is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 36, 1923-1924, no 1847, 28-02-1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de omstandigheden van het oogenblik.

Slechts eenige opschriften kunnen wij hier noemen om te toonen in wat richting die preeken zich bewogen:

„Hoe God den hemel en de aarde beweegt" (Hebr. 12 : 27).

„Want mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden voor alle volken" (Jes. 56 : 7).

„Wat zal men dan antwoorden den boden de? volks ? Dat de Heere Zion gegrond heeft" (Jes. 14 : 32).

„Zij hebben Mozes en de profeten; dat zij die hooren" (Lukas 16 : 29).

„Hoort mij, Asa en gansch Juda en Benjamin, de Heere is met ulieden terwijl gij met Hem zijt en zoo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zoo gij Hem verlaat, Hij zal u verlaten" (2 Kron. 15 : 2).

Over deze en vele andere onderwerpen preekte Owen voor het Lagerhuis. En 't waren preeken, die zooals een tijdgenoot getuigde, niet als met sierlijke krullen en kronkels bewerkt, kwamen uit een goudsmidswinkel, maar die elk op zichzelf waren te vergelijken met een staaf van louter goud.

Het grootste gebrek was misschien, dat te veel stof werd samengeperst in de ruimte van een enkele preek.

Maar wat Owen zeide was toch altijd niet alleen diep, maar ook klaar, waarlijk geestelijk, maar even gezond ook en krachtig.

Het Engelsche Lagerhuis werd altoos en altoos weer door Owen geboeid, en betuigde hem meermalen zijn eerbied en zijn warme dankbaarheid.

Welnu, deze groote Independent heeft in onderscheidene geschriften, verhandelingen en preeken zijn gedachten neergelegd over ons tegenwoordige onderwerp: de verhouding van Kerk en Staat.

Op zichzelf zoa 't reeds de moeite zijn om daarvan kennis te nemen. Te meer dan met het oog op de zaak, die ons thans bezig houdt.

C. A. L.

INGEZONDEN MEDEDEELINGEN

Dr.A.H.deHartog

begint in dezen Jaargang van „NIEUWE BANEN" o.a. de bespreking van de Gereformeerde Belijdenis in haar blijvende beteekenis ook voor onze dagen.

Abonneert U thans, prijs per geheelen jaargang slechts f 3.75 franco p. p.

H. J. PARIS - UITGEVER - A'DAM

Kerk, dan hebben wij daartegen dit be- : zwaar, dat alléén wat de belijdenis omtrent t de Kerk leert hier tot maatstaf wordt genomen; dat men dus b.v. artikel 36 der belijdenis kan verwerpen en toch zich ' de Kerk der belijdenis kan blijven noemen.

Maar ook wanneer men bedoelt: die Kerk, die zich aan de Gereformeerde belijdenis wil onderwerpen, is voor ons de Kerk der belijdenis,.... ook dan hebben wij tegen die uitdrukking bezwaar.

Het is een groot verschil of men, zooals oudtijds placht te geschieden, spreekt van „de belijdenis der kerk" dan of men zooals nu in zwang komt, spreekt van „de kerk der belijdenis".

Wanneer men de belijdenis noemt ,,de belijdenis der Kerk," dan bedoelt men, dat de belijdenis niet iets los en op zichzelf staands is, een ding van gezag, waaraan de Kerk zich heeft te onderwerpen. Neen, de belijdenis is niet iets op zichzelf staands; zij heeft geen autoriteit in zichzelf; zij is de belijdenis van de Kerk.

De Kerk staat dan niet onder, maar boven hare belijdenis..

Zij geeft hare belijdenis uit, gelijk de fontein het water uitgeeft.

Zij herziet dus ook, als dat noodig mocht blijken, hare belijdenis.

Wanneer men echter spreekt, niet van de belijdenis der Kerk, maar van de Kerk der belijdenis, dan is het juist andersom. Dan is de belijdenis de gezaghebbende, en dan heeft de Kerk zich daaraan te onderwerpen.

Met andere woorden: dan ontleent de belijdenis niet meer haar gezag aan de Kerk, maar de Kerk is Kerk bij de gratie van de belijdenis.

En dus: hier ontvangt de belijdenis de plaats en de eere, die alleen toekomen en alleen mogen worden gegeven aan Gods eigen Woord. -

Om het duidelijk voor te stellen:

Voor wie spreekt van de belijdenis der Kerk is de orde zoo:

God.

Gods Heilig Woord.

De Kerk.

De belijdenis der Kerk.

De Kerk is dan onderworpen aan Gods Woord, maar staat boven hare belijdenis.

Wanneer men echter spreekt van de Kerk der belijdenis, dan is het aldus:

God.

Gods Heilig Woord.

De belijdenis.

De Kerk der belijdenis.

De Kerk is dan onderworpen aan de belijdenis en is alleen Kerk, zoolang zij zich daaraan onderwerpt.

En nu is dit de fout van de mannen van het Convent, dat zij niet er op aandringen, dat de Kerk weer worde belijdende Kerk, dat de Fontein der Kerk dus weer beginne de stralen der belijdenis omhoog te schieten, maar dat zij de belijdenis eerst als iets op zichzelf staand nemen, : als iets dat er is en dat evengoed gezag behoudt, al is het dat de Kerk niet meer 1 belijdt; m.a.w. dat zij den naam van ' belijdenis geven aan wat niet meer is de

* levende belijdenis der Kerk, maar wat

• eigenlijk werd een wet voor de Kerk, en : dat zij dan aan die Wet, die God nooit ge> geven heeft, de Kerk willen binden.

p Hier is de grond van het onderscheid " tusschen Reorganisatie en Convent. " De Reorganisatie gaat uit van de Kerk,

die, hoe ook vervallen, Kerk bleef. 1 Het Convent gaat uit van hetgeen hem 1 hoofdzaak dunkt in de belijdenis en wil k daarnaar eigenmachtig uitmaken welke gemeenten der kerk het nog voor Kerk erkent. „ t C. A. L.

„DE KERK DER BELIJDENIS" OF , „DE BELIJDENIS DER KERK".

i

Dit (n.1. het eerste van beide boven- , genoemde) is nu een splinternieuwe uitdrukking, die wij vroeger nog nooit hadden gehoord.

Wel hadden wij vaak gehoord van „de belijdenis der kerk".

Maar nu is 't omgekeerd, „de Kerk der belijdenis."

Dr. Severijn, de schrijver van de brochure Kerk en Staat en de ijveraar voor het Convent, heeft die zegswijze uitgedachten ingevoerd.

En ze is al ingeslagen.

Ds. van Schuppen, die aan de Waarheidsvriend handen vol werk geeft met zijn ingezonden stukken, waarin hij rondweg verklaart, dat de Hervormde Kerk „kapot" moet, zweert daarin ook reeds bij ,,de Kerk der belijdenis. "

Wat nu te zeggen van die nieuwgevonden uitdrukking ?

Op zichzelf is die benaming voor de Kerk niet zeer duidelijk.

Wanneer ge zegt: „het boek van vader", dan kan dat allerlei beduiden.

Het kan beduiden: het boek, dat aan vader toebehoort.

Maar óók: het boek, dat wij van vader hebben gekregen.

En evenzeer: het boek, waarin over vader wordt geschreven.

Dus is die uitdrukking, zonder meer, niet helder.

En zoo is 't ook met die benaming, „de Kerk der belijdenis."

Soms zouden wij denken, dat Dr. Severijn ermee bedoelt: de Kerk overeenkomstig of naar de belijdenis; m.a.w. de Kerk, zooals de belijdenis leert, dat zij moet wezen.

Maar op bladzijde 11 schrijft Dr. Severijn: I „Men versta hier niet een nationaalkerk", (dit Germanisme verstaan wij niet), maar die openbaring van de eene, heilige, algemeene Christelijke Kerk, die zich kenmerkt door de Gereformeerde belijdenis. ' En elders schrijft hij, dat de Kerk alleen plaatselijk verschijnt en dat dus daar alleen de Kerk is, waar men plaatselijk nog met de belijdenis hartelijk instemt.

Wij zullen bij die bedoeling nu niet langer stilstaan, maar wij vragen: wat te denken van die uitdrukking „de Kerk der

belijdenis" ?

Hoe ook bedoeld, hebben wij tegen die uitdrukking bezwaar.

Wanneer men ermee dit bedoelt: die Kerk, die beantwoordt aan de beschrijving, die de belijdenis van de Kerk geeft, die erkennen wij alleen voor de Gereformeerde

Aangehaald wordt een woord van Kingsley, die eenmaal zeide: 1

„God wil de maatschappij niet anders i hervormen dan op voorwaarde, dat elk mensch zijn eigen ik hervorme, terwijl de Duivel bereid is u behulpzaam te zijn bij het hervormen van de Wet, : van het Parlement en van hemel en aarde, zonder ook maar een enkel woord : te reppen van zulk een onbeschaamden, ons persoonlijk rakenden, eisch als deze: dat ieder mensch vooraf zich zelf hebbe te verbeteren."

Daartegen komt dan deModerne schrijver in de Hervorming in verzet. „Het persoonlijk leven van den enkeling, ieder in zijn eigen cel, kan immers (den godsdienstigen mensch) niet bevredigen. Hij moet zich ook ontwikkelen in en met de maatschappij."

In verband met een en ander geeft de Moderne auteur dan een houw aan de orthodoxie.

„De orthodoxie staat ten opzichte van de verhouding van individu en maatschappij op een geheel ander standpunt. Zij steunt op geopenbaarde heilsfeiten en kent niet het nooit eindigend streven, dat op verlossing hoopt. Wanneer dit aardsche leven voor haar slechts een doorgang tot het eeuwige is, heeft een verafliggend maatschappelijk ideaal voor haar weinig beteekenis."

Nu laten wij de onnauwkeurigheid van uitdrukking in het bovenstaande voor wat zij is.

B.v. dat de orthodoxie steunt op geopenbaarde feiten;

dat de orthodoxie niet kent het streven, dat hoopt op verlossing;

dat de orthodoxie slechts begeert dat het aardsche leven een doorgang zij tot het eeuwige (Alsof het aardsche leven dat niet voor ieder mensch is!)

Maar, dat alles daargelaten, de geheele voorstelling, die hier van de orthodoxie wordt gegeven, is onjuist.

Het beeld, dat hier wordt geteekend, is niet het beeld van de Orthodoxie, maar van „het Doopersche Christendom, en van het Methodisme.

Daar hebben alleen die dingen waarde, die tot persoonlijke zaligheid kunnen leiden.

Maar anders is het gesteld met het Gereformeerde Christendom.

Niet de mensch en zijn ziele zaligheid, maar God wordt hier het einddoel van alle dingen.

En dan verkrijgen alle aardsche dingen, al hebben ze ook niets met onze persoonlijke zaligheid uit te staan, waarde.

Want God wil in alles gekend en verheerlijkt worden; al was 't ook in schoenmaken of sloten graven.

Toch, dat heeft de Moderne auteur wel recht gevoeld, is er in deze een klove tusschen het Christendom en de levensopvatting der Modernen.

Wat de Modernen loochenen, is, in den grond, de zondeval van den mensch. Daarom blijven zij in den mensch gelooven en zij verwachten het heil, ook der maatschappij, van den mensch.

De Christenen daarentegen gelooven, dat de oorzaak van alle ellende, ook de sociale ellende, ligt in de verdorvenheid van den mensch. („Op den bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld.") Daarom gelooven zij, dat buiten den Heere en de onderwerping aan Zijn Woord en Geest, L alle poging tot verbetering der toestanden, zullen moeten falen, 't Zal er hoogstens , mee gaan, zooals 't ging in Rusland: \ die eerst boven waren, komen onder te liggen en die onder lagen, komen boven-, ' maar de mensch verandert daarmee geen haar, en de algemeene toestand wordt er \ ook niet beter door.

^ Maar daarom gelooven wij ook aan geen l volmaakte toestanden, alsof die hier be^ neden ooit zouden worden bereikt.

Zeker, de gerechtigheid, de vreeze- des Heer en, verhoogt een volk; het ware Christendom verbetert ook de maatschappelijke toestanden. y Maar volkomenheid zal eerst dan gevonden worden, als alle zonde van de aarde zal zijn weggedaan.

C. A. L.

MODERN MISVERSTAND.

In het Moderne blad „De Hervorming" lezen wij een discussie over de vraag of persoonlijke godsdienst genoeg is dan of er meer noodig is dan individueele vroomheid.

EEN DUIDELIJKE WINDWIJZER.

Een goede windwijzer leert ons uit welken hoek de wind waait.

Zulk een windwijzer ontvangen wij in het volgende:

In het Gereformeerde Noord-Hollandsche Kerkblad was er op gewezen hoe niet alleen het Modernisme Noord-Holland had ontkerstend, maar hoe thans die provincie ook nog bedreigd werd door een ander gevaar, n.1. van geheel te worden verroomscht. De Roomschen krijgen al meer bezit en invloed in de Provincie.

Tegen dat laatste komt nu echter een Gereformeerde inzender in genoemd blad in verzet. Niet dat inzender ontkent dat Rome zich in Noord-Holland uitbreidt. Maar daartegen wil hij niet gewaarschuwd en niets ondernomen hebben. De Roomschen zijn immers vrij, zoo meent hij. Alsof de Modernen niet evengoed vrij zijn en nochtans door ons worden bestreden !

Letterlijk schrijft de Gereformeerde auteur:

Tegen den invloed van het ongeloof in allerlei vorm, hebben we _ een groote en dure roeping, maar tegen den invloed van Rome als zoodanig staan we vrijwel machteloos. We kunnen dien invloed verwenschen, en schelden op onze Roomsche medeburgers, hun allerlei booze plannen en snoode overwegingen ten laste leggen, en we kunnen ons dan verzekerd houden van hartelijke instemming bij vele Protestantsche kringen, zoowel modernen als. ook orthodox Hervormden, door wie, bij gemis aan positieve beginselen, alleen in negatieve leuzen heil gezocht wordt. U zult zulks allerminst bedoelen en toch wijst uw opwekking aan het slot van uw artikel onwillekeurig in deze richting, inplaats dat wij onze nameloos-arme omgeving wijzen op den rijkdom des Evangelies van Christus en tot getuigen daarvan worden opgeroepen in overeenstemming met onze rijke Gereformeerde belijdenis."

Daar kan de Redactie van NoordHolland's kerkblad het mee doen. Tegenover het „nameloos arme" Modernisme mag zij op het Evangelie wijzen; niet tegenover Rome.

Dat is dus en maakt dus niet „nameloos arm".

Nu vragen wij den lezer: hebben wij hier nu niet een duidelijken windwijzer, die ons leert uit welken hoek in de Separatiekringen de wind waait ?

Maar wat antwoordde toch wel de Redactie van genoemd kerkblad, waarin niemand minder zit dan de knappe schrijver. Professor Grosheide van de Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag ?

Niets!

Geen enkel woord zelfs!

Hij heeft dus alleenlijk een lesje ontvangen.

Om voortaan wel te waarschuwen tegen het Moderne, maar niet tegen het Roomsche gevaar.

C. A. L.

MENSCHENSTUDIES.

Discussie!

Dat heeft voor .mij steeds groote aantrekkelijkheid. En ik ben de eenige niet. Regel toch is, dat vergaderingen met debat, er bij het groote publiek beter ingaan, dan wanneer het alleen maar een toespraak of lezing is zonder meer. Zie dat vooral bij ons in Amsterdam. Daar zijn door bekende personages over de meest interessante onderwerpen lezingen gehouden en het eenige gehoor dat ze hadden, bestond uit wat oude dames, die om de bezuiniging of voor de gezelligheid liefst eiken avond uitgaan, benevens een enkelen verdwaalden meneer, 't Was schromelijk om te zien! Om te schreien over zooveel onaandoenlijkheid bij zooveel wetenswaardigs en schoons. Maar laat een discussie (vragen-stellen, noemt men het gewoonlijk bescheiden) wezen, dan komen ze bij zwermen; of dat nu een Middaghoogteavond van Dr. de Hartog of een Apologetische Voordracht of een „Kapel"-avond is. De menschen willen tegenwoordig niet alleen „aan de lippen hangen" van dezen of genen spreker; ze zijn mondig geworden; ze willen meespreken; of tenminste, hunner één hooren meespreken.

Er is voor mij persoonlijk echter nog een bijzondere bekoorlijkheid in de discussie/ Dat is de menschenstudie. En achter de menschenstudie, de humor. Want de humor van het leven zag ik nooit zoo aardig den neus vooruitsteken als bij openbare discussie. Wat 'n leuke momenten! Wat 'n orgineele in- en uitvallen! Hoe bedremmeld deze; want 't is glad ijs, zoo'n podium tegenover het groote publiek! En hoe brutaal gene! En hoe raak nummer drie!

Dan blijkt het ook zoo klaar als de dag, dat niet ieder een geboren redenaar is. Dat de welsprekende menschen vaak zwijgen. De tobbers en de stotteraars probeeren echter voor Cicero te spelen. Die wat in zijn marsch heeft, houdt het bescheiden, misschien overbescheiden voor zich. En die er niets in h !eft, pakt uit en bespeurt niet dat 't wat rommel en lorren zijn die hij te voorschijn brengt.

Zóó o.a. op onze prjtestvergadering tegen de Roomsche aanmt tiging, den 16en Mei 1923 in Salvatori. Daar kwam een mijnheer op met de opi ïerking, dat het er nu met de Protestanten toch al heel