is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 39, 1926-1927, no 2032, 15-09-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39e JAARGANG - OCT. 1926-OCT 1927

No. 2032

DONDERDAG 15 SEPTEMBER 1927

Og Küttfe

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Dr. J. Ch. KROMSIGT te Oostwold (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT ENZERINK te Leiden; PrtfDr Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam, Ds. C. A. LINGBEEK te 's-Gravenhage; Dr.H. SCHOKKING

te 's-Gravenhage; Ds. A. B. TE WINKEL te 's-Gravenhage.

Dit hlad verschilnt wekelijks. Alles wat de redactie aangaat en boeken

'■ KROMSIO£ Oos»old(OU«mbt);

vraeen voor de Vragenbus uitsluitend aan Ds. C. A. LINGBEEK, Sportlaan 95, 's-Gravenhage; Kerknieuws-berichten aan H. VEENMAN & ZONEN te Wageningen. Voor advert. en alles wat de administratie betreft wende men zich tot de Uitgevers.

UITG.: FA. H. VEENMAN & ZONEN

WAGENINGEN POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

POSTREKENING 12940

TELEFOON 184

Abonnementsprijs f. 5.— per jaar. Afzonderlijke nummers 10 cents. Prijs der advertentiën: Van 1—10 regels t 2.—, elke regel meer 20 cents. Boekannonces 10 cents per regel. Bewijsnummers a 10 cents. Abonnementen worden bij ieder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar.

INHOUD: Welgelukzalig in Gods oogen. ■— Belemmering voor geloofsoverwinning.

— Hoe het geloof overwint. — De „uitbouw" der gereformeerde belijdenis? -— Brieven uit het Zuiden. — Vragenbus.

— Confessioneele Vereeniging. — Kerknieuws. — Advertenciën.

welgelukzalig in gods oogen.

Welgelukzalig zijt gij o Israël, wie is u gelijk ? gij zijt een volk verlost door den Heere, het schild uwer hulp, en die een Zwaard is uwer hoogheid. Deuter. 33 : 29a.

Mozes, de Middelaar des Oude Verbonds neemt afscheid van het volk naar Gods

naam genoemd. Wat moet er in. die oogenblikken niet zijn omgegaan in de ziel van den man Gods, die zelf het beloofde land niet aanschouwen mocht.

Ik stel mij voor, dat heel zijn leven als een open boek voor hem gelegen heeft, en dat hij lezend en denkend telkens in stilte gezegd heeft: De hand des Heeren, de vinger Gods.

Hij moet heengaan en afscheid nemen.

In den Naam des Heeren des Gods van Israël zegent hij de stammen Jakobs de kinderen Israëls. En wanneer hij de stammen, ieder afzonderlijk den zegen, den rijkmakenden zegen van Jehova, den God van Bethel en van Pniël, den God des Verbonds en der beloften heeft toegebeden, dan roept hij uit — misschien met heilige bezieling, want, zijn oog was niet donker geworden en Zijn kracht was niet vergaan. Welgelukzalig zijt gij o Israël, wie is u gelijk? Gij

Z1jc een volk verlost door den xieere, net schild uwer hulp, en die een zwaard is uwer hoogheid.

De Heilige Schrift spreekt niet over de ontroering, waarmede deze woorden, heel het afscheid van den man Gods is aangehoord. Ik stel me voor een ontroering als °P het zeestrand van Milete, als in de ^aaschzaal.

Welgelukzalig zijt gij o Israël. Hoe wonderlijk toch. Dat volk, dat zoo zwaar gezondigd had keer op keer, dat volk, zoo tegenstrevend, rebelleerend, menigwerf, dat volk, zoo afdwalend-ondankbaar, liefdeloos, ontevreden, welgelukzalig. Was het welgelukzalig, omdat er Godgetrouwen die 's Heeren heerlijkheid poogden te ontvouwen in Zijn midden waren. O, neen, omdat God de Heere dat volk had uitverkoren tot zijn erf en lot en waarom ? Ligt M.L., het antwoord op dit waarom niet in Deuteronomium 7: De Heere heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren om uwe veelheid boven alle andere volken, want gij waart het minste van alle volken, maar omdat de Heere u heeft liefgehad en opdat Hij hield den eed, dien Hij uwen vaderen gezworen had. Wonderlijke, ondoorgrondelijke, liefde van God! David heeft daar ook iets van gevoeld. Welgelukzalig, zoo roept hij uit, dien gij verkiest en doet naderen, Davids groote Zoon heeft daar oneindig veel meer van gevoeld, heeft, die liefde Go^ds begrepen en vertolkt in dat machtige, onze eigen waan en waarde op zij duwende, ja, omver stootende.

Gij hebt mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Zijn apostelen dragen in al hun Zendbrieveh die waarheid en werkelijkheid uit, en zijn Evangelieboden door wie Hij zondaars laat nooden tot het hoogste goed — verkonden, waar God hen

ook geplaatst heeft, die onverwrikb're vastigheen.

Wonderlijke liefde: Israël in Gods oogen welbehagelijk. God zag het in Zijn eigen verkiezing, hoe dwaas, die ook wezen mocht in menschenoog. Het dwaze Gods is wijzer dan de menschen. God zag het in den Zoon Zijns welbehagens.

Het volk Gods, dat er was, dat er is, dat er zijn zal, was, is en zal zijn welgelukzalig in Gods oogen.

D Heere het aanziet in Zijn ver¬

kiezing in Zijnen Zoon, en daarom wie is aan dat Israël gelijk, wie is aan zulk een Israëliet gelijk. Letten we op t uitwendige dan is menigeen oneindig veel beter er aan toe, dan is menigeen veel benijdenswaardiger. Doch letten we niet slechts op 't voorbijgaande heden, maar op de blijvende toekomst, dan is het anders. Daarop lettend zingen Gods kinderen. Neen de wereld weet het niet, wat Gods groote liefde ons biedt. Behooren wij, bij dat Israël, dat welgelukzalig is in Gods oogen ? Mag en kan ons antwoord bevestigend wezen omdat we

Hem kennen, wien te kennen is het eeuwige leven ?

Welgelukzalig zijt gij o Israël, wie is U gelijk? Gij zijt een volk verlost door den Heere.

Verlost door den Heere. Ja, dat mocht Mozes wel zeggen. De Heere, de Almachtige, He Heilice had zelf het volk verlost. Zijn

i sterke en uitgestrekte arm had het volk

! uitgeleid uit het diensthuis cler slavernij. | Farao, de koning van opper- en nederEgypte — de Heer der twee werelden, de

man die gehouden werd voor een aarascne verschijningsvorm van den zonnegod Ra, de gevreesde — was machtig. Jehova was machtiger. Ik zal niet veel zeggen over 't pad in de zee, over den wolkkolom, en vuurkolom, over de bittere wateren die zoet gemaakt werden, over 't manna , over den rots te Rafidim, over den strijd tusschen Israël en Amalek. Over Meriba en de

koperen slang, over genoeg, 't Roept

mij alles toe : Welgelukzalig zijt gij o Israël. Wie is u gelijk, gij zijt een volk verlost door den Heere. Kan en mag en moet hetzelfde niet gezegd worden van heel het

volk Gods?

Niet verlost door zilver of goud, maar door den Heere, die in den Zoon Zijns welbehagens is neergedaald, is het volk Gods En wat heeft het den Heere Jezus Christus, in wien God is neergedaald, met gekost om te verlossen. Zijn dierbaar bloed. Het is niet noodig om te spreken over Gethsemané. Over Gabbatha en Golgotha. Over Ananas en Kajafas, over Pilatus en Herodes, over Farizeërs en Sadduceërs, over.... genoeg. Wat heeft het den Heere Jezus niet gekost om de Zijnen te verlossen. Denk slechts even aan 't antwoord op vraag 34 uit onzen ouden, trouwen Heidelberger: Waarom noemt gij Hem onzen Heere ?

Omdat Hij ons met licnaam en ziei van al onze zonden niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht en van alle geweld des duivels verlost heeft, en ons alzoo zich tot een eigendom gemaakt heeft. Verlost uit het geweld van den duivel, van den sterke, van den tegenstander, van den Vader der Leugenen.

Welgelukzalig is de mensch, die dat persoonlijk weet. Die kan zingen, misschien wel door de smarttranen heen, maar t zijn zijn vreugde-tranen:

Wij zijn verlost, maar t heeft Zijn dood gekost.

Tot het Israël in Gods oogen welgelukzalig, verlost door den Heere zegt de man

GoÜS meer: Hij laat volgen: Het schild Uwer hulp, en die een zwaard is Uwer hoogheid.

Een schild beveiligt. Op een schild stuiten de pijlen af. Meer dan eens wordt de Heere in het Woord bij een schild vergeleken een schild genoemd. Nog altijd zingt de Gods gemeente vullend de bedehuizen, met bezieling: want God de Heer zoo goed zoo mild, is 't allen tijd een Zon en Schild. God zelf een schild voor de Zijnen. Dat was zoo — dat is zoo — dat zal zoo blijven. Daarom: Laat vrij het schuimend zeenat bruisen. Daarom: Ruwe stormen mogen woeden. Ook is de Heere een zwaard voor de Zijnen. Zijn Woord is het zwaard des Geestes voor de Zijnen. Wel mocht de gods¬

man Mozes, uitroepen: Welgelukzalig, zijt gij o Israël, wie is u gelijk, want 't volk was door den Heere verlost, want 't volk had den Heere als een schild en als een

zwaard. Israël was nog in de woestijn, toen Mozes dit alles zei. Maar 't volk is in Kanaan gekomen, de Heere was hun schild en hun zwaard. Allen die den Heere vreezen zijn nog in de woestijnen. In 't hart der woestijnen, verkwikken en laven zijn hemelsche gaven, maar ook dat, hoe heerlijk dan ook is het voornaamste niet. Zij komen in 't hemelsch Kanaan. Want de Heere zelf is hun schild en hun zwaard. We zingen nog steeds het oude Psalmvers: waarvan ik reeds twee regels noemde:

Want God de Heer zoo goed, zoo mild. Is 't allen tijd een zon en schild. Hij zal genade en eere geven. Hij zal hun 't goede niet in nood, Onthouden, zelfs niet in den dood, Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, Heer, die op u bouwt, en zich geheel aan U vertrouwt.

Welgelukzalig zijt gij o Israël, wie is aan n rroliik ffii ziit een volk verlost door den

«-*- j O i) O

Heere. Het schild uwer hulp en die een

zwaard is uwer hoogheid.

Rondom Jeruzalem zijn bergen, alzoo is de Heere rondom Zijn volk, van nu aan tot in Eeuwigheid.

Welgelukzalig is het volk, ivelks God de Heere is.

Oosterend. G. de Vries.

belemmering voor geloofsover winn ing.

Ruimtegebrek verhinderde mij een vorig maal nog uit het boek van Pym over de moderne psychologie en het leven van den christen op te nemen, wat hij zegt over 's Heeren onderricht aangaande belemmeringen van het geloofsleven.

Zoo wil ik het hier nog laten volgen.

Er zijn veel belemmeringen, belemmering van onbeleden zmde bovenal. Onder die belemmeringen noemt Jezus telkens in 't bijzonder gebrek aan vergevensgezindheid. „Het is een Christelijke plicht, maar bovendien psychologisch noodzakelijk. Van de innerlijke conflicten, die de energie van den mensch verspillen en zijn wilskracht belemmeren is nijd wel een der ernstigste.

„Ik doe hier," zegt de schrijver, „een onmiddellijk beroep op de ervaring van den lezer. Is er iets, dat zoozeer uw gedaohten verstrooit en hun concentratie verhindert als de mokkende gedachte, dat u onrecht is geschied?"

„Haat en wrok zijn geweldige verbruikers van geestelijke energie. Als ik tegen iemand een wrok koester, moet het gebed om vergeving voor mijzelf wel onoprecht zijn; ik sluit dan een sfeer van mijn geesteswerkzaamkeid af voor Gods tegenwoordigheid en maak tegenover Hem eenig voorbehoud."

„Ik heb zoo vaardig de kunst beoefend de beleediging zoogenaamd te „vergeten" en daarbij dan tevens het feit, dat ik die nimmer heb vergeven, niet meer te gedenken, dat ik er mij geen rekenschap meer van geef, dat er iets staat tusschen God en mij; toch vraag ik mij dan af, waarom dikwijls mijn geloof en mijn besef van gemeenschap met Hem zoo zwak is.''

,,'t Komt immers, omdat dat conflict nooit is opgelost. De beslissing is eenvoudig ontweken en het conflict uit mijn bewustzijn gedrongen. Toch is het er nog in het onderbewuste, en het kanaal, waardoor de Heilige Geest zijn volle werkzaamheid in mij zou kunnen ontplooien, is er door versperd."

„Wii behooren ons best te doen te be¬

grijpen, waarom de grootste Deskundige op het gebied van de menschelijke natuur aandrong op vergevensgezindheid en christelijke liefde als absoluut noodzakelijk voor degenen, die geloovig willen bidden en in de kracht van dat geloofsgebed bergen willen verzetten."

Wij moeten verstaan wat Hem drong om die bede: „Vergeef ons onze schulden", zoo direct te doen volgen: Gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

Nog iets, waarop Jezus aandrong, is onverdeeldheid. De kortste en volmaaktste samenvatting van den bekenden psychologischen raad der concentratie is wel Zijn

woord: „Niemand kan twee heeren dienen." Innerlijke tweedracht, gebrek aan geesteseenheid, verdeelde belangstelling, dat zijn altijd de vijanden van krachtsontplooiing. Wat het fnuikendst werkt op krachtsontplooiing is de strijd in des menschen ziel tusschen de aanspraken van God en ,,den Mammon".

„Die strijd breekt veler geestlijke kracht. Zij, die zioh belijdende christenen noemen, worden dikwijls, zooal niet in hun' gezicht, dan toch achter hun rug, beschuldigd van somberheid en droefgeestigheid; terwijl dat verschijnsel dan verschillend wordt verklaard. Men denkt dan natuurlijk, dat het een sombere zaak is, den weg van het Kruis te gaan, of dat de angst voor toekomstige verdoemenis zwaar op de geloovigen drukt, of dat de godsdienst alleen bestaat in het zich ontzeggen van datgene, wat zij toch zouden wenschen te doen."

„Willen wij nu dien aanval afweren door te betuigen, dat de dienst van Christus de grootste vreugde is, dan zullen wij ons moeten herinneren, dat dit alleen geldt, als dit dienen van ganscher harte geschiedt."

„Dubbelhartigheid echter kan er zijn niet slechts bij huichelaars, maar ook bij oprechte christenen, die er zich geen rekenschap van geven, dat zij trachten twee heeren te dienen. Misschien achten zij zich wel gelukkig, maar het is mogelijk, dat de bewering van den schreeuwerigen pretmaker, dat hij minder last van tobben heeft en een genoegelijker leven leidt, waarheid bevat. In elk geval zal hij, omdat hij al zijn energie daaraan geeft, meer bereiken in de richting van zijn levensdoel, dan degene, die zijn belangstelling verdeelt en die, terwijl zijn bedoeling is, zich geheel aan den dienst van God te wijden, zich daaraan metterdaad onttrekt zooveel hij denkt, dat hij met goed fatsoen doen kan." Concentratie is noodig om God te dienen „van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten." Wel mag gebeden: ,, Vereenig mijn hart tot de vreeze Uws Naams."

Als moderne psychologen nadruk leggen op de noodzakelijkheid van innerlijke harmonie, dringen zij, om deze te bevestigen aan op het brengen van eenheid, in hel levensdoel, een levensdoel, zoo allesomvattend en over heer schend, dat het iemand geheel in beslag neemt en bestendig maakt.

Hiermee stemt geheel overeen des Heeren vermaning: „Zoek eerst het koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid en alle dingen