is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 36, 1923-1924, no 1875, 11-09-1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prefect der propaganda Noorwegen be- m zocht en zag, hoe overal" duizenden Pro- ee testanten, de autoriteiten aan het hoofd, ps het opperhoofd der propaganda tegen- te jubelden, wenschte hij ons op geroeiden toon geluk en verklaarde hij, dat hij m een vê Kath. land nauwelijks zulk een ontvangst Ik had verwacht. Deo gratias!

Dit bericht bepaalt ons bij een bedenke- gi lijk verschijnsel: Protestanten, die coquet- „c teeren met de aarts vijandige macht, die gf hun Kerk vervloekt en dat in een door d< en door Protestantsch land, waarvan de g< grondwet (§2) de bepaling bevat. „De uw Ev. Luthersche godsdienst blijft de open- vi bare godsdienst van den Staat. De inwoners, ui die dezen godsdienst belijden, zijn verplicht hunne kinderen daarin op te voeden. O Jezuieten mogen niet geduld worden." oj Oorspronkelijk luidde het laatste gedeelte k; dezer paragraaf in de grondwetsherziening n: van 1814 aldus: „Jezuieten en monniken- ir orden mogen niet geduld worden. Joden w zijn nog steeds van den toegang van het i B rijk buitengesloten." Bij een nieuwe be- t1 paling van 13 Juni 1851 werd het over de s< Joden vastgestelde verwijderd; in 1897 o verviel eveneens de bepaling omtrent de a monnikenorden, zoodat thans de Jezuie en c de eenige geestelijke orde zijn, die door v bedoelde paragraaf van de grondwet ge- g, troffen worden. Sinds de tegenwoordig S1 geldende strafwet van 1904 m Jerk"^ ll trad, heeft men tegen het optreden de v Jezuieten in Noorwegen geen straf be ^ palingen gehad, zoodat de autoriteiten 0 niet konden ingrijpen, wanneer de Jezmete g zich in het land ophielden Enkele jaien . geleden ontstond in verband daarmee een _ openbare discussie tengevolge van het ontreden van een Roomsch priester, be Wend tot de Jezuïetenorde, die het waagde in Noorwegen lezingen te houden ovei de Roomsche Kerk, zonder daarin ver- j hinderd te worden. Aan het departement c vari justitie werd toen de quaestie van het opheffen van de bepaling omtrent de Jeopnenex werd vervolgens voor- ^

gelegd aan de bisschoppen, de theologische c fmidteit en de leerarenraad der gemeente- i faculteit, en daarna nog in hetzelfde jaar bet' ndeldin een vergadering van bisschoppen. Vier bisschoppen en, op één hoogleeraar na, i de theologische faculteit adviseerden voor c het opheffen van de bepaling, terwijl twee 1 bisschoppen en de gemeentefaculteit er c zich tegen verklaarden. Het departement van eeredienst heeft daarna gemeend naar aanleiding van het in deze zaak in- ( genomen standpunt der bisschoppen, zich niet tegen de opheffing van de bedoelde ; benaling te moeten uitspreken. Het departement van justitie is daarop gekomen met een voorstel om verschillende wyfiZen in de grondwet aan te brengen, ■ allereerst de opheffing der bepaling over de Jezuieten. Het wilde deze opgeheven ,U in strijd met de tegenwoordig ïïcmeen heeïXide opvatting va„ de gèSnstvrijheid; het achtte chebepj ng

een'1 grondwettelijke bepaling kan echter bedoelde verandering in de grondwet met

Dedoeiae d nieuwe Stortmgs-

verkiezing. die waarschijnlijk in 1925 moet

verkiezm , n zal ohied Zljn.

P Als gevolg van het bezoek van kardinaal van Rossum is de Roomsche propaganda noo- al eens ter sprake gebracht. Deze be weging in Skandinavië is van bijzondere rSenis voor ons Nederlanders, omdat het hier bepaald Nederlandsche Roomsche geestelijken zijn, die den grootsten invloed gehad hebben en nog hebben. In opdracht fan den paus heeft eerst Mgr Diepen, de bisschop van 's-Hertogenbosch, als pauselijk visitator het Noorden bezocht^ Zijn

bericht luidde, dat de omstandigheden gunstig waren vooreen meer actief optreden. Eerst moesten echter andere personen aan het hoold komen. Te Stockholm, Christiania en Kopenhagen was de Roomsche Kerk vertegenwoordigd door drie zeer oude bisschoppen (een dezer drie was de reeds genoemde, inmiddels overleden bisshop Dr. Fallize), die om hun leeftijd minder geschikt werden geacht voor een nieuwe actie. Fallize en een de:r andere twee werden daarom benoemd tot titulair «Aartsbisschoppen- ^ Chr.st= kwam daarop Dr. Johanne^ Smit, =heen p •

Rijsenburg, die werd aangesteld tot apos-

tolisch vicaris van Noorwegen e I

gen. Het aantal Eoomschen in oor^g

^rielin^rrom°moest de kenze voor een nieuwen Roomschen weer vallen op een buitenlander. Het getal Roomsche gemeenten bedraagt 15, waarvan Christiania drie kerken hee Er zijn in 't geheel 25 priesters en 200 geestelijke zusters, behoorende tot Fransche en Duitsche orden; deze hebben 14 hospitalen opgericht, een veelgebruikt propaganda¬

middel. Men stelt zich voor het 900-jarig eeuwfeest van St. Olaf, den Roomschen patroon van Noorwegen, over enkele jaren te vieren.

Toen kardinaal van Rossum in den zomer van 1923 ook Noorwegen bezocht, zat de bedoeling daarbij voor, om in het Noorden, dat „dubbel koud" was (n.1. door zijn geografische ligging en door den adem van een „enghartige ketterij") weer terug te brengen „den adem des Heiligen Geestes met de „milde warmte van Rome." Een nuchter geloovig Protestant weet echter, dat de .warmte van Rome, die herinnert aan het vuur van brandstapels, juist den Geest

uitbluscht. ,

Volgens den Lutherschen bisschop van Christiania Dr. Lunde, die aan de zijde deiorthodoxen staat, zijn de rêsultaten van kardinaal van Rossums propagandatocht niet groot. In de 14 jaren van zijn bediening in de Luthersche gemeente te Stavanger, waar al sinds verscheiden jaren een kleine Roomsche gemeente bestaat, had hij slech.s twee leden uit de Staatskerk moeten afschrijven, die tot de Roomsche Kerk waren overgegaan. Naar zijn meening zou van al de dissentergemeenten in - Noorwegen de Roomsche Kerk het minst belangstelling wekken. Hij gelooft niet aan den vooruitgang van de pauselijke Kerk in een zoo sterk Protestantsch land als Noorwegen is Het is te hopen dat hij zich hierin niet vergist. In elk geval zijn bezinning en waakzaamheid noodig. Want na den wereldoorlog is Rome's zelfbewustheid nog ge-

tïf- »•

VRAGEN BUS.

Ons oordeel over den tegenwoordigen z Roomschen godsdienst. Een vraag omtrent de geschiedenis van 1816. ,,

Voor eenige weken schreven wij over d bovenstaand onderwerp naar aanleiding van een schrijven van den heer P. te U., e die de uitdrukking „vervloekte afgoderij", n in onzen Heidelb. Catechismus van de Roomsche Mis gebezigd, wat kras vond. I

Naar aanleiding daarvan richtte een M. tot ons een schrijven met de vraag of wij c ook tegenover Rome niet moeten bedenken s wat Paulus schrijft: ,,de liefde hoopt alle c dingen?" t

Antwoord. Als Paulus in 1 Corinthe XIII het lied der liefde, die door Gods i Geest gewerkt wordt, zingt, dan bedoelt < hij daarmede niet een liefde, die het kwade goed noemt of het verbloemt. Dit zou < voorwaar een fraaie liefde worden! Een liefde uit den Geest Gods zou 't niet zijn, want die Geest is de Heilige Geest. Neen, . dan bedoelt hij een liefde, die het kwaad, kwaad durft noemen, maar voor den i kwaad doener nog zoo lang mogelijk het goede blijft hopen. i

Nu, die liefde wenschen wij ook te be- i trachten tegenover onze Roomsche mede, gedoopten in den Naam van Christus. ° Wij dragen hun geen kwaad hart toe.

Als wij zien op de godsdienstlooze stroo- ■ ming van onzen tijd, waardeeren wij hun godsdienstig besef.

En hun ijver voor wat zij hun godsdienst noemen mag ons, Protestanten, vaak beschamen.

Weg met dat Protestantsch geroep, als de Roomschen alles voor hun godsdienst over hebben, tijd, geld en inspanning: „ach, zij doen 't alleen maar om den hemel te verdienen!"

Gij, die weet een hemel uit eindelooze barmhartigheid en niet naar uw verdiensten te ontvangen, hoedanigen ijver behoorde dat in u te ontsteken! En, indien niet, wat roemt gij dan tegenover Rome in een genade, die niets bij u uitwerkt?

Wij willen dus aan de personen der Roomschen het volle hun toekomende pond geven en wij zullen ons wel wachten, om over hen het doemvonnis te vellen.

„Die zichzelf veroordeelt zal niet veroordeeld worden".

Maar nu komen wij tot den Roomschen

godsdienst.

En hier mogen wij nu niet zwart wit noemen, of wit zwart noemen; hier moeten wij eenvoudig oordeelen naar waarheid.

Welnu, om een staaltje fan dien Room; schen godsdienst te ontvangen zullen wij ons nu niet laten leeren door een Protestant, die, zonder het zelf te willen, zulke zaken meestal door een bril beziet en partijdig beoordeelt; neen, wij gaan nu bij de Roomschen zelf ter leering.

Voor ons ligt een Roomsch blad „De l Katholieke illustratie

Daarin vinden wij het volgende versje , in Limburgsch dialect:

Naar het Meilof.

ï Zoo helder klinkt 't klukske over velden

(en wei,

Veur 't lof van Maria, den uurste van Mei.

Oud Moederke zal ook naor 't Meilof toe

(gaon,

De het ze, zoolang es ze wit, al gedoan.

Wel is ze al oud en 't valt haar wel zwaor, Maar toch wil ze geren weer gaon nog van

('t jaar.

Ze hijgt en ze vraogt aon Maria um kracht. „Want, Moeder, de heb ik toch altied

(volbracht....

In 't end is z' in 't kerkske — ze kan haost

nie meer —

En knielt veur den troon van de Moeder

(Gods neer.

D^ior hoog tront Maria met lieflijk gezicht Temidden van palmen en blommen en licht.

De vlemkes der kersen, ze straolen zoo

(zacht,

't Is net, of Maria haor toeknikt en lacht.

„O, Moeder," zoo bidt ze zoo vroom en

(devoot,

„Och help me in 't leven en 't uur van mien

dood..

Ineens, zie, daor kumt er een waos veur

('t gezicht.

En moederkes oogen gaon heel zuutjes

(dicht....

Zóó vond haor de kuster, toen 't lof was

(gedaon,

Stil was ze naor 't himmelsche Meilof

(gegaon.

Nu denke de lezer niet dat we ongevoelig li zijn voor het dichterlijke in dit versje. t Evenmin, dat wij ongevoelig zijn voor 2 „het religieuze" in het doen en denken van o dat oude moedertje. t

Zelfs de blinde Heidenen hebben religie, \ en hun godsdienstigheid mag soms ons, nuchtere Protestanten, beschamen. i

Want Protestant zijn is nog niet altoos r Protestantsch godsdienstig zijn! c

Maar als dat alles is erkend, dan komt de vraag: is 't niet maar alleen godsdien- c stigheid-, neen, is het ook Christelijke gods- i dienstigheid, die ons hier als model geteekend wordt ? ]

En dan kunnen en mogen wij daarop 5 niet anders antwoorden dan met een be- < slist „neen"!

Wat is liet verschil tusschen Heidendom en Christendom ? 1

Hebben de Heidenen geen godsdienst ? j Wel wis en zeker hebben zij godsdienst; Atheisten zijn 't niet!

Maar nog eens: wat is dan het eigenaardige, het verkeerde van het Heidendom.

In één woord kunnen wij 't zeggen: dat zij de eere, die alleen den E enig en Maker toekomt, geven aan het maaksel.

Of om het met andere woorden te zeggen: de Catechismus vraagt: Wat is afgoderij ? En hij antwoordt: afgoderij is: nevens den eenen waarachtigen God' iets anders te hébben of te verzinnen, waarop de mensch zijn vertrouwen stelt".

Nu, aan dien maatstaf gemeten is in den godsdienst van het aangehaalde versje geen sprankje Christelijks, maar is het enkel Heidendom.

Wat van God en van Zijn Zoon Jezus Christus is hier geen sprake. Maar alle eere en aanbidding wordt hier gegeven aan, en alle heil en hulp „in 't leven en 't uur van mien dood" wordt hier verwacht van, het schepsel alleen. Namelijk van Maria.

En wanneer nu misschien een naam — Protestant geneigd is om uit te roepen: ach, wat doet dat er toe ? dat vrome besef van dat moedertje is toch maar het voornaamste, dan is daarop ons antwoord: dat is de geest van onzen tijd, die den mensch leert zijn eigen gedachten tot maatstaf te maken van alle dingen, ook van den gods1 dienst.

Maar de Heiland heeft ons dat niet geleerd.

Want als Hij ons leert te bidden, dan is 't altoos en altoos alleen tot den Vader: „Onze Vader, die in de hemelen zijt...." ,,Al wat gij den Vader bidden zult in Mijnen Naam, dat zal Hij U geven". ,,De eere komt ■ en is nu, dat de ware aanbidders den Vader ' zullen aanbidden in geest en in waarheid.. .."

_ E11 wanneer Hij spreekt van de Heide! nen en van hun godsdienstigheid, dan zegt Hij niet: ach, dat is óók goed; ft is alles 3 om het even. Neen, dan vermaant Hij ons:

„wordt hun dan niet gelijk".

3 En de levende God Zelf roept ons toe in Zijn Woord: Wendt u tot Mij, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer".

En daarom: „Die Mij eeren zal Ik eeren, 11 maar die Mij versmaden zullen licht ge1, acht worden".

De heer v. B. te S. heeft met belangstelling gelezen wat wij mededeelden uit het antwoord van den koninklijken Commissaris Generaal op de protesten van de Classis Amsterdam in 1816. Inzender vraagt of de Classis het principieel onderscheid tusschen een Presbyteriaansche Kerkregeering, zooals onze Kerk vóór 1816 had en eene regeering zooals door het Koninklijke reglement was ontworpen den Commissaris des Konings niet onder het oog heeft gebracht en, zoo ja, wat daarop dan het antwoord vanwege den Koning is geweest.

Antwoord. Het groote onderscheid tusschen eene Synode in den Gereformeerden zin van het woord en eene Synode, zooals de Koning die heeft ingesteld, is dit, dat m een echte Synode, de leden komen als afgevaardigden van de verschillende deelen der Kerk en zijn voorzien van lastbrieven. In hen vergadert dus eigenlijk de Kerk.

Een Synode, zooals Koning Willem I ontwierp, bestaat uit daartoe benoemden door de Provinciale Kerkbesturen, die van hun benoemers geen enkelen last ontvingen.

In hen vergadert dus de Kerk niet, maar zij regeeren over hen, die van Christuswege het ambt der regeering uitsluitend hebben ontvangen.

Dat onderscheid heeft de Classis Amsterdam in 1816 ook wel gevoeld, want zij klaagde over de groote macht, die aan de Nieuwe Synode was verleend en vreesde, dat dit gevaren zou opleveren voor de rechtzinnige leer.

De Commissaris des Konings antwoordde daarop:

le. dat Kerkvergaderingen met vele leden ook de meeste verwarring en scheuring opleveren. Dus: de kleine Synode zou diensttig zijn om scheuring te voorkomen. 2e. Het oude stelsel van lastbrieven veroorzaakte altoosdurende deliberatiën en belette alle afdoening van zaken; daarom had men dat stelsel verlaten.

Op het beginsel ging de Commissaris niet in; waarschijnlijk had hij er zelf geen benul van. Hij bezag de zaak alleen uit het oogpunt der practijk.

Maar de uitkomst heeft ook op het punt der practijk niet de klagende Classis, maar hem in het ongelijk gesteld.

Want juist , het nieuwe stelsel heeft: le. tot geweldige scheuring geleid, ja, zal, als God het niet verhoedt, leiden tot ondergang der Kerk;

2e. alle snelle afdoening van zaken belet.

Denk hierbij, hoevele voeten het in de aarde heeft om een gewenschte verandering in onze Bestuursinrichting tot stand te brengen. C. A. L.

INGEZONDEN.

Nederlandsche kinderen in het Roergebied

Het Comité ter Uitzending van Nederlandsche kinderen Dortmund—'s-Gravenhage is zoo vrij, door middel van dezen oproep een beroep te doen op uw' liefdadigheidsgevoel.

Over de gansche wereld is de Hollandsche gastvrijheid bekend en reeds hebben zeer velen van deze gastvrijheid gebruik gemaakt; b.v. gedurende den wereldoorlog, de vele vluchtelingen, enz., daarna de Duitsche, Hongaarsche en Oostenrijksche kindertjes. Altijd zijn zij in het gastvrije Nederland liefderijk ontvangen. Maar nu gaat het er niet om, buitenlanders gastvrijheid te verleenen; neen, het geldt nu de kinderen onzer arme landgenooten, die reeds zeer vele jaren in het Roergebied wonen en daar nog steeds onder de naweeën van den grooten wereldoorlog hebben te lijden.

De kinderen (het toekomstige geslacht) zijn er slecht, zeer slecht aan toe. Zeer vele Hollanders zijn werkeloos of verdienen zeer weinig, zoodat zij voor zich en hun gezin niet de noodige levensbehoeften kunnen koopen; laat staan kleeding en brandstof voor den aanstaanden winter. Momenteel is het zomer en goed weder en bijna niemand denkt aan de ellende, die straks weder door deze arme menschen zal worden geleden. Ja, ook nu, al is het zomer, zijn de levensomstandigheden dezer menschen zeer slecht.

Nu zal wellicht bij u de vraag rijzen, wat is hier feitelijk de bedoeling. Dit is heel spoedig gezegd. Het Comité verzoekt u beleefd, aan een dezer landgenoot]es voor plm. 3 maanden gratis gastvrijheid te willen verleenen. Het Comité weet zeer goed, dat het voor velen niet doenlijk zal zijn reeds nu een kind op tfe nemen, omdat men nog met vacantie zal gaan, enz. Maar dit is geen bezwaar. Indien u zich reeds nu bereid verklaardet om tegen begin September a.s. een jongen of meisje (aanvragen voor jongens zijn zeer hard noodig) te willen huisvesten, zouden weder zeer vele kindertjes naar Holland kunnen komen.

Reeds meer dan 300 dezer kleintjes zijn