is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 40, 1927-1928, no 2039, 03-11-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afstand; college B. had zich. als een gevaarlijk tegenstander laten kennen; twee zwakke ouderlingen waren aan zijne linkeren rechterzijde geplaatst. Zij zouden voor ons verloren zijn geweest, en het Liberalisme zou den slag gewonnen hebben, indien

een handige zet hen niet aan de andere zijde van de groene tafel had gebracht.

De kandidaten-lijstjes, eerst schuchter onder hoofddeksel of zakdoek verborgen, waren later, toen de moed wies, tevoorschijn gekomen.

Geen wonder, dat één mijner ouderlingen, toen wij de poort van Wijk bij Duurstede achter ons hadden, vol geestdrift riep: „Komt, laat ons eens een psalm zingen." Geen wonder, dat het lied waarmede

onze Vaderen zien in tijden van druk hadden gesterkt: ,,de Heer zal opstaan tot den strijd" over de uiterwaarden en de velden aan weerszijden van den dijk weerklonken.

Misschien vonden de broeders wel, dat Dominé, voor iemand die juist primus van het Classicaal Bestuur was geworden, met het uitzicht om ten spoedigste zitting te némen in het Provinciaal Bestuur, en zelfs met der tijd ter Synode te gaan, niet hartelijk genoeg meezong.

Hij was ook niet over zichzelf tevreden.

Zij, die thans van het kussen waren verdrongen, moesten straks de Kerk uit.

Maar toch waren wij collega's en kon het op de ringvergaderingen zoo joviaal, bijna jolig toegaan.

Was collega X. die benoemd werd, zooveel beter dan Y of Z., die er uitviel?

Wat had de man eigenlijk misdaan?

„Hij ging niet mede," maar menschen, die hooren konden, zeiden, „dat hij zoo kwaad nog niet preekte".

En dan die Scriba, wiens val zoo groot was geweest. Hij was op en top Scriba. Men kon hem zich niet anders denken dan als Scriba. Hij pastte veel beter in het kader van de synodale organisatie, dan de goede broeder die in zijne plaats was gekomen, en wel een weinig onder de verdenking lag, dat hij misschien wel eens een titteltje een weinig links of rechts zou plaatsen.

Was dit nu, hetgeen van ons werd verlangd; hadden wij het recht onszelven met den uitslag geluk te wenschen ?

Later begreep ik, dat de fout niet alleen in het personeel, maar in de organisatie schuilde. In die dagen waren wij evenwel zoover nog niet."

A. P. J. Kromsigt.

EEN BELANGRIJKE PROCEDURE.

IX.

In een vorig stukje vermeldden wij hoe namens verscheidene Kerkvoogdijen de Kerkvoogden der gemeente Ouddorp de Hervormde Kerk een proces hebben aangedaan en, op grond van beweerde onbevoegdheid der Synode om zich in de stoffelijke belangen der gemeenten te mengen, terugbetaling der reeds betaalde aanslagen hebben geëischt.

Voor Kerkvoogden pleitte Mr. Van Kuijk.

Thans heeft Mr. de Brauw, als advocaat der Synode, zijn tegenpleidooi geleverd-

Het verslag, dat de N. R. Courant van dit pleidooi gaf, is te uitvoerig om het hier over te nemen; ook leent het zich moeilijk tot een wedergave van de voornaamste punten van het pleidooi.

Het voornaamste trachten wij hier te geven:

Pleiter begon met te betoogen, dat de Synode had gehandeld in het algemeen belang. Ook Prof. van Apeldoorn, die de nieuwe regeling bestreed, had erkend, dat het voor de Kerk van het hoogste belang was, dat hare dienaren behoorlijk werden betaald. Op dit punt had het nieuwe reglement dan ook belangrijke verbeteringen teweeg gebracht.

Wat Prof. v. Apeldoorn betreft, wees pleiter de rechtbank erop, dat diens geschriften over deze zaak sirycüschriften, geen eigenlijke studieën waren.

Pleiter wilde nu uiteenzetten op welke positieve grondslagen z.i. de bevoegdheid der Synode berust.

Het algemeen reglement der Hervormde Kerk van 1816 is verbindend. Wel is hierover vroeger strijd geweest, maar deze is geëindigd met het arrest van den Hoogen Raad van 2 Januari 1846, W 674, waarbij de Hooge Raad heeft beslist dat het reglement door de gemeenten is aanvaard. Hetzelfde is beslist ten aanzien van het reglement van 1852, bij arrests van den Hoogen Raad van 20 Mei 1881, W 4633.

Daaruit volgt, dat ook het nieuwe Synodaal reglement op de predikantstractementen bindend is, tenzij mocht blijken, dat deze regeling valt buiten de reglementaire bevoegdheid der Synode.

Om aan te toonen dat aan leden van een lichaam nieuwe financieele verplichtingen kunnen worden opgelegd, ook zonder hun eigen toestemming, verwees pleiter naar

een arrest van den Hoogen Raad van 2 Dec. 1926, W 11613.

De grenzen voor de bevoegdheid om zulke

nieuwe verplichtingen op te leggen liggen hierin, (art. 1374 B.W.) dat gehandeld moet worden „te goeder trouw". Die goede trouw was aanwezig bij het vaststellen van

het nieuw reglement; de Synode trachtte niet zich van kerkegoed meester te maken, maar trof een regeling in het belang der Kerk.

Verder bestreed pleiter de bewering, dat de Synode uitsluitend de geestelijke, niet

ae stoffelijke belangen der Kerk had te behartigen. Dat blijkt niet uit het reglement en niet uit den aard van een zedelijk lichaam.

Pleiter wendde zich om advies tot de

Hoogleeraren Meyers en de Blécourt, die beiden van meening waren, dat het nieuwe Synodaal reglement bindend is voor de

gemeenten.

Wat het reglement van 1816 betreft, daarin komen allerlei bepalingen omtrent zorg der Synode voor financieele belangen

voor: de Synode heeft een questor, de Synode regelt beroepings- en ClassicaJe

kosten; de bynode heit quota, gat een reglement op de Weduwenbeurs en op de diaconie; alles stoffelijke zaken.

Vervolgens betoogt pleiter, dat het verzet tegen dit reglement neerkomt op destructie van de heele Hervormde Kerk.

Wel is in 1816, art. 90 alg. regl., bepaald dat in de administratie van kerk en pastorie en kosterij door het reglement geen verandering kan worden gebracht, maar het nieuwe reglement bemoeit zich ook met die administratie heel niet.

Voorts blijkt uit den brief namens Willem I in 1816 aan de protesteerende classis Amsterdam gezonden, dat de Koning bedoelde eene regeling, ook van de uitwendige belangen.

In 1852 heeft de Synode een Synodaal beheersreglement ontworpen, maar dat weer

laten varen. Het nieuwe reglement, nu ingevoerd, laat zich niet in met plaatselijk beheer, maar geeft een regeling van algemeenen aard.

Eindelijk wees pleiter erop, dat oudtijds de Kerkvoogden óók niet eigenmachtig de predikantstraetementen hebben geregeld; zij hadden toen te doen met het geestelijk kantoor te Delft en met de Staten Generaal, die de predikantstraktementen regelden.

Dat hoogere orgaan hebben wij nu in de Synode.

In zijn dupliek beweerde Mr. van Kuijk, dat de Synode door den rechter de betaling had moeten invorderen; dan was gebleken of de Synode tot deze regeling bevoegd was geweest.

Mr. de Brauw dupliceerde.

De uitspraak zal zijn op 17 November.

C. A. L.

PREDIKANTEN-AUTONOMIE.

Terecht werd in een schrijven .van de

PREDIKANTEN-AUTONOMIE.

Terecht werd in een schrijven .van de Heraut, dat we een vorig maal aanhaalden, ontkend, dat het een zegen zou zijn, als de beslissing over den inhoud der prediking in handen werd gelegd van den enkeling en de gemeenten werden overgeleverd aan de willekeur van de dominees.

Als de predikant, kan prediken wat hij wil, door weglating van de desbetreffende formulieren het wezen van doop- en avondmaal kan verklaren, zooals hij wil, doopouders kan laten beloven wat hij wil, aanstaande lidmaten „in geest en hoofdzaak" kan laten belijden, wat hij wil, door weglating van de bevestigingsformulieren het ambt geheel kan op zij zetten of ervan kan maken, wat hij wil, aan attestaties van naar elders vertrekkenden de beteekenis kan geven, die hij wil, dan is dat niet normaal, maar door en door abnormaal. En als onze reglementenbundel zoo'n domineeswillekeur sanctioneert iriplaats van die te désavoueeren, dan zijn ze daarom niet te prijzen, maar te laken.

Een kerk mag niet ingericht zijn op dominokratie, mag niet georganiseerd zijn zijn op predikanten-autonomie. Een dergelijke organisatie dient te worden gereorganiseerd.

Ongetwijfeld zijn er nu dominees geneigd om het voor die dominokratie op te nemen. Wie echter meenen mocht, dat die neiging zich bij alle dominees zal openbaren, vergist zich. Onze reorganisatiebeweging is een bewijs van het tegendeel. Maar ook elders vinden we dergelijke bewijzen. Een heel merkwaardig voorbeeld daarvan vond ik onlangs in de N. Rott. Courant. Als we sommige uitlatingen daar lezen, zouden we meenen met een volbloed confessioneel te doen te hebben, zoozeer dringt de schijver aan op bezinning der gemeente op haar geloofsbezit en een uitspreken daarvan met zeker geluid, m.

a. w. op gemeentelijke geloofsbelijdenis, ook op een zekere „tucht" (we kunnen waarlijk geen juister woord hier vinden), die van deze bezinning, dit zich uitspreken, moet uitgaan over leerstof en leer¬

methode der leeraars.

Opmerkelijk: we vinden dikwijls een verwerping van alles wat naar leertucht zweemt, waar we dit niet zouden verwachten, maar daartegenover ook een aanvaarding, waar we die evenmin verwachten zouden.

We halen hier nu maar aan, wat we

lazen en cursiveer en daarvan enkele zin-

snpnfiTi •

Een bijdrage in de (Doopsgezinde) Zondagsbode herinnert ons aan een merkwaardig probleem uit het kerkelijk leven. In een paar opstellen geeft in genoemd blad de Zwolsche predikant ds. W. T. toe Water, den inhoud weer van een lezing, door hem in de vergadering van den ring Zwolle uitgesproken. De

scnrij ver Denanaeit aaarin ae beUjaems in de Doopsgezinde gemeenten.

Na te hebben opgemerkt, dat het zwaartepunt bij de toetrèding tot de gemeente bij de Doopsgezinden niet in den doop, maar in de belijdenis ligt en er de aandacht op te hebben

gevestigd, dat juist Kortgeleden de Doopsgezinden, hoezeer met gevoel van verwantschap staande tegenover andere groepen, het eigen ikarakter hunner geloofsgemeenschap nog weer nadrukkelijk hebben gehandhaafd, verklaart de schrijver, dat zoovtel de buitenstaanders recht hebben op een Doopsgezinde beginselverklaring als de Doopsgezinde gemeente zelf zich behoort te gaan bezinnen op haar geloofsbezit.

In dit verband verontrust de schrijver zich er over, dat van een geloof der gemeente in de Doopsgezinde geloofswereld zoo weinig tot uitdrukking komt. De kerkeraden zoowel als de catechisanten, die jaarlijks op belijdenis toetreden, accepteeren eenvoudig „wat door de predikanten wordt gebrouwen", en het is de predikant, wiens levensbeschouwing en geloofsvoorstelling in de belijdenis van de leerlingen, geduldig en welwillend door den kerkeraad aangehoord, zich openbaart.

„Teveel" aldus de schrijver, „bestaat onze Broederschap uit discipelen van leeraren. Dat persoonlijke element uit te zuiveren, zou slechts schade brengen, maar er moet een tegenwicht gegeven worden door het gewicht dat de gemeente met haar geloofsbewustzijn in de schaal werpt." „Waarom", vraagt hij zich af, ,,bemoeit de gemeente zich niet met leerstof en . leermethode, waarom spreekt zij niet haar geloof staal met zelcer geluid, zoodat zij, die tot haar komen, weten wat zij aan haar hebben? Waarom niet? Omdat zij er niet toe in staat is, niet bevoegd, niet compenent is ? Maar deze dominees-overheersching moet in haar schadelijke uitwerking zooveel mogelijk worden beperkt. Dit zal alleen

Kunnen geschieden, wanneer het hart der gemeente getuigenis gaat geven, wanneer de passieve houding in dezen, óók van den kerkeraad, in een actieve overgaat."

Naar aanleiding hiervan zegt dan de kerknieuwsschrijver o. a.:

Men lette er óp, dat ook weer hier niet de gemeente zelf, doch de predikant klaagt over predikantsoverheersching. De gemeenten hebben

wij tot nog toe met ol zelden over dominocratie hooren klagen. Zij schijnen zich wonderwel in haar lijdelijkheid te schikken. Gelijk ook de kerkeraden zich met treffende voegzaamheid door den predikant laten belichamen.

De predikanten, of zij Doopsgezind, Hervormd of Gereformeerd zijn, verzetten zich onophoudelijk en hardnekkig tegen de hun opgedrongen taak als voogd. Zij strijden voor zelfstandigheid en emancipatie van kerkeraad en gemeente. Hebben niet enkele predikanten in de Gereformeerde kerken een orgaan voor ouderlingen opgericht om den ouderling autonoom te maken ? Maar

de gidsen en voorlichters in dat Ouderlingenblad zijn weder voor het meerendeel. . . . predikanten. Gelijk ook de redacteur van het orgaan van kerkvoogden in de Ned. Herv. Kerk wederom een predikant, zij het dan een emeritus-predikant is.

De bewering, dat de gemeenten nu waarlijk zoo lijdelijk zich zouden neerleggen bij predikanten-overheersching, lijkt mij niet geheel op werkelijkheid gegrond. Er zijn in onze kerk en vooral niet minder in andere kerken wel blijken van het tegendeel.

De schrijver wijst trouwens ook zelf op een niet lijdelijk aanvaarden van 't geen de predikant der gemeente voorlegt, ja op hier bestaande disharmonie.

Het is niet geheel waar, dat de kerkeraden en catechisanten klakkeloos zouden accepteeren, wat door de predikanten „gebrouwen" wordt. Ze doen dikwijls maar alsof en wachten met hun kritiek tot de predikant uit hun gezichtsveld verdwenen is.

Inderdaad is het verschil in geaardheid en inhoud tusschen predikantengeloof en gemeentegeloof het gevaarlijkste struikelblok voor den

opDouw van een geloofgemeenschap, die werkelijk geloofsgemeenschap zal zijn. De kloof schijnt hier soms niet te overbruggen en het compromis, dat van weerszijden gesloten wordt, brengt vaak een pijnlijk onzuiver bestanddeel in de onderlinge betrekking zoowel als in het gemeenschappelijk beleden geloof.

In ieder geval schijnt mij deze klove niet te overbruggen door predikantenoverheersching.

Echter ook. niet door gemeenteoverheersching.

Niet door de autonomie der predikanten, noch door die der gemeenten, maar alleen door deze beide overheerschend een saambrengende Christonomie.

Hierover nog iets een volgend maal.

J. CH. K.

DE NEDERLANDSCH HERVORMDE KERK IN DEN HOEK.

Van onze zijde wordt gedurig erover geklaagd, dat men onder de leuze „de kerk erbuiten", in 't bijzonder op buitensluiten onzer kerk en heimelijk binnenhalen van andere Kerken bedacht is. De Nationale Kerk moet van haar mirlpn

troon in den hoek gedrongen. Of dan de de internationale, Roomsch Katholieke Kerk de gelegenheid waarneemt om met of zonder politiek den leegen troon te veroveren, daarop wordt dan minder gelet. Als de nationale kerk er maar niet zit.

Een dergelijk in-den-hoek-zetten werd laatst blijkbaar ook de Waarheidsvriend te kras. Wij nemen uit het nummer van 28 Oct. 't volgende over:

We hebben tegenwoordig een Christeliike Hn.

cyclopaadie voor het Nederlandsche volk. Niet dus een Gereformeerde Encyclopsedie voor de Geref. Kerken, maar een Christelijke Encyclopsedie voor het Nederlandse he volk.

De uitgave is prachtig. Maar de opzet is voor ons te eenzijdig. Te eenzijdig georiënteerd naar den kant van de Gereform. Kerken. Alles wat van de Geref. Kerken is, jong en oud, geleerd en minder geleerd, is voor de redactie, welke ook uitsluitend „van de Geref. Kerken" is, blijkbaar welkom e-eweest. rrm.a.T* va.n anrlfirmi

kant dan van de Geref. Kerken is blijkbaar niemand of zijn weinigen gevraagd. Van de Hervormde Kerk slechts een drietal: ds. Knap, prof. Van Leeuwen en prof. Visscher; meer niet; en van andere Kerkgemeenschappen — voor een Christelijke Encyclopsedie voor het Nederlandsehe volk — niemand; zegge niemand.

't Zij zoo. Men moet het zelf weten. Wellicht zal men te laat straks de droeve gevolgen van dit eenzijdig drijven op elk terrein des levens naar één bepaalden kant betreuren.

Nu is eenigen tijd geleden het 2de deel van deze Christelijke Encyclopsedie voor het Nederlandsche volk verschenen. En daar in staat ook een artikel over de\Ned. Hervormde Kerk. Natuurlijk sloegen we bij ontvangst van dit 2de deel dit artikel op. (blz. 574 enz.). Ds. Rullmann, Geref. predikant te Utrecht, is de schrijver er van, een historicus overigens niet onvermaard. Een historische uiteenzetting van den loop der zaken sinds 1816 krijgen we. En de typeering van de Hervormde Kerk met een enkele zinsnede, waarvan de korte inhoud is: Boeddhist, Socialist, enz. enz. Waarbij dan als slotzin: „ De volstrekt onvoldoende bezoldiging der predikanten, waardoor in menige pastorie letterlijk armoede geleden wordt, heeft geleid enz."

Alles en alles bij elkaar genomen, krijgen we dus in een Christelijke Encyclopsedie voor het Nederlandsche volk van de Nederlandsche

Hervormde Kerk niets meer en niets minder dan deze drie dingen: In de Ned. Hervormde Kerk is niet Gods Woord, maar de reglementenbundel maatgevend; in de Ned. Hervormde Kerk woont Boeddhist en Socialist enz. samen; in de Ned. Hervormde Kerk wordt in menige pastorie letterlijk armoede geleden (blz. 577, lste kolom onderaan en 2de kolom boven en midden).

Is er anders niet te vermelden ?

Is er niet iets anders ook nog, is er niet iets beters ook nog, is er niet iets moois ook nog aangaande de Ned. Hervormde Kerk te vermelden in een Christelijke Encyclopsedie voor het Nederlandsche volk?

Gaat er dan niets anders om in rln TVprl

Hervormde Kerk? Heeft men nooit, nooit van andere dingen óók gehoord 1

Wij constateeren hier een zekere mate „ger brek aan kennis aangaande de Ned. Hervormde Kerk".

Meer willen we er liever maar niet van zeggen.

FRIESCHE BRIEVEN.

Animo voor vergaderingen.

Behalve dat er veel animo is voor be-

FRIESCHE BRIEVEN.

Animo voor vergaderingen.

Behalve dat er veel animo is voor begrafenisgesprekken is er evenzeer veel animo voor te houden vergaderingen.

Daar heb je om maar de voornaamste vergadering te noemen, de groote najaars- of Septembervergadering van de Confessioneele vereeniging in Friesland.

U kent die vergadering toch?

Neen! Wel laat ik er u dan iets van mogen vertellen.

Ik ga natuurlijk geen verslag van een der gehouden vergaderingen geven. Ik ga alleen maar vertellen, hoe die vergadering elk jaar weer opnieuw de menschen trekt. Gij begrijpt al, dat ik er zelf ook heenga.

Ja, als 't maar eenigszins kan dan ben ik present, 't Gaat mij als heel veel anderen : ik mis er niet graag.

Het bezoek varieert gemiddeld van zestot zevenhonderd bezoekers.

De laatste jaren nam het bezoek eer toe dan af.

In hoofdzaak zijn de bezoekers elk jaar dezelfde menschen.

Men rekent er mee, dat in de eerste helft van de maand September deze vergadering gehouden wordt.

De Gereformeerde predikanten vergadering in Utrecht rekent er mee. En de Priesche na j aars Zendings vergadering rekent er mee! En met de eigen zaken rekenen de bezoekers van hun kant er ook mee.

Men begint 's morgens om half elf, en om half een neemt men een klein uur pauze, en dan doet de voorzitter der vergadering zijn best om de vergadering om vier uur gesloten te krijgen.