschonken, zoo is Christus in waarheid de gave uit den hemel. ■

Daar staat uw Heiland aan den oever van het meer te Kapernaum. Hij heeft wonderbaar de brooden vermenigvuldigd en omtrent vijfduizend gespijzigd. Het hart der aan de aarde gebondenen zoekt Hem omdat zij van de brooden hebben gegeten. En nu wordt Jezus prediking, dat iets anders waarlijk verzadigen en kracht geven kan, Hij die het brood des levens is. „Uwe vaders hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven. Dit is het brood, da} uit den hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete en niet sterve. Ik ben dat levende brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zoo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het brood, dat Ik geven zal, is Mijn vleesch, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld. Christus het van God gegeven brood, Christus nog de steenrots, die water geeft. Het is het feest der tabernakelen en Jezus leert in den tempel. Op den laats ten dag van het feest klinkt Jezus stem door den tempel: „Zoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke!" Zijn bloed is waarlijk drank. Wie drinkt van wat Hij biedt, zal niet meer dorsten in der eeuwigheid.

Christus Jezus, het hemelbrood, de watergevende steenrots in elke omstandigheid des levens. Hij is het in uw Mara, als God uw leven bitter heeft gemaakt, Hij is het ook in uw Elim als de zegeningen des Heeren vele voor u zijn. Hij is het als

ge staat voor den vloek van Gods wet en ge'1 wegkrimpt in zondeschuld, Hij is het als u overkomt wat Mozes overkwam, wanneer uw hartebede afgewezen wordt en ge u neerleggen moet bij het: „ Spreek niet meer tot Mij over deze zaak." Christus, nogmaals uw levensbrood en uw eeuwigheidsdrank als het straks stervensnacht voor u wordt.

We lezen in de Schrift nog twee bijzonderheden van het manna.

Aaron deed er van in een kruik en het kwam in de ark der getuigenis tot een bewaring. Die kruik met manna was voor al de geslachten Jacobs een sprake van de zorg des Heeren voor de spijziging van Zijn volk. Maar ook deze kruik behoorde tot de schaduwendienst ea sprak van de spijziging der zielen door den Christus. Uw kruik met manna, ge ziet haar telkens als ge nadert tot de tafel van het Nieuwe Verbond. Die tafel der getuigenis, die u verkondigt dat God om Zijn volk niet te laten verhongeren Zijn Zoon gegeven heeft. En Hij, die Zijn eigen Zoon niet spaarde, Hij zal u met Hem alle dingen schenken!

En het andere, dat ons van het manna opgeteekend staat, het is, dat het ophield toen men gekomen was in Kanaan. Daar werd gegeten van het overjarige koren. O! vergeet het toch niet, op uw reize door de woestijn van dit leven, kunt ge niet zonder dagelijks gespijzigd en verkwikt te worden door Hem, Wiens vleesch de spijze en Wiens bloed de drank is. Maar eenmaal geen schreien meer van de honger in uw ziel en geen dorstig u uitstrekken naar God, dan als ge u nedervleien moogt in de velden van het Kanaan hierboven, daar waar God alles in allen wezen zal!

Daar, waar uw ziel verzadigd zal wezen met de zaligheid Gods, die er is in Christus Jezus, onzen Heere!

Parrega. J. C. H. Romijjst.

DE GEREFORMEERDE PREDIKANTENVERGADERING TE UTRECHT.

Over die gehouden vergadering laat onze ruimte ons niet toe veel te zeggèn.

Dat behoeft ook niet, daar het was een predikantenve rgadering.

Om den lezer niet geheel in het onwetende te laten, alleen dit: de opkomst viel niet tegen. Er waren ruim honderd predikanten en vele anderen betuigden instemming.

Wat het verhandelde aangaat voegen wij er bij: wij hebben veel goeds gehoord. Goed deed ons aanstonds het openingswoord van Dr. Oorthuis en daarna zoo veel meer.

Bijzonder goed deed het ons, dat werd uitgesproken: wij gelooven, dat de Bijbel is Gods Woord en de Heilige Geest getuigt aan onze harten dat dit waarheid is.

Toen gevoelden wij hoe verkwikkend en versterkend het is dit niet alleen uit te spreken, maar om het uit te spreken met elkander.

Iemand zei eens in een preek: het eenige, waarop het aankomt is dat men kan zeggen: „ik geloof." Daar kwam Dr. Hoedemaker, die onder het gehoor was geweest, onmiddellijk tegen op. Neen zei hij, onze geloofsbelijdenis is gemeenschappelijk-, „wij gelooven," zoo vangt zij aan. Daarvan gevoelden wij hier de beteekenis.

Zij ook deze vergadering tot zegen voor onze Kerk!

C. A. L.

VOLKSKERKCARICATUREN; HET RECHTE PORTRET, ENZ.

De Waarheidsvriendschrijver, die de stukken over Kerkorde en Confessie geeft, is nu gekomen tot behandeling van de Volkskerkidee.

Hij schrijft dan o.m. dit:

„Het belijdende deel der Kerk zal geen volkskerk wenschen. Practisch zal het zich stellen op de belijdenis, de zuivere prediking wenschen te hooren en de sacramenten naar het Woord bediend en zij zullen dus scheiding maken tusschen rechtzinnig en niet rechtzinnig. Dan zijn zij dus de belijdende Kerk, de Kerk in de mengeling van het geheel. Wat wil men dan van een volkskerk ? Men vormt dan toch in wezen een Kerk in een Kerk, die geen Kerk meer is, een Kerk in een instituut. Wil men een volkskerk, dan behoort het geheele volk in de Kerk, doch ook dan zal men niet mogen verwachten, dat 't geheele volk de belijdenis aanvaardt, tenzij men die zoo ruim stelt, dat allen er mede kunnen accordeeren. Indien men daarin zou slagen, is bij de gesteldheid van onze volksziel niet meer te verwachten, dat men op grond van die belijdenis zulk een Kerk van het geheele volk nog de kenmerken van de ware Kerk zou kunnen schenken. Ook dan zou men in dat volksinstituut weer de openbaring der Kerk onderscheiden en dus de Kerk zien in het volk en niet het volk in de Kerk.

Die aan de belijdenis vasthoudt, komt dus steeds uit bij de Kerk in het volk of zoo hij in een kerkelijk instituut is gezet, dat geen leertucht kan oefenen, vormt hij een Kerk in het instituut. De practijk leert zulks dan ook in menig opzicht. Men denke b.v. aan de evangelisaties, die door de mannen van de belijdenis worden gevormd ter plaatse, waar de Kerk hun niet geeft, wat zij wenschen in de leer. Zij missen de kerkelijke ordening en regeering en vormen als zoodanig geen Kerk, doch als leden van de plaatselijke Kerk, deel van het geheel der Hervormde Kerk, zijn zij in wezen een Kerk in het instituut, zij 't dan ook een doleerende, die veel moeten missen, omdat zij de zuivere prediking begeeren."

Tot zoover de geachte schrijver.

Nu moeten wij eerst zeggen (voor de zooveelste maal!) dat onzerzijds onder Volkskerk volstrekt niet wordt verstaan een Kerk, die het geheele volk omvat of moet omvatten.

Volkskerk in dien niet door ons bedoelden zin was de Kerk in ons vaderland eigenlijk alleen in den tijd voor de réformatie.

Daarna had men naast de Gereformeerde Kerk een, al was 't ook veel kleinere, Roomsche Kerk; behalve nog de vele Doopsgezinden en enkele Lutherschen enz, om nu van de Joden, (die eigenlijk tot een andere natie behoorden) maar niet te spreken.

Volkskerk in den boven aangeduiden zin was onze Kerk na de réformatie dus niet.

En toch was zij Volkskerk, en wel in dezen zin: dat niet alleen haar zielental grooter was dan dat van de andere kerken, maar dat God de Heere in den strijd voor hare beginselen den Nederlandschen vrijen staat had doen geboren worden en had groot gemaakt; dat de Overheid des lands,^ met inachtneming der conscientievrijheid, hare belijdenis dan ook als de ware Christelijke belijdenis erkende, en dat alzoo van deze Kerk de meeste leiding uitging op ons volksleven en dat door haar op dat leven een stempel Werd gedrukt .

Welnu, wat er van die plaats voor onze Kerk nog was overgebleven, wenschten wij voor haar te behouding als het kon wenschten wij die plaats voor haar te heroveren. Want wij wenschen niet, dat ons volk zal zijn te beschouwen als een chaos \ran lieden van allerlei meening,

0*v