is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 40, 1927-1928, no 2055, 23-02-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan we een en ander overnemen (enkele 1 woorden cursiveerende): j

,.Acronius zet aan de hand der H. Schrift de 5 stelling voorop, dat allen, die de gemeente Gods l regeeren, namelijk predikanten, ouderlingen en 1 diakenen, wettig tot hun ambt behooren be- < roepen te worden.... Het recht der beroeping ] behoort van Godswege bij de gemeente in haar i geheel (onder leiding van den Kerkeraad). ]

„Zij, die de gemeente regeeren, komen nu ; tot dit doel in „mindere" en in „meerdere" vergaderingen bijeen. In eerstgenoemde worden de ] zaken der kerk behandeld, waarover de saam- 1 gekomenen als opzieners zijn aangesteld. Hier- 1 van zijn voorbeelden te vinden in Hand. 20 : 17; 21 : 18 ; 1 Tim. 4 : 14. In laatstgenoemde worden belangen besproken, die de kerken tezamen raken, zooals wij hiervan een voorbeeld vinden in Hand. 15. De „mindere" vergaderingen zijn het type der latere kerkeraadsvergaderingen, de „meerdere" dat der latere classes i en synoden.... 1

„Een geheel andere zaak nu dan de kerkelijke

regeering is de staatkundige ,Zoo de :

kerkelijke regeering tot de Kerk niet behoorde, 1 zoo zou Christus deze regeering aan de Gemeente , niet gegeven hebben, en de apostelen zouden deze regeering aan de gemeente niet gegeven hebben, maar zouden gewacht hebben, totdat er Christelijke overheden kwamen, die uit kracht van hare autoriteit alles feden."

„Men moet dus beide regelingen wel onder- 1 scheiden. Echter bedenke men, dat alle dienaars der gemeente, die de regeering in de kerk in handen hebben, onderdanigheid en gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de overheid in alles wat de burgerlijke regeering betreft. Zóó beveelt God in Zijn Woord: Rom. 13 : 1,1 Petr. 2 : 13, 14, 1 Kon. 2 : 27, Mt. 17 : 27 en cap. 27, Hand. 23 : 35; 25 : 5; 26 : 1; zoo leerden de kerkvaders. Alle menschen moeten de overheid in alles wat de consciëntie niet aangaat, gehoorzaam zijn, ook al bestaat zij uit goddelooze menschen. Maar omgekeerd zijn ook alle menschen, prinsen en overheden niet uitgezonderd, in alle geestelijke dingen, naar den eisch van Gods Woord, aan de dienaren der gemeente gehoorzaamheid verschuldigd en onder hun censuur geplaatst volgens 2 Cor. 10 : 5; 1 Thess. 5: 12, Hebr. 13 : 17, Luk. 10 : 16."

„Zoo zijn dus zij, die de gemeente Gods en den staat regeeren, onder elkanders regeering geplaatst, en moeten zij, naar bevind van zaken, elkander gehoorzaam zijn. Acronius gebruikt daarvoor het volgend beeld: „Neemt exempel van een schip, dat zijn stuurman heeft, en dat er een kapitein met soldaten in is, die vaart om tegen den vijand te strijden. In dit schip heeft de stuurman zijn regeering en gebied, onderscheiden van des kapiteins regeering en gebied. Nochtans moeten beiden, de stuurman en de kapitein, onder elkanders gebied staan en over elkander gebieden en regeeren. De kapitein moet onder des stuurmans regeering en gebied staan, zooveel het sturen van het schip aangaat, dat het op geen strand, zandklip stoot of anderszins op het drooge gezet worde. Want des kapiteins en aller soldaten welvaren hangt daaraan. De stuurman moet wederom den kapitein daarin gehoorzaam zijn en onder zijn gebied staan, dat hij het schip nergens dan naar den vijand sture, tegen wien de kapitein met zijne soldaten ten strijd gaat, en dat hij het schip, als zij, in de nabijheid van den vijand gekomen zijnde, slag zullen leveren, alzoo regeere, daii er in het sturen niets verzuimd of gedaan worde, waardoor de overwinning op den vijand verhinderd of anderszins oorzaak gegeven zou worden, dat de slag zou worden verloren."

Men ziet uit dit voorbeeld duidelijk, dat de gereformeerden volstrekt niet de „collateriteit" of „even-hoogheid" leerden, die de Remonstranten hun ten laste legden, maa rzich volkomen bewust waren van de tamelijk gecompliceerde verhouding, waarin Overheid en Kerk uit den aard der zaak tegenover elkander stonden.

Treffend werd echter ook de taak der overheid reeds door Acronius uitvoerig omschreven. We citeeren nog eens het résumé van Dr. de Visser:

„Dit alles wil echter niet zeggen, dat de magistraat zich geheel van de kerkelijke regeering moet onthouden, alsof deze hun volstrekt niet aangaat. Want de Kerk heeft de hulp van de overheid noodig en deze is van Godswege ook tot bescherming der kerken verplicht. Bovendien zijn e magistraten zoo goed als de kerkbestuurders gehouden Gods eer en de zaligheid en het welvaren der menschen, niet alleen in het tijdelijke, maar ook in het eeuwige te bevorderen, als het

uiterste einde, waarop de mensch behoort te zien." Want zij zijn niet maar koeherders, geroepen om voor het lichamelijk welvaren der burgers te zorgen, maar zij zijn ook door God gestéld tot bewaarders van de beide tafelen der goddelijke wet.... Wie aldus beider roeping nagaat, komt tot de'slotsom, dat verre van elkaar in den weg te staan, beide regeeringen, de kerkelijke en de politieke, elkander sterken. Beide zijn met elkander vereenigd als ziel en lichaam."

Wie deze eenvoudige, heldere uiteenzetting leest, kan, dunkt mij, moeilijk aan den klem van dit betoog ontkomen en moet zich slechts verbazen over onze huidige „Christelijke politici", voorzoover zij art. 36 verwerpen, die dit alles verward, onduidelijk en onuitvoerbaar vinden.

Hoe komt dit toch ?

Dit komt, omdat men verworpen heeft, wat voor onze vaderen vanzelfsprekend was (waarvan ook heel Acronius' overheidsleer uitgaat), n.1. het groote, Protestantsche leerstuk van de duidelijkheid der H. Schrift.

Dit komt, omdat Dr. Kuyper daarvoor heeft in de plaats gesteld zijne leer van „de blinde overheid" en alzoo gekomen is tot den neutralen staat, die alleen gebonden is aan „het licht der natuur", of aan „de gemeene gratie".

En de gevolgen van deze „studeerkamerkwestie", die zoo diep heeft ingegrepen in de praktijk, zijn geweest: opkomst van Home en van de gescheidene kerken en terugzetting van onze aloude, nationale Ned. Herv. Kerk, en derhalve: verzwakking van het Protestantsch karakter der natie.

(Wordt vervolgd). P. J. Kromsigt.

SABBATISME.

XI.

Wonderlijke dingen heb ik dien, avond gehoord. Mijn eerste aanvaller (hij zeide, wèl Sabbatist te zijn, maar zich niet te rekenen tot het Zevende-dags-Adventisme) trachtte zijn positie sterk te maken met de bewering, dat de Heiland niet op den eersten dag der week was opgestaan; doch nog op den sabbat. Zie, zoo'n bewering doet goed! 'n Mensch wil toch ook wel eens wat nieuws hooren. En toen ik hem Mattheüs XXVIII, vers 1 voorlas, om hem van 't tegendeel te overtuigen, kreeg ik een heele onderscheiding tusschen het Grieksche Testament en de Statenvertaling te hooren, dat het woordje na, dat cursief gedrukt was, er niet in hoorde; waartegen ik weer opmerkte, dat dan toch de tusschenzin „als het begon te lichten tegen den eersten dag der week", niet cursief gedrukt stond.

Maar vooral kwam ieder van mijn tegensprekers hierop neer, dat de Heere Jezus dan toch maar op den sabbat had gerust; en dat men van mij dan wel graag eens een Bijbelplaats zou vernemen, waar uitdrukkelijk het gebod om in de plaats van den Zaterdag den Zondag te stellen, gegeven werd.

Eén van de vrienden trachtte mij 'n beetje in het gevlei te komen, door de bewering, dat de tweede engelenboodschap: „Zij is gevallen, zij is gevallen, Babyion, de groote stad" (Openbaringen XIV : 8) niet op alle kerken, maar op de kerk van Rome werd toegepast door het Adventisme.i Jawel! Dat was nu een zoet druppeltje in den alsembeker, die ik dien avond te drinken kreeg uit de handen van mijn Adventistische tegenstanders. En ik waardeer de goede bedoeling van dezen broeder. Maar toen ik de puntjes op de i zette en hem pertinent vroeg, of dan de Hervormde Kerk, waartoe ik behoorde, buiten „het gevallen Babyion" viel, haalde onze vriend al bakzeil. Toen begon hij er zoo'n beetje omheen te praten. Hij wou geen ja zeggen; want dat verbood zijn Adventistisch geloof hem. En hij kon geen neen zeggen, omdat hij eigenlijk in zijn welwillendheid tegenover mij te ver gegaan was. Toen heb ik 't antwoord maar in zijne plaats gegeven; en hem nog eens herinnerd, wat we in het eerste het beste

propagandablaadje kunnen lezen, dat alle 'kerken, aangezien zij den Zondag vieren, dus ook de Hervormde Kerk, vallen onder het oordeel van de tweede engelenboodschap uit Openbaringen XIV; altijd volgens de meening van het Zevende-dagsAdventisme.

Doch, zooals ik zeide, de vragen en opmerkingen concentreerden zich vooral hierom, dat men van mij dan wel graag eens wou hooren, op grond van wat voor voorschrift ik met de kerken den sabbat op zij schoof; en den eersten dag der week tot mijn rustdag maakte.

Ja, 't was nog niet zóó gemakkelijk! De meeste mijner tegenstanders zaten echt op hun stokpaardje; en dat rijdt makkelijk. Ze hadden meer met dat bijltje gehakt. Ze kwamen zakelijk, en schijnbaar schriftuurlijk, voor den dag; al maakte een enkele soms ook wonderlijke luchtsprongen bij zijn tekstverklaring.

In den breede weergeven, wat ik alles geantwoord heb, is mij onmogelijk; alleen al om deze reden, dat ik er geen aanteekening van gehouden heb. Maar iets ervan moge hier volgen.

Ik verwonder mij, zoo heb ik tot mijn Sabbat-lieveilde vrienden gezegd, dat gij zoo met hand en tand vasthoudt aan de letter der wet, zoodat gij er een levenskwestie van maakt om den Zaterdag te vieren in plaats van den Zondag en u daarvoor allerlei moeite en misschien achterstelling getroost; en dat gij bijv. het Loofhuttenfeest, dat toch ook uitdrukkelijk wordt bevolen in het Oude Testament met zooveel gerustheid laat varen. Van het laatste zegt gij, dat het de ceremoniëele wet is; en die heeft Christus voor u volbracht. Maar wilt gij beweren, dat de zevende dag niet tot den ceremoniëelen eeredienst van het Oude Testament behoort ? Hoe maakt gij het dan toch wel met Paulus' uitspraak aan de Colossensen, die ik bij het begin u al voorlas (Coloss. II : 16): „Dat u dan nie- l mand oordeele in spijs of in drank of in het stuk des feestdags of der nieuwe maan of der sabbaten ?" Maar't is waar ook, gij hebt er vanavond op gehamerd, dat ik een gebod tot Zondagsviering uit het Nieuwe Testament zou aanwijzen. Gij wist wel, dat het er niet is; ik wil dan ook wel volmondig toegeven, dat wij het niet kunnen aanwijzen, zooals in het Oude Testament het sabbatsgebod wel letterlijk voorkomt. Maar dacht gij, dat uw sabbatsviering nu veilig staat1? Ja wanneer Christus niet verschenen was en de gan$che wet voor de zijnen volbracht had. God gaf op. den Sinaï, nadat de zonde ingekomen was, zijne wet. Ook uw vierde gebod: „maar de zevende dag is de dag des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk doen." Zeer zeker! Maar Christus heeft als Plaatsbekleeder van alle wetsovertreders gehoorzaamheid be- I tracht. Dat is ook de reden, dat Hij den sabbat hield en dan met het volk opging naar de synagoge. Doch, toen Hij aan het kruis uitriep „het is volbracht", was het groote offer van lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid beide gebracht. Daarop volgde de Zaterdag, de sabbat, waarop Hij rustte in het graf van Jozef. Die rust was nog vervulling van het vierde gebod. En die vervulling was plaatsbekleedend. Daarvandaan dat wij in en door Christus nu ook staan in de vrijheid. ; De vrijheid, waarmede Christus ons heeft 1 vrijgernUakt. En zouden wij nu opnieuw 1 het juk van den sabbat weer op onze schouders laten leggen ? Ja, wanneer Chrisl tus' werk krachtloos geworden is. Neen,

■ wanneer zijn plaatsvervangend werk op

■ aarde steeds nieuwe waardij bezit. — 5 Dat heeft dan ook Paulus en heel de j Nieuw-Testamentische gemeente beseft.

Een dag van rust heeft de mensch, naar de scheppingsordinantie Gods, noodig. Daarop zijn wij gemaakt. Die wet kunnen we niet straffeloos schenden. En daarom kwam de eerste dag der week, als dè groote dag in Christus' kerk, de opstandingsdag van den Zaligmaker, de geboortedag van Zijn duurgekochte gemeente, in het middelpunt te staan. Dat werd de rustdag. Niet sinds 't een of andere concilie, gelijk mijn Adventistische vrienden beweren. Neen, van de oudste tijden af. De sporen daarvan zijn reeds in het Nieuwe Testament duidelijk aan te wijzen. En wanneer wij nu rusten op den eersten dag der week, is dat niet, om Gods gebod te volbrengen. Dat is de joodsche opvatting, waarvan het Adventisme een goed stuk heeft Overgeërfd. Neen, maar om den Heere onzen dank te brengen in Zijn huis en Zijnen Naam te loven in onze tempelzangen. Daarom doen die Christenen, die op den Zondag leven van het „Raak niet, smaak niet en roer niet aan" en zelfs geen wandelingetje durven te ondernemen, ja misschien wel de gordijnen neerlaten, glad verkeerd. Ze brengen zichzelve weer onder het dwangjuk der wet, in stee van te leven uit de vrijheid van de kinderen Gods. Gij, Adventistische verdedigers van den zevenden dag, gij miskent het verlossende en plaatsbekleedende werk des Heeren Jezus Christus en uzelven benadeelt gij, want in de plaats van het Evangelie stelt gij opnieuw de wet. Maar de wet verlost niet; de wet bindt. Slechts het Evangelie brengt vrijheid, vrede en zaligheid.

Op die manier verdedigde ik mijn stuk. Toen ik uitgesproken had, wou de heer Schmutzler, de voorganger, er nog weer eens het zijne van hebben. Hij wilde dan toch nog wel eens van mij vernemen of God had gerust op den zevenden dag, vóór of na de zonde, 'k Heb hem ten overvloede nog geantwoord. Toen heb ik gesloten. We hebben nog gezongen: Psalm 25: 1. Daarna het dankgebed.

En de menschen gingen ieder weer zijn weegs.

Maar aan de oogen, aan sommiger gezicht kon ik merken, dat er spanning in de lucht gezeten had. Een zuster van het Heilsleger, zoo'n gezellige dikkerd van een 50 jaar, met den Hallelujahoed op het hoofd, een kategorie die anders in mijn samenkomsten niet vertegenwoordigd is; ik bedoel niet van de gezellige dikkerds, maar van de Heilssoldaten met den Halle-

lujahoed, kwam na afloop naar mij toe. Ze moest zich eens even uiten. Ja, ze had het woord wel willen nemen en 't hare ook eens zeggen van de vrijheid van een Christenmensch. Maar ze was dan toch blij, dat ik 't daarover ook gehad had. Dat was dus een waardige tegenhanger van onzen Adventistischen vriend, die op het eind zei, dat Ds. Bakker hem zóó was tegengevallen. Op die manier weet de Heere God de weegschaal wel in balans te houden.

Daar hebt ge dan een verslag van 'n merkwaardigen wij ka vond. Die er niet bij tegenwoordig waren, kunnen zich nu eenigermate voorstellen, hoe t er toeging. Die er wel waren, kunnen zich 't beeld van dien avond nu weer wat gemakkelijker voor den geest brengen. In elk geval heeft 't deze verdienste, dat ons standpunt tegenover de wettische betoogen van het Sabbatisme, hier nog eens wordt uiteengezet.

We moeten toch óok weten, waarom wij Zondags en niet op Zaterdag rusten. Amsterdam. H. Bakker.

PASTORALE SCHETSEN.

door

J. S. Spencer.

Leerstellingen en een sterfbed.

Kort nadat ik in mijn gemeente bevestigd was, kwam er een familie uit een andere plaats wonen en huurde een bank in de kerk. Man en vrouw brachten hun attestatie mee, en daardoor raakte ik weldra met hen in kennis.

Zij waren nog jong, werkzaam, bemiddeld en wel opgevoed; zij hadden veel van de wereld gezien en het kwam mij voor, dat wij aan den omgang met elkaar veel konden hebben vooral ook daar zij bereid waren om met allerlei gemeentearbeid te helpen.

Weldra merkte ik echter, dat de vrouw niet op haar gemak was. Zij klaagde niet, maakte ook niet veel aanmerking, maar haar gesprekken wezen er toch op dat zij ontevreden was. Of ze ontevreden was over mij dan wel over de gemeente, kon ik niet uitmaken. Zij was opgegroeid in een ander kerkgenootschap en daarom meende ik, dat zij zich onder ons niet volkomen thuis gevoelde. Evenwel bracht dit geen verandering in mijn gevoelens voor haar, en ik dacht ook, dat het niet verstandig was haar iets te laten merken, integendeel

nam ik mij voor des te vriendelijker jegens haar te zijn en daardoor haar ontevredenheid te doen verdwijnen. Zij had nooit over het eene noodige gesproken met mij, en als ik er over begon, vreesde ik, dat zij in haar vooroordeel zou worden gestijfd, dus roerde ik voorloopig dat onderwerp niet aan.

Hoe langer hoe meer merkte ik, dat haar ontevredenheid mijn persoon gold, maar het lukte mij niet te ontdekken, wat zij tegen mij had. Of het mijn persoon of mijn arbeid of wel die beide gold, ik kon er niets van zeggen. Maar daar zij niet sprak over haar gevoelens jegens mij, liet ik ook niets blijken.

Na een jaar of drie meende ik de reden van haar ontevredenheid te kennen- Zij hield niet van een en ander in mijn preeken, om de waarheid te zeggen, er was al zeer weinig in dat haar beviel; het was te merken nu en dan, als ze in de kerk zat, en in mijn gesprekken met haar, als zij zei, dat sommige preeken veel nut konden doen, maar dat andere minder geschikt waren, merkte ik, dat zij het meerendeel van mijn preeken afkeurde. Zij hield niet van „leerstellige" preeken, zooals zij ze noemde. Onderwerpen zooals: de zondigheid van den mensch, rechtvaardiging door het geloof, wedergeboorte door den H. Geest, de rechtvaardigheid Gods, met deze leerstukken was zij het volstrekt niet eens.

Ik verontschuldigde haar daarmee, dat zij in een ander genootschap was groot gebracht vooral ook daar ik zelf wist hoe sterk wij zijn gehecht aan wat ons in onze kindschheid is geleerd, maar, daar zij zich nooit bepaald had uitgesproken over mijn preeken, kon ik niet anders doen dan mij op den Bijbel beroepen en aantoonen, dat ik in mijn preeken niet meer waarde hechtte aan leerstellingen dan de bijbelschrijvers deden; ook bracht ik haar onder 't oog, dat juist zulke onderwerpen tot het menschelijk hart spraken en den grondslag legden voor de werking van den H. Geest.

Door haar gedrag en gesprekken merkte ik na eenigen tijd, dat haar godsdienstige gevoelens wat veranderden. Vooral haar vragen over de „bevindelijke godsdienst" overtuigden mij daarvan. Zij werd meer met mij bevriend, niet slechts als mensch, maar ook als leeraar, en ik hoorde, dat zij ook haar kennissen aanraadde bij mij ter kerk te gaan en te luisteren zóó dat zij elk woord verstonden.

Deze verhouding tegenover mij bleef onveranderd, haar ontevredenheid was verdwenen en zij toonde, dat zij een blijmoedige christin was, voor wie de leerstellingen, waarvan zij vroeger afkeei'ig was nu tot vreugde waren.

(Wordt vervolgd).