is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 39, 1926-1927, no 2019, 16-06-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bezoekers konden zeer tevreden huiswaarts keeren. Hun getal was ook bevredigend.

En de thuisblijvers? We hopen, dat zij, die niet konden komen, vergoeding vinden in het als altijd ook nu weer te wachten keurige en nauwkeurige verslag.

Toch geeft een verslag de werkelijkheid altijd gebrekkig weer. We hopen, dat de thuisblijvers uit traagheid dit gebrek zóó zullen voelen, dat ze een volgend maal komen.

J. Ch. K.

VRAGENBUS.

Het profetisch ambt van Christus, voorafgaande aan het koninklijke?

De heer G. P. te E. zond ons een paar nummers van het Christelijk-Gereformeerde weekblad De Wekker. In dat blad komt n.1. een verslag en een critiek vooüivan het referaat van Ds. Roscam Abbing te Arnhem, onlangs gehouden op de Reorganisatievergadering te Utrecht over ,,De breuk tusschen Christus en Zijne gemeente."

De schrijver in De Wekker, Ds. J., kan met veel in genoemd referaat instemmen, maar heeft toch ook zijn bezwaren. Als Ds. Roscam Abbing zegt, dat Kohlbrugge weer heeft gewezen op het Hoogepriesterlijk ambt van Christus (de Heere onze gerechtigheid), welk Hoogepriesterlijk ambt en werk onze Kerk reeds in de 18e eeuw uit het oog had verloren; tengevolge waarvan zij kwam tot een leven bij de Wet en dientengevolge tot verdorring, en dat verder Hoédemaker gewezen heeft op het koninklijke ambt van Christus, dan vraagt de schrijver in De Wekker: waar blijft het Profetisch ambt van Christus, die ons den verborgen Raad en Wil van God aangaande onze verlossing volkomenlij k geopenbaard heeft? En dan zegt de schrijver in De Wekker:

,,Maar mijn bezwaar is, dat de spreker het weinig gehad heeft over het profetisch ambt van Christus. Komt dat misschien omdat hij als Hervormd predikant gevoelde, dat hij daarmede niet veel beginnen kon? Ik weet het niet, maar het scheen mij zoo toe. Want stellig komt het koningschap van Christus in die kerk niet tot zijn recht, maar waarom? omdat zijn profetisch ambt niet erkend wordt. Daar ligt de oorsprong van de grenzelooze verwarring, die op het gebied van de leer in de Hervormde kerk heerscht. Het profetisch ambt van Christus en als gevolg daarvan het werk van den H. Geest wordt in de Herv. kerk verloochend. Want Christus onderwijst zijn gemeente door Zijn Woord en Geest, en de gemeente heeft zich aan dat onderwijs te houden en daarnaar te gedragen. En dat onderwijs sluit in, dat zij, n.1. de kerk, uit haar midden zal wegdoen, allen die van die leer niet zijn. Deleervrijheid is de bron van de ellenden, waarin de Herv. kerk verkeert en daarover heeft de spreker, die over zoo'n ernstig en teeder onderwerp sprak, niets gezegd. Hij sprak wel over het getuigenis van Kohlbrugge en Hoedemaker, maar deze beiden waren op hun beurt toch niet anders als „getuigen van den Heiligen Geest." Eerst wanneer men in de Herv. kerk het profetisch ambt van Christus herstelt en van de leer vrijheid komt tot de leertucht, komt er plaats voor de beide andere ambten van Christus."

Over het bovenstaande vraagt inzender ons gevoelen.

Antwoord. Wij beginnen met de opmerking, dat, als Hoedemaker weer is opgekomen voor het koninklijk ambt van Christus, hij daarmee niet bedoeld heeft, uitsluitend of voornamelijk, dat Christus moest regeeren over Zijne Kerk.

Zekerlijk, bij de vraag naar Reorganisatie der Kerk ging het hierom, dat Christus j zelf door de door hemzelf aangewezen organen (de vergaderingen der ambtsdragers, zich houdende aan Zijn Woord en Geest, en niet bloot-administreerende Besturen) Zijne Kerk moet regeeren.

Evenwel, met op te komen voor het Koningschap van Christus bedoelde Hoedemaker toch nog iets anders en iets meer. Hiermede bedoelde hij dit, dat de Afscheidingsbeweging van onze eeuw Christus verlaagde van het levende Hoofd tot een Militair kcming over Zijn Kerk, en dat zij daarmede tegelijk ongemerkt deed verdwijnen het eigenlijke Koningschap van Hem, Die niet maar is Koning van een kerk of kerkje, maar Die, naar Zijn eigen Woord, gesteld is over alle dingen en heet: de Overste van de Koningen der aarde.

M.a.w. De Afscheiding, die de natie prijsgaf, sloot Christus in de Afgescheiden Kerk op en beroofde hem (daarin buigende voor de heerschende revolutie-ideeën) van Zijn Koningskroon, ook op het gebied van den Staat.

(De Paus van Rome, in zijn encycliek van het vorige jaar over „Het koningschap van Christus", erkende het in theorie beter; alleen maar: wat hij noemde het koningschap van Christus over alle volken en overheden, kwam feitelijk en in de practijk neder op de onderwerping der volken en overheden aan de Roomsche Kerk en dus op het koningschap van den Paus.)

Dus nog eens: als Hoedemaker aandrong op erkenning van Christus Koningschap, dan ging daarmede zijn protest uit, niet alleen tegen den tegenwoordigen toestand der Hervormde Kerk, maar evengoed tegen wat men noemt „de Christelijke actie" van onzen tijd.

Die Christelijke actie was, voor Hoedemaker's besef, e^n op den troon zetten van de Christenen of die zich dien naam met uitsluiting van anderen aanmatigen, en daarmede een Christus-zelf berooven van Zijn troon.

Maar nu zegt verder Ds. J.: zal Christus Koning zijn over de Kerk, dan moet eerst Zijn profetisch ambt weer tot erkenning komen. En met de erkenning van dat profetisch ambt bedoelt Ds. J., zooals hij zelf zegt: dat de Kerk „uit haar midden zal wegdoen allen die van de leer niet zijn." Wat zullen wij daarop antwoorden? Ds. J. schrijft veel van Dr. Hoedemaker te hebben geleerd, maar wat Hoedemaker zag en wilde heeft hij toch blijkbaar nóg niet begrepen.

Ds. J. wil: de Hervormde Kerk moet beginnen de leer te handhaven en allen, die ervan afwijken uit te sluiten.

Dat nu hebben alle Afgescheidenen en Doleerenden, Dr. Kuyper incluis, altijd precies zoo gezegd.

En daartegen had Hoedemaker deze bezwaren:

le. Een Kerk, die bloot hare leer handhaaft, handelt daarin Roomsch, want zij stelt haar eigen leer in de plaats van Gods Woord, dat in de Kerk het hoogste gezag moet blijven behouden.

De Kerk moet dus niet bloot hare leer handhaven, maar het gezag van Gods Woord erkennen en daarom bereid zijn alle gevoelens, óók haar eigen leer, te toetsen aan het woord des Heeren.

2e. De Hervormde Kerk in haar tegenwoordige gestalte is niet in staat om bovengenoemd werk te verrichten, want zij heeft wel ongeestelijke vaste Besturen, maar zij mist de wettige meerdere vergaderingen, die als de gezamenlijke ambtsdragers of hun wettige mandatarissen kunnen handelen. Alle leertucht in de Hervormde Kerk, onder de tegenwoordige omstandigheden geoefend, zou dus geen Schriftuurlijke Kerkelijke tucht zijn, maar een caricatuur daarvan: een afsnijden van al wat krank is door degenen, die zichzelf eerst voor gezond hadden verklaard.

3e. Al dat geroep van: „laat de Hervormde Kerk toch beginnen met weer leertucht te oefenen!"

miskent dus het Hervormde beginsel, dat Gods Woord in de Kerk het hoogste gezag moet hebben en stelt daarvoor in de plaa\s het in den grond Roomsche beginsel van het gezag der Hervormde of Gereformeerde leer;

miskent Christus als het levende Hoofd der Kerk, dat het regiment niet heeft afgestaan, maar dat zelf in de wettige vergaderingen der Kerk zijn gemeente wil regeeren en onderwijzen;

miskent de instellingen van Christus, n.1. de ambten in de Kerk; om het hun toekomende werk door anderen te laten

verrichten;

miskent daarmee het geheele karakter der Kerk, als zijnde het lichaam van Christus, door het levende Hoofd geregeerd, en maakt haar, in de plaats daarvan, tot een menschelijke vereeniging, waarvan de Bestuursleden allen, die hun niet aanstaan, zonder vorm van proces naar de d,eur verwijzen.

Daarop kwam volgens Hoedemaker het geheele drijven der Gescheidenen en van Dr. Kuyper neer, wier gevoelen nu nog eens weer door Ds. J. in De Wekker wordt verdedigd. En daartegenover stelde Hoedemaker nu zijn leus:

„Eerst reorganisatie, dan reformatie. Dat wil zeggen: als gij de Kerk wilt reformeeren, terwijl ze in het ongereede ligt, dan is dat alsof gij een wagen wildet voortsleepen, waarvan de wielen gebroken zijn. Dan trekt gij den geheelen boel eenvoudig stuk en wat ge bereikt is niet dan

de Afscheiding.

Daarentegen: wilt ge, dat de wagen der Kerk weer zal loopen, bevrijd hem dan eerst van wat nu zijn gang belemmert. Wees er niet tevreden mede hem op onnatuurlijke wijze voort te sleepen; dat zou toch het ware rijden niet zijn! Neen, blijf vasthouden aan het wezenlijke karakter en de wezenlijke bestemming der Kerk en roep haar op, dat zij zichzelf als zoodanig i

weer erkenne en naar buiten openbare.

En verwacht dan van Hem, Die het beloofd heeft, dat Hij door Zijn Woord en Geest Zijn gemeente in alle waarheid zou leiden, dat Hij de Getrouwe zal zijn, Die het ook doen zal.

Niet om onzentwille of om onze gerechtigheden.

Maar in weerwil van onze ongerechtigheid en ontrouw.

Om zijner belofte, om Zijns Naams wil.

Nu wij toch over Ds. J.'s critiek schrijven deelen wij er nog dit uit mede:

Sprekende over Dr. Kohlbrugge en Dr. Hoedemaker schrijft Ds. J.:

„Ik ben van beiden een zeer groot vriend en heb zeer veel van beiden geleerd en leer nog van hen. Vooral van Hoedemaker, dien ik in de komende jaren zie herleven, terwijl ik de beteekenis van Kuyper zie verminderen. Kuyper heeft zijn tijd gehad, Hoedemaker zal zijn tijd nog krijgen in ons kerkelijk en Staatkundig leven."

Wat dit woord ons leert is, dat het zaaien van de rechte beginselen nooit vruchteloos blijft, ook al ziet de zaaier zelf het niet. Toen Dr. Hoedemaker zijn geschriften in het licht gaf, zeide Dr. Kuyper met zijn daden: ik zwijg hem dood en ik ga toch mijn gang. Hoedemaker klaagde wel eens tegenover ons, zijn ^leerlingen: ik heb onnuttelijk gearbeid! Maar „al is de leugen nog zoo snel, de waarheid achterhaalt haar wel. Dat blijkt nu. In de practijk wordt het ware karakter van het stelsel van Dr. Kuyper hoe langer hoe meer openbaar. En zoo wordt Hoedemaker vanzelf gerechtvaardigd. C. A. L.

INGEZONDEN.

Zuiderzeewerken.

Geachte Redactie

Mag ik zoo vrij zijn de nooden van de Ned. Herv. evangelisatie te Wieringen ook in uw blad eens bloot te leggen ?

Het eiland Wieringen wordt meer en meer in den lande bekend. Geen wonder! Het was het verbanningsoord van den Duitschen kroonprins en het is het middelpunt van de Zuiderzeewerken, die reeds in vollen gang zijn en waarbij reeds 800 polderwerkers arbeid hebben. welk aantal eerstdaags nog met 500 wordt uitgebreid.

Op geestelijk terrein is het echter treurig gesteld. Om de eeuwige dingen is weinig bekommernis en wereldvreugd, welke ras voorbijgaat, wordt met volle teugen genoten. De oude vader landsche kerk ligt in 't moeras diep verzonken. Het- evangelie des kruises is bij de meesten onbekend.

Onze evangelisatie is de eenige plek, waar het volle, rijke evangelie wordt gebracht, volgens de Heilige Schrift en de belijdenisschriften onzer Vaderlandsche Kerk. Die kring is zeer klein, maar ze heeft grooten moed. En de arbeid is niet ongezegend. Maar de nooden zijn vele en indien er van buiten af geen steun komt, kunnen wij niet rond komen. En met groote dankbaarheid mogen wij van veel steun gewagen. Maar het is nog niet voldoende. Nu we met het oog op de Zuiderzeewerken noodzakelijk moeten uitbreiden, zijn de lasten meerdere en drukken de zorgen zwaarder.

U begrijpt, waar we heen willen. Ook bij uw lezers kloppen wij aan. Och help ons indien eenigszins mogelij k!

Misschien kunnen ook predikanten uit een of andere kas of bus iets voor ons werk afzonderen, of, wat reeds in meerdere gemeenten gedaan is, misschien willen kerkeraden een collecte voor ons houden. Wil hier s.v.p. eens over denken. Daarom luiden wij in „de Geref. Kerk" de noodklok. Ook hier wordt bedoeld blad gretig gelezen in onzen kring en wij arbeiden in denzelfden geest.

Wij zijn aangesloten bij den „Bond van Evangelisatiën in en ten bate der Ned. Herv. Kerk" en het adres van onzen penningmeester is: T. Timmerman, Koningsweg 11, Wierineren. Girono. 85507. 6

Wij hopen dat U van dit schrijven goede nota wilt nemen en wij ook vanuit vele gemeenten verblijd mogen worden. *

Namens de Vereeniging tot Evangelisatie op Wieringen.

Hoogachtend,

uw dw.

J. B. v. S., Evangelist.

Dit artikel blijkbaar geweld uit een hart, waarin de liefde van Christus dringt, spreekt voor zichzelf.

We behoeven hier niets meer aan toe te voegen dan alleen den uitdrukkelijken wenscli, dat de noodklok hier niet te vergeefs worde geluid.

De Zuiderzeewerken trekken aller belangstelling. Laten toch ook de Zuiderzeewerkers de belangstelling van alle Christenen trekken! En dan hun christelijke, dat is hun offervaardige belangstelling! Hier is een zeer gewichtig centrum van arbeid. Ook hopen we immers, dat de nieuwe Zuiderzeeprovincie straks niet alleen in bezit zal genomen worden voor het koninkrijk der Nederlanden,maar ook voor het Koninkrijk Gods.

Waar kan nu hiermee 't best een aanvang gemaakt dan onder de Zuiderzeewerkers ? Op Wieringen staan we als 't ware voor de deur der nieuwe provincie. Als daar dan een evangelisatie staat namens onze Nederlandsche Hervormde kerk op 't punt om in 't midden der Zuiderzeewerkers deze nieuwe Nederlandsche provincie met het evangelie binnen te gaan, behooren wij daar dan niet met krachtigen steun achter te staan ?

Op, om de kruisbanier te planten in 't pas aan de zee ontwoekerde land! Op, om heel deze nieuwe provincie op te eischen voor Jezus Christus, ook door middel van dezen arbeid, die van een mosterdzaad groeie tot een grooten boom!

J. CH. K.

SCHAPENFONDS.

Nog is de benoodigde som niet bij elkander. Nog 'n paar flinke stooten, en ik ben er.

Maar .... de schreiende nood in den Geldersehen Achterhoek! hoor ik mij als 't ware toeroepen!

Ja, dan durf ik nu niet meer vragen, 'k Zal stil afwachten hoe God de harten neigt. Gaat het niet dikwijls zoo: Wie werkt kan meer werken. Wie geeft leert meer geven.

Nog kwam in voor het Sehapenfonds van

„Vriendenkring" te Pernis f 7.—

Ds. J. J. de V. te Schipluiden, uit Catechisatiebus - 2.50

K. de B. te Tzum - 2.—

Dr. K. te 0 ■ 5.—

Nog kwam in

van H. B. te Oostwold f 1.10

van A. R. te Oppenhuizen - 2.—

van eenige vrienden uit Berkel en Driebergen, op de Jaarverg. der Conf. Ver.

te Utrecht op 8 Juni j.1. te samen - 7.—

Als ik nu nog twintig gulden ontvang ben ik er.

't Zou toch jammer zijn, als ik daarvoor onzen penningmeester moest lastig vallen.

Maar ik durf niet langer wachten met het betalen van het voorgeschoten bedrag.

Wie zendt mij deze week nog 't ontbrekende?

Bij voorbaat mijn hartelijken dank.

Hoogachtend

J. A. SCHALEKAMP, oud- Evangelist.

Overschie,

Oranjeplein 7 (na 1 Juli Schoolstr. 20)

Giro No. 79479.

P.S. Voor eventueele spreekbeurten heb ik nog vrij de volgende datums: 26 Juni en 3 en 17 Juli, en verder de maanden Sept. Oct. enz.

Ik stel mij gaarne beschikbaar voor alle provincies.

J. A. SCHALEKAMP.

CONFESSIONEELE VEREENIGING.

Onze jaarvergadering.

Woensdag 8 Juni kwam de Confessioneele Vereeniging in Jaarvergadering bijeen in 't Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht. Te half elf opende de Voorzitter, Ds. A. B. te Winkel 't samenzijn. Hij verzocht te zingen Ps. 43 : 3 en las daarna een gedeelte voor, 2 Kon. 2, waarop hij in gebed voorging.

Zijn openingswoord verbond hij aan 't voorgelezen schriftgedeelte. Eerst sprak hij een woord van welkom tot de aanwezigen en verblijdde er zich over zoo vele bekende gezichten te zien. Een broeder, een echt-statige figuur, die zijne jaren met eere draagt, was er, die voor de 54e maal aanwezig was. Met vreugde mocht hij echter ook nieuwe gezichten ontdekken. Dat ook vele jongeren aanwezig zijn, doet ons goed. Met weemoed denken wij aan zoovelen, die vroeger altoos op onze vergaderingen aanwezig waren, maar die nu gemist worden.

Zoo denken wij aan onzen overleden vriend en broeder Veenman, die jaren lid was van 't Hoofdbestuur.

Hier stond de vergadering op.

De Voorzitter bracht den overleden broeder eerbiedige hulde voor 't geen hij voor onze Vereeniging en voor de Vaderlandsche Kerk was geweest, die hij liefhad met al de liefde van zijn hart. Hij was een uitnemend kenner van Hoedemaker's geschriften, dien hij persoonlijk goed had gekend en van wiens prediking hij zoo dikwijls genoten had. Wij zullen hem niet gemakkelijk vergeten en bidden aan zijne weduwe Gods vertroostingen, evenals aan zijne kinderen. Wij hopen, dat wij ook met zijne zonen even prettig mogen saamwerken.

't Voorgelezen schriftgedeelte doet ons allerlei gedachten aan de hand, als wij denken aan 't geen wij te doen hebben voor onze Kerk. Elia is de man, in wien 't Pinkstervuur gloeit van den ouden dag. Met groote jaloerschheid worden wij onwillekeurig vervuld, als wij letten op dat heilig enthousiasme van dezen godsgezant.

Onder ons toch is zooveel laksheid, zooveel koudheid. Wij leven als tusschen ijsbergen, waarvan wij hopen, dat zij nog eens mogen smelten door 't vuur van Pinksteren.

Daar is wel eens een opflikkering, maar bij Elia is dat maar niet voor een moment, maar 't blijft. Elia had een knecht bij zich op den Karmel, maar als hij den langen weg gaan moet door de woestijn naar den Horeb, dan laat hij hem alleen. In ons tekstgedeelte lezen wij, dat Elisa hem getrouw blijft, ook als allen zeggen, dat Elia van hun zal worden weggenomen.

Wat wij doen voor de reorganisatie der Kerk, wordt dikwerf afgebroken. Wij zijn voortdurend bezig aan den onderbouw. In den tijd der Asser-Synode, riep men van allen kant: och! laat maar af. God geve ons knechten met enthousiasme, die blijve en dat maar niet voor een tijd, maar volhardende.

Elisa vraagt 2 deelen van den geest van Elia. Hij heeft Elia zien werken. En nu leeft bij hem 't verlangen: als ik er maar een deel van heb. Twee deelen: dat is 't eerstgeboorterecht.

Wij vermijden ons zoo graag in de geschiedenis onzer vaderen, 't Was in 't verleden maar een tiende deel van ons volk, maar 't heeft 't stempel op ons volksleven gezet, 't Waren mannen van staal. Als we de boeken van Hoede-