is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 35, 1922-1923, no 1812, 28-06-1923

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige voortzetting van de Kerk der Vaderen en wij maken dus aanspraak op de geheele stoffelijke en geestelijke erfenis, dan moeten wij toch even een stukje geschiedenis ophalen.

„Voor eenigen tijd rees er een discussie tusschen de Heraut en een der Redacteuren van dit ons blad, Dr. J. C. Kromsigt.

Dr. J. C. Kromsigt had n.1. geschreven, dat een goede Gereformeerde niet zal doen als Dr. Kuyper en dus de belijdenis niet als iets dat op zichzelf gezag heeft, zal handhaven, maar altoos het oppergezag van Gods Woord zal erkennen en dus de kerkelijke vergaderingen zal erkennen, die op grond van Gods Woord in belijdenisvragen uitspraak hebben te doen..

Daar had" men toen de poppen aan het dansen.

De Heraut kwam toen in het vuur en riep Dr. Kromsigt toe:

Maar altoos heeft immers juist onze Dr. Kuyper gezegd, dat boven de belijdenis stond het gezag van Gods Woord.

Ja, antwoordde toen weer Dr. Kromsigt, „zoo heeft Dr. Kuyper wel gezegd en geschreven ook, maar hij heeft er niet naar gedaan.

Want reeds voor '86 had Dr. Kuyper bezwaren tegen sommige stukken der belijdenis, zooals dat van de kerk en. van de overheid. *)

Maar toen heeft Dr. K. niet getracht tot een uitspraak daarover in een kerkelijke vergadering te komen.

Neen, toen heeft hij die zaak zelf maar uitgemaakt: met zijne van de belijdenis afwijkende gevoelens heeft hij toen een deel van de oude Kerk afgescheurd, en daarna heeft hij door dat afgescheurde deel de belijdenis der Kerk in zijn geest laten wijzigen.

Zoo ongeveer schreef Dr. J. C. Kromsigt en hij hield staande: zoo deed men niet onder gereformeerden. (In het nummer van 16 November 1922 van ons blad).

Sinds dien tijd heeft Dr. Kromsigt nu ongeveer zeven maanden lang rustig in zijn pastorie op het antwoord van de Heraut zitten wachten. Dat voor zoover wij weten nog niet is verschenen.

De zaak was dan ook belangrijk genoeg om zich er nog eens goed op te bedenken.

Maar.... om tot ons punt van uitgang terug te keeren: het Noord-Hollandsche Kerkblad beweerde zoo stout: wij zijn de éénige wettige voortzetting der oude Geref. Kerken en maken dus op al hare goederen aanspraak.

Het blad sta ons nu toe het te herinneren, dat wie op het goed, dat anderen bezitten, uitsluitend aanspraak wil gaan maken, eerst wèl heeft toe te zien, dat zijn eigendomsbewijzen ter dege in orde zijn.

C. A. L.

„Volledige vrijheid van uitoefening van openbare godsdienstoefeningen, ook ten aanzien van het houden van processie's langs den openbaren weg."

Was het louter om aan „het doorluchtig episcopaat" te laten weten: zóó goed Roomsch zijn wij nog? Of openbaart zich hier de Roomsche begeerte, nu ja „naar volledige vrijheid van uitoefening van openbare godsdienstoefeningen" zegt men dan; maar men bedoelt natuurlijk, naar een Roomsch Nederland.

Ik kan het hart van deze R. K. Volkspartijers niet peilen. In ieder geval blijkt, dat de processies nog voortleven in het Koomsche gemoed.

Had iemand het anders verwacht? O, men zwijgt. Men wacht. Maar, processies zullen er Komen, zoo zegt het Roomsche hart. Zwijgen en wachten is echter voorloopig de boodschap. In zooverre hebben die oproerige menschen van de R. K. Volkspartij als het enfant terrible van de Roomsche kerk zich zeer onvoorzichtig I gedragen. Ze meenden zoo goed Roomsch te zijn in hun program. Maar zooals het wel meer gaat, ze waren „plus royaliste que le roi" (d. i. koningsgezinder dan de koning zelf). „Hetdoorluchtige episcopaat heeft van het begin tot het eind bij het lezen van hun program niet vroolijk gekeken; maar bij die passage over de processies heeft het wel in het bijzonder met de wenkbrauwen gefronst.

En wij, Protestanten, hebben de porder weer voor het raam gehad. Maar velen slapen den politieken slaap des rechtvaardigen. Op 1 April 1922. Op 24 Augustus 1922. Of neen, ze slapen niet. Ze doen maar alsof ze slapen. Ze zouden er wel graag uitvliegen. Maar ze durven niet. Vanwege Dr. Nolens. Zoodra ze beweging maken in bed, staat hij al dreigend, met een stok in zijn hand voor hen en spreekt brutale woorden.

Nochtans zullen we het woord van Dr. Kuyper, voor een vijftig jaar door hem neergeschreven in zijn geschrift over den Bartholomeusnacht, maar weer eens in het huis van de slapenden inroepen, dat onvermoeide herinnering van de feiten uit onze historie het eenige verweer is. Amsterdam. H- Bakker.

BUITENLAND. <

Rusland. Ongeloof sfanatisme. In aansluiting aan wat wij een vorige maal schreven omtrent de geestelijke toestanden in het tegenwoordige Rusland volgt hier nog een en ander dat te kenschetsend is om het onvermeld te laten. Uit alles blijkt dat men daar te doen heeft met een geestelijke revolutie, die in nauw verband staat met de staatkundige en economische omwenteling. Het is een bewuste, openlijke haat, die zich uitspreekt tegen den godsdienst zelfs in zijn meest algemeene openbaring. Daaruit zijn te verklaren al die moorden sinds de revolutie op Christenen gepleegd, die niet verkozen zich te buigen onder het Bolsjewistisch régime. En daaruit zijn ook te verklaren al die pogingen en maatregelen om de bevolking te bemoeilijken in de uitoefening van hare religie. Hetzelfde spreekt uit het volgende bericht, ontleend aan een bekend Russisch orgaan; het handelt over het godsdienstonderwijs op de scholen. „Wij kunnen niet toelaten," zoo heet het, „dat de school, dat machtige wapen, in den strijd tegen het volksgeloof, naar den ouden trant godsdienstonderwijs geeft. Kerk en staat zijn gescheiden en daarmede is het godsdienstonderwijs op de scholen definitief afgeschaft. Ondanks deze verordening komen uit de provincie tal van berichten, die wijzen op een toenemende godsdienstige propaganda op de scholen. Uit het gouvernement Kaloega bijv. wordt gemeld, dat van een school met 250 leerlingen de plaatselijke geestelijkheid den kinderen in een afzonderlijk lokaal naast het schoolgebouw catechisatie-onderricht geeft. 'Dit voorbeeld had tengevolge oprichting van talrijke catechisatie-afdeelingen bij de scholen in dat gouvernement. Ook in het gouvernement Podolsk worden de kinderen in het geheim gedwongen godsdienstonderwijs te ontvangen. Zoo kan dus worden geconstateerd een verborgen samenwerking tusschen Kerk en school." En dan komt het blad tot deze slotsom, dat het volk niet kan buiten een Godsgeloof, en dat het daarom dan nog maar beter is de onderwijzing van de „Gods-idee" op te dragen aan moderne dan aan ouderwetsche geestelijken.

Al in het begin van 1918 gaf de regeer ing bevel dat Bijbelsch onderwijs van de lijst der verplichte leervakken op de volksschool zou worden afgevoerd. Godsdienstonderwijs werd nog gegeven, maar het al of niet deelnemen daarvan werd overgelaten aan het goedvinden van de ouders der kinderen. Wie eraan deelnamen, moesten

*) Bekend zijn Dr. Kuypers bezwaren tegen art. 36 der Geloofsbelijdenis. Misschien minder bekend is dat hij nog meer bezwaren tegen die belijdenis had. De Heraut (die het weten kan) schreef dienaangaande in het nummer van 4Febr. 1923 het volgende:

„Indien een, dan is het j uist Dr. A. Kuyper geweest, die zoo krachtig mogelijk is opgekomen tegen de voorstelling, alsof ééne Kerk, de Gereformeerde, met de ware zaligmakende kerk kon vereenzelvigd worden. De pluriformiteit der Kerk is vooral door hem op den voorgrond gesteld. Zelfs had hij op dien grond bezwaar tegen hetgeen in art. 29 onzer Confessie geleerd wordt."

Nu laten wij op hetoogenblik dequestie, of de Gereformeerde Kerk de alleen zaligmakende Kerk zou zijn, buiten beschouwing. Daarvan zeggen wij nu alleen, dat de oude Gereformeerden dat nooit geleerd hebben. Maar waar wij wel op wijzen is, dat Dr. Kuyper een leer van de pluriformiteit der Kerk heeft uitgedacht en openlijk heeft voorgestaan en in pr-actijk gebracht en op grond daarvan zich ook niet meer heeit kunnen vereenigen met wat de oude Gereformeerde Confessie in art. 29 aangaande de Kerk had geleerd. L.

PROCESSIES.

We leven snel.

Daarom vergeten wij zoo gemakkelijk. Het één verdringt het ander. Wij zouden er haast al niet meer aan denken, dat onlangs ons land in rep en roer gebracht werd door de processie-kwestie.

De onlangs opgerichte R. K. Volkspartij (die ondertusschen door het woord van de bisschoppen alweer staat te aarzelen of zij zal voortgaan of het hoofd buigen) heeft er echter voor gezorgd dat ons geheugen wakker bleef; en in haar program o.a. ook deze zinsnede opgenomen:

Godsdienst. De R. K. V. betreurt de houding der R. K. Staatspartij bij de jongste grondwetsherziening in zake „het processieverbod" en in verband daarmede:

ook de kosten dragen. Wanneer de auto- B riteiten daarbij de verwachting hadden m gekoesterd, dat slechts weinige kinderen aan te dat onderwijs zouden deelnemen, hadden as zij misgerekend. Toen volgde de bepaling e^ dat de schoollokalen voor dat onderwijs ee niet langer mochten afgestaan worden, vi Tegen het eind van het vorige jaar kwam d( het zóóver dat de regeering op scherpe vi straffe verbood het geven van godsdienst- R onderwijs zelfs in de woningen der leer- d( lingen, waartoe velen zich in groepen hadden vj vereenigd.

Hoe was het ook anders te verwachten K van een regeering, die alle burgers de ver- e« plichting oplegt tegen den godsdienst te h strijden, zooals het uitdrukkelijk heet in v de Sovjet-constitutie. Ook moeten de d Sovjet-autoriteiten bezig zijn met het uit- A werken van een plan om den Zondag als k wekelijkschen rustdag te vervangen door b den Maandag. Deze rustdag zou dan aan d alle godsdienstige gezindten worden opge- I legd, zoodat daarvoor de Mohammedanen z hun Vrijdag, de Joden hun Zaterdag en b de Christenen hun Zondag moeten prijs- v geven. Al heftiger woedt het ongeloofs- r fanatisme voort. Nu onlangs moet van 1< regeeringswege een bevel zijn uitgevaar- f digd, waarbij de herstelling of de bouw van ü elke kerk, onverschillig van welke ge- z zindte, verboden wordt zonder bijzondere t vergunning. Op overtreding van dit ver- I bod wordt ook zware straf bedreigd. Zoo v gaat de strijd, waartoe vooral vrouwen en r kinderen moeten worden aangegord, tegen r de „burgers van het Hemelrijk", die weg- < gevaagd moeten worden uit de huizen der . arbeiders. Het geslacht, dat thans in de bolsjewistische scholen onderwezen wordt, moet er al vroeg van doordrongen worden dat het eeren van vader en moeder een schadelijk vooroordeel is en het huwelijk een verdorde instelling.

Te Moskou verschijnt sinds het begin van ^ dit jaar een orgaan van de heerschende s communistische partij, de Bolsjewisten, f onder den titel: De Atheist; het stelt zich 1 bepaaldelijk den strijd tegen den gods- < dienst ten doel. Het hoofdartikel in het < eerste nummer, dat zooveel als een program 1 bevat, draagt tot opschrift: „Op tot den strijd met de goden aller volken"; daarmee < in overeenstemming is de afbeelding op < den omslag, die onder het opschrift: „Met 1 de aardsche keizers zijn we klaar, thans maken we een begin met de hemelsche", een arbeider voorstelt, in een rood hemd., die met een hamer in de hand met een ladder de wolken bestijgt, om de godheden, die van daarachter benauwde blikken slaan — Christus, God de Vader, Jehovah, Allah, een negergod, enz. —- te verpletteren; onder op de aarde rooken aan de éene zijde hooge fabrieksschoorsteenen, terwijl aan de andere zijde kerken ineenstorten. De strij dmethode van het tijd. schrift bestaat daarin dat het eenerzij ds de rol speelt van vertegenwoordiger van . de wetenschap en beschaving tegenover de , op de onwetendheid der groote massa ge• gronde godsdienst en kerk, anderzijds l van beschermer der arbeidersklasse tegen-

- over de in dienst van het kapitalisme l staande Kerk. De strijdmiddelen zijn dien5 overeenkomstig een gepopulariseerde nal tuurwetenschap, vergelijkende godsdienstb geschiedenis, Bijbelcritiek, bespottingen, . beschimping van het geloof en de Kerk in , woord en beeld.

i Een zeer sterk sprekend staaltje van den i geest,die in dit tijdschrift aan het woord is, . vindt men in nr. 5 en 6; bijna de helft 3 is gevuld met een schildering van het i „kerstfeest van de communistische sowjet-

- jeugd". Uit alle streken zoowel van Aziai tisch als van Europeesch Rusland hebben e daaromtrent berichten de ronde gedaan. .. Het kerstfeest bestond uit een groot carnat val met optochten, die eindigden met de

- verbranding van rondgedragen poppen, die ti de goden symboliseerden en met vergadet ringen, waarin voordrachten werden ge-

houden van godslasterlijke strekking, g Hoe tyranniek de sowjetregeering te e werk gaat, blijkt ook uit wat onlangs uit t Riga bericht werd, dat een eerste groep Russische intellectueelen daar met hunne familie waren aangekomen, samen 25 per•- sonen. Een andere groep van bijna 50 L- personen ging over Petersburg naar Stettin. n Onder deze uitgewezenen behoorde een ,t aantal bekende Russische professoren, en f, voorts vroegere ministers. Op hunne passen is stond vermeld: uit Sowjet-Rusland uit;e gewezen. Een der bannelingen, een geLe wezen socialistische professor, verklaarde, dat de verbanning samenhing met het Lg streven der Bolsjewisten om de ontwikke3t ling van een nieuwe en invloedrijke burgers- partij tegen te gaan. Deze ontwikkeling t- is aan den gang, en de Sowjetregeering al doet vergeefsche pogingen haar tegen te sn gaan. Over twee of drie jaren zal de er Russische burgerpartij weer sterk genoeg sn zijn om de Sowjetregeering terzij te stellen.

Bovendien ziet de Russische geleerde een middel om van de Sowjetheerschappij af te komen in de toenemende religieuze aspiratie onder de plattelandsbevolking, evenals onder de arbeiders en intellectueelen. De religieuze beweging is als gevolg van het Bosljewisme toegenomen. Terwijl de Sowjetregeering de leidende personen van de nieuwe burgerlijke beweging uit Rusland verbant, stelt men er zich tevreden mee, hun aanhang naar andere deelen van Rusland te verwijzen.

Wat betreft den opbouw der Ev. (Prot.) Kerken, die tengevolge van de revolutie in een bouwval verkeerd waren, daarbij gaat het naar het „radensysteem". De totale vergadering van de gemeente-afgevaardigden vormt het hoogste kerkelijk lichaam. Aan het hoofd der gemeenten staan de kerkeraden, die deels territoriaal (Petersburgsche en Moskousche opperkerkeraad) deels nationaal (Finsche, Esthnische en Lettische opperkerkeraad) georganiseerd zijn. Dan heeft men den bisschopsraad, bestaande uit de geestelijke en wereldlijke vertegenwoordigers van de Opperkerkeraden. Van de gemeenten, die, drie jaar los van alle contact met de gezamenlijke Kerk, aan alle mogelijke anti-kerkelijke invloeden blootstonden, heeft geen enkele zich aan de nieuwe organisatie, die voor twee jaar tot stand kwam, onttrokken. Dit wijst ongetwijfeld op de overwinning van de begeerte naar vereeniging. Gods molens malen langzaam, tegen onze berekening in, maar ze malen zeker. 's-Gr. d. B.

VRAGENBUS.

„Is de kerk vrij?"

In „De Nederlander" van 3 Maart 1. 1. verscheen onder bovenstaanden titel een stuk van de hand van Ds. de Jong van Spijk, waarop volgde een uitvoerige beantwoording der Redactie. Dezer dagen werd ons het bewuste nummer toegezonden, met de vraag, welke daarover onze gedachten waren.

Ds. de Jong wees in het genoemde stuk er op, dat de Kerk in onzen tijd nog wel consideratiën mag geven (n.1. op de Classicale vergadering) over de door de Synode ontworpen reglementen, maar dat de Synode die consideratiën rustig naast zich • neer mag leggen. De Kerk moet zich alles laten welgevallen wat de Synode zelf doet of wat zij toelaat dat door anderen geschiede. Daaraan kan de Kerk niets doen. Ze is dus niet vrij; schrijft Ds. de Jong. Verder erkent Ds. de Jong, dat de overheid de kerk niet kan vrijmaken, daar zij niet zal heerschen over de kerk, (al is 't ook, dat zij als Gods dienares bij die vrijmaking van dienst moet willen zijn)... Maar Ds. de Jong wil, dat de Synode aan de kerk de vrijheid terug geve om zichzelf een organisatie te geven overeenkomstig haar wezen en naar het Woord Gods.

Daarop volgt dan het antwoord van de Redactie van „De Nederlander". Het desbetreffende gedeelte daarvan luidt letterlijk als volgt:

„Wat dat onderwerp: de vrijheid der kerk betreft— de schr. zegt, dat de synode vrij is, doch de kerk niet; dat de synod.e sinds 1816 zelfs de wetgevende macht heeft.

Dit laatste is toch niet juist. Want reeds in 1571 woidt aan de synode — die de gansche kerk of al de kerken vertegenwoordigt -— en aan haar alleen het recht toegekend om de kerkorde vasttestellen, die voor het geheel der kerk of het geheel der kerken gelden zal. Wie ter wereld zou er trouwens anders toe bevoegd zijn?

Van hier uit valt nu licht op de stelling, dat de kerk zichzelf thans niet de organi satie geven kan die zij begeert, omdat de synode dit belet.

Ook deze stelling is moeilijk houdbaar. De synode, dat is: de kerk.Want zij wordt door de kerk-zelf gekozen. En: de kerk zal zichzelf nimmer een organisatie kunnen geven dan via de synode.

Dit alles schijnt ons onweersprekelijk. Maar wij begrijpen volkomen, dat de schr. niet overtuigd is en niet tevreden.

Wij zijn ook zelf nog niet tevreden; doch moesten eerst min zuivere elementen wegwerken.

Wat mankeert er dan aan onze uiteenzetting? Tweeërlei.

Ten eerste gebruiken wij het woord ; „Synode" ter aanduiding van twee ver■ schillende lichamen. In 1571 en daarna, . tot 1816 toe, beduidde „Synode": ver' tegenwoordigend lichaam; sinds 1816 ber duidt het „bestuur". Dat is iets anders. ; En er zou reeds eenige helderheid verkregen 5 zijn, wanneer men van 1816 af en tot heden y toe het zuiverder spraakgebruik gevolgd . had en had gesproken van: classicaal be-