is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 40, 1927-1928, no 2062, 12-04-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier heb ik dus te doen met wat men noemt een gemeente-mentaliteit. Het is een zekere blijde gezindheid: wij behoeven bij ons niets te doen voor de kerk!

Of men daarover dan niet blij mag zijn ? Net zoo u 't nemen wil!

Op geen punt is 'n aardbewoner zoo gevoelig als op 't stuk van 't geld-offer. Regel is, dat men liefst zoo weinig mogelijk uitgeeft. En die regel past men dan ook maar toe op de kerk.

En ik durf niet zeggen, dat dat in orde is. Een voorbeeld: er zijn gemeenten, waar het diaconie-bezit zoo groot is, dat er voor de armen niet gecollecteerd behoeft te worden en waar men zulks dan ook maar laat.

En nu zit ik met het woord van Jezus in mijn maag: ,,de armen hebt gij altijd met u!" Als de gemeente samenkomt en er geen collecte voor de armen is, dan meen ik, dat er iets ontbreekt.

Jezus toch heeft niet bedoeld de verzorging der armen aan de dooden met hun erflatingen over te laten, maar Hij heeft bedoeld, dat zulks steeds de plicht der levenden zou blijven!

En zoo zie ik het precies zoo inzake kerkbezit. In die rijke gemeenten mis ik het altaar, of, om het Nieuwtestamentisch te zeggen, de schatkist, waarbij Jezus nog altijd zit om te zien naar de offergaven, die in die schatkist geworpen worden.

Een gemeente, die niet leert geven mist iets, wat juist haar Christelijke roeping meebrengt.

Het offer van Christus heeft wel met één offerande alles volbracht, maar met onze Heidelbergsche Catechismus belijdt elk oprecht Christen toch ook, dat heel het leven een levend dankoffer moet zijn. En nu brengt juist het „niets betalen voor de kerk" mee, dat de gelegenheid om te offeren voor de kerk den Christenen benomen wordt.

En ik beweer, dat zoo iets schade is voor het christelijk en gemeentelijk leven. En dat dit niet onwaar is, moge blijken uit de toon, waarop men zegt, wij behoeven niets voor de kerk te betalen. Niet zelden zegt men zulks met een zekere trots, alsof men een heel groot voorrecht bezat, waarnaar men in arme gemeenten mag kijken!

En nu mag ik niet generaliseeren of plat gezegd: alles over één kam scheren; ik zou dan vele goeden schromelijk onrecht doen. (Over hen heb ik 't dan ook niet!) U zult mij toestemmen als men met een zekere verheuging zegt: „Wij betalen niets voor de kerk", dan ligt er in dat lachen iets dat pijn doet. En wel dit pijnlijke, dat men blij is, niet bij het altaar der kerk te behoeven te verschijnen om naar eisch van Christus zijn offer te brengen!

Christus toch stelt de eisch van het altaar aan alle levende leden van zijn kerk.

En kunnen anderen, levenden of dooden niet voor ons of in onze plaats in Christus gelooven, dan kunnen anderen ook niet voor ons de plaats der dankbaarheid bij het altaar innemen. En zoolang Jezus de betalende weduwe prijst, mogen de nietbetalers aan de kerk niet rekenen op zijn goedkeuring.

Ik hoop dat u dit met mij eens is!

Met vriendelijke groet,

t.t. Insider.

VRAGENBUS.

Spelen in de loterij.

De heer E. W. te S. vraagt: Is de loterij (om geld of goederen) geoorloofd volgens Gods Woord ? Ik hoop zeer, dat u dat zult veroordeelen; ook de verlotingen op de Bazars voor nuttige doeleinden.

Antwoord. Daar is iets in deze vraag, dat ons wel aanstaat; ook iets, dat ons niet aanstaat. Om bij het laatste te beginnen: er is in deze vraag iets, dat ons voorkomt als wettisch. Vele Christenmenschen houden van een lijstje van dingen uit het dagelijksch leven, die wel geoorloofd, altijd en onder alle omstandigheden geoorloofd zijn en van een lijstje van anderen dingen, die niet geoorloofd, nooit en onder geen enkele omstandigheid geoorloofd zijn. Die beide lijstjes kan men dan in zijn portefeuille steken, om ze bij voorkomende gelegenheid te raadplegen, of men kan ze tot dat doel uit het hoofd leeren. En dan weet men altijd precies wat men doen moet om over zichzelf tevreden te zijn en zich voor een goed Christen te kunnen houden, en men heeft dan tevens een toetssteen, waarnaar men onfeilbaar zeker het gehalte van het Christendom van zijn naaste kan beoordeelen. Daar heeft men dan bv. het onderwerp — loten of verloten of in de loterij spelen. Men zegt in zekeren kring vrij algemeen: ongeoorloofd. Goed, ongeoorloofd zal het wezen! Wat dan eigenlijk het kwade is, dat er in schuilt of kan schuilen, daarvan geeft men

zich geen rekenschap, maar men stelt vast: ongeoorloofd is het! en dat is dan genoeg om zichzelf ervan te onthouden en die onthouding recht Christelijk te vinden en om die er zich niet van onthouden, als recht onchristelijk te veroordeelen.

Dat is nu echter o.i. niet overeenkomstig den Bijbel.

De Bijbel leert ons, dat God de Heere geheel anders oordeelt.

Want immers: „de mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het hart aan."

En dus: heel wat van hetgeen de menschen toestaan als geoorloofd is zonde voor Hem, en heel wat van hetgeen de menschen veroordeelen is in Zijn oogen geoorloofd en Hem welgevallig.

Of heeft niet David gegeten van de toonbrooden, die 't niemand geoorloofd was te eten dan den priesteren alleen? En heeft hij daarmee, hoewel hij voor velen gold als een dader van ongeoorloofde dingen, niet uit het geloof gehandeld?

En heeft de Heere Jezus niet tot ergernis van de Parizeeën herhaaldelijk z.g. de Sabbath geschonden, en was niettemin hij 't niet, die naar waarheid kon zeggen: ik ben niet gekomen om de Wet te ontbinden, maafom die te vervullen?

Dus: wij doen er niet aan mee, om onnadenkend het lied van anderen eenvoudig na te zingen en te zeggen: ze beweren allen, dat loten zonde is; dus nu is 't ook zoo.

Neen; wij willen vrij blijven om deze zaak zelfstandig (hoewel naar Gods Woord) te beoordeelen.

En dan zien wij, dat op zichzelf in loten en het lot werpen niets verkeerds is gelegen. Want de apostelen b.v. hebben, toen zij niet wisten wie van het gestelde tweetal de aangewezene en geschiktste was voor het apostelambt, over deze zaak het lot geworpen en door het lot de zaak laten beslissen. En uit alles kunnen wij opmaken, dat de Bij bel ons dit gedrag van de apostelen niet als iets verkeerds, maar als iets goeds wil voorstellen.

Mogen wij op grond daarvan nu vaststellen, dat 't dus goed en raadzaam is om bij alle voorkomende moeilijkheden maar niet na te denken, doch veel liever eenvoudig door het lot de zaak te laten uitmaken ?

Neen, waarlijk niet! Gesteld, dat iemand geroepen werd uit twee wegen, die voor hem open lagen, één te kiezen, maar uit traagheid om na te denken, of omdat hij den weg, waarvan hij innerlijk overtuigd was, dat 't de rechte was, toch eigenlijk niet opwilde, ging hij nu maar loten, in de hoop, dat het lot hem den aangenameren weg zou wijzen, dan was dat niet een loten (zooals bij de apostelen) om den wil des Heeren te mogen doen, maar veeleer om naar den wil des Heeren niet t# vragen of, erger, om eigen wil te doen en om aan den wil des Heeren te ontkomen.

Wij zien hier, hoe nauw het in het leven luistert.

Hoeveel kwaad wij kunnen doen, hoewel wij spreken van „Heere, Heere" en uiterlijk in den plooi blijven.

En ook: hoe weinig het aangaat om een lijstje te maken van dingen, waarmee men altoos goed doet en van dingen, waarmee men altoos kwaad doet.

Wij mogen dus niet zeggen: onder geen conditie mag een goed Christen van de loterij gebruik maken en wie aan alle loterij weigert mee te doen, die handelt daarmede recht-Christelijk.

Niettemin willen wij wel erkennen, dat de loterij en het deelnemen daaraan in vele gevallen beslist is af te keuren, omdat het doen daaraan dan voortkomt uit onzuivere beweegredenen en dus neerkomt op een met het hart en met de daad overtreden van Gods geboden.

Wat is dan de eigenlijke hartezonde van de meesten, die gewoon zijn in de loterij te spelen ?

1. ontevredenheid over hun lot en staat. Zij zouden in een oogenblik rijk willen worden en zijn er niet mee tevreden, dat God hen niet rijk heeft gemaakt;

2. eigenwilligheid. God de Heere zegt: „wie niet werkt zal ook niet eten" en „de hand des vlijtigen zal gezegend worden"; maar die weg is veel te moeilijk en veel te lang. Zij willen zonder werken in een oogenblik hetzelfde bereiken. En daarom gaan ze in de loterij spelen of iets dergelijks doen.

3. God verzoeken. Op hoop van met één slag rijk te worden, verloten zij of verspeculeeren zij dat goede geld, dat God hun had gegeven. Zij doen wat Satan den Heere Jezus aanried: zet alles maar op het spel en spring maar van boven naar beneden; God moet dan maar zorgen, dat gij den hals niet breekt, maar er goed en nog met voordeel afkomt.

Wij gevoelen: dat en zooveel meer kan het kwaad zijn, dat schuilt achter het spelen in de loterij; en meestal schuilt het er (naar wij gelooven) inderdaad ook achter.

Daarom kunnen wij het spelen in de

loterij niet aanraden; evenmin het oprichten van gelegenheden om dat te doen.

Maar zijn zulke beweegredenen verkeerd, het loten op zichzelf is dit niet, gelijk wij .zagen.

En dus: als die beweegredenen geheel ontbreken, dan gaat het niet aan om te zeggen: loten is loten, en hoe en op wat manier en met wat bedoeling 't ook geschiedt, ongeoorloofd is 't en dat zal het altoos blijven.

Neen, dat is nu weer een wettische doordraverij en een meer gewicht hechten aan de uiterlijke daad dan aan de innerlijke gezindheid.

* Neem dus bv. het geval: er moet een nieuwe Kerk worden gebouwd, en een dame kleedt een pop aan of borduurt een kussen en geeft dat voorwerp ten geschenke, om het ten voordeele van die kerk te verloten. En gesteld een lid der Kerk koopt voor een gulden of een rijksdaalder een lot en trekt die pop of dat kussen, óf trekt ze niet.

Gaat 't nu waarlijk aan om te zeggen: hierachter schuilt bij dien mensch, die de pop trekt of niet trekt booze begeerlijkheid, want 't was hem enkel om de pop of het kussen te doen, en ook luiheid en een verzoeken van God, want hij gooit zijn kostelijken rijksdaalder weg, in de hoop, dat hij in dien weg kapitalist zal worden ?

Immers, niets van dit alles!

Laat ons dan ook niet generaliseeren en bedenken, dat wie dezelfde dingen doen nog niet dezelfde drijfveeren hebben, en dat de mensch wel aanziet wat voor oogen is, maar de Heere ziet het hart aan.

C. A. L.

GOUDEN APPELEN OP ZILVEREN SCHALEN.

Een koninklijk paleis is nog te gering voor iemand die voor zichzelf leeft; daarentegen is een klein huisje heerlijk en groot genoeg voor een mensch, die voor den Heere leeft.

G. Tersteegen.

In het atelier van Italië's grootsten schilder bevond zich geregeld een verfbereider, die treffend blijken gaf van groot kunstenaarstalent. Zeker vijand van den meester klampte dezen man aan en drong er bij hem op aan, om zelf een school op te richten, waarbij hij hem de eer en vriend schap van vorsten en wereldgrooten voor spiegelde. Het antwoord van den jongen man was: „Ik heb volstrekt geen idee om een school op te richten of in een paleis te gaan wonen; mijn begeerte is. dat ik Raphaël's geest in mij moge opnemen en zijn idealen in mijzelf ver werkelijke."

Die eenvoudige gedachte kenmerkt in een enkel woord den raad van het Christeiijk leven. Het is de toeleg, om tot de hoogte van de gedachten van Christus te mogen geraken, Zijne liefde voor arme zondaren te gevoelen, het kwade te haten gelijk Hij, naar de gerechtigheid te hongeren gelijk Hij. en met onzen verzoenden God en Vader als kinderen te wandelen gelijk Hij met Zijnen Vader. Die mensch ls een Christen, die in gedachten, gevoelens, voornemens en idealen aan Christus zoekt gelijkvormig te worden.

Christian Herald. V. O. G.

CONFESSIONEELE VEREENIGING. Prov. Commissie voor „Zuid-Holland".

L. S.,

Sedert mijne verantwoording in de Geref. Kerk d.d. 23 Februari j.1. werden door mij tot en met 31 Maart j.1., in hartelijken dank, de navolgende giften ontvangen:

Ds. J. de W. te V. (uit Kas voor inw. zending) f 10,—; J. A. S. te O., opbrengst spreekbeurten, f 40,— ; P. F. van N. te B. f2,—; Afrekening af deeling Loosduinen f 26,56; T. A. G. te H. f 2,50; Ds. G. E. te 's-G. f 6,—; T. H. te B. f 1,—; Afrekening af deeling 'sGravenzande f 34,—; H. S. J. v. d. P. te D. f 2,50; N. N. te U. f 100,— ; Diaconie N. H. Gem. te Z. f 20,— ; Mej. H. D. te O. f 2,50; Afrekening afdeeling Delfshaven f25.—; J. A. S. te O. opbrengst restant van zijn Schapenfonds f 39,— (ter navolging!), en opbrengst collecte spreekbeurt te P. f 10,—; Afrekening afdeeling Hellevoetsluis f 23,19; M. A. R. te V. (Vereen. Uit- en Inw. zending) f 5,—; Jac. de J. te L. f 1 —; W. K. H. te L. f 2,— ; J. W. B. te L. f 1,—; J. v. D. te L. f 0,50; Afrekening afdeeling Berkel en Rodenrijs f 27,—; S. T. te K. f 40,—; Ned. Herv. Gem. te N. (uit collecte Inw. Zending) f 10,—; Kerkeraad Ned. Herv. Gem. te L. (voor Inw. zending te V. en P.) f 15,—; C. J. v. d. B. te B. f 2,— ; Ds. A. van G. te 's-Gr. f 2,50 (hartelijk dank voor uwe jaarlijksche toe¬

zegging); J. A. S. te O. opbrengst collecten diverse spreekbeurten f 54,25; Afrekening afdeeling Woerden f 29,—; Diverse giften door den „Woerdenschen Visscher" f 17,21; Afdeeling Berkel en Rodenrijs, 2 maandelijksche opbrengst van verzamelde weekbijdragen f 22.92. (Het zij mij vergund op deze wijze van verzameling van giften de aandacht der overige afdeelingen en der P. C. te vestigen); Kerkcollecte Pijnacker, bij gelegenheid van een predikbeurt op 5 Pebr. '28 door Ds. S. f 76,30; mijn bijzonderen dank; voor het nieuwe lokaal te Oostvoorne gift openb. godsdienstoef. te B. f 2,50; gift van N. v. d. S. te B. f 2,50; gift van Mej. B. te B. f 2,50; (onder hartelijken dank en ter verdere aanbeveling, ook voor de overige afdeelingen!) — Bijdrage uit de kas der 3-maandelijksche collecten te B. f25,—, (een bewijs van hartelijk medeleven dier afdeeling!); Afrekening afdeeling Oostvoorne f 8,89; Afrekening afdeeling Scheveningen f 215,95; Extra gecollecteerd op de samenkomsten te Scheveningen f 100,— (ook hierbij zij een woord van warmen dank voor zooveel bewijzen van sympathie voor de goede zaak op haar plaats!); opbrengst collecte te HiUigersberg tijdens godsdienstoefening op 18 Maart door Ds. S f 59.05; (Prachtig resultaat).

En hiermede besluit ik de reeks mijner ontvangen giften. Zooals ik in den aanvang vermeldde „onder hartelijken dank", doch en ik hoop dat niemand mijner vrienden en vriendinnen het mij ten kwade zal duiden, „dankbaar, doch niet voldaan!"

Immers in mijne vorige verantwoording stelde ik de vraag: „Wie helpt ons daartoe" ? met het oog op het eigen lokaal te Oostvoorne, dat dringend noodzakelijk is! Weinig giften mocht ik daarvoor ontvangen en het stemt het Bestuur onzer Vereeniging, alsmede schrijver dezes, pessimistisch dit te moeten vermelden. Doch wij zijn ervan overtuigd, dat een volgende maal een juichtoon kan en zal worden gehoord, 't Is de zaak, dat de lezers onzer G. K. alsmede de leden der verschillende afdeelingen der P. C. dit waarschijnlijk nog niet voldoende wisten, althans, zoo zij met onze plannen bekend waren er nog te weinig aandacht aan hebben geschonken. Dus beste vrienden en voorstanders van het Evangelisatiewerk, op „Voorne en Putten", draagt nu allen eens „een steentje" bij voor het „Eigen lokaal". Wanneer nu eens allen b.v. f 0.25 of f 0.50 op mijne postrekening bijschreven of stortten, wat zou dat bij een groot aantal, een financieel resultaat opleveren! Het is toch een algemeen bekend feit, dat „vele kleintjes een groote maken!" Laten ook onze Vrienden dit nu eens toonen, opdat Uw penningmeester nu eens niet zoo vreeselijk behoeft te zitten zuchten, op welke wijze hij aan het geld moet komen om de verplichtingen, die vele zijn, te kunnen nakomen! 't Geldt hier toch een zaak van het hoogste belang. Dat wij dit toch allen mogen verstaan. En nu ga ik rustig de toekomst tegemoet, ervan overtuigd zijnde dat gij allen zult en ruilt helpen. Het lokaal moet en zal er komen, daarvan zijt gij allen overtuigd. Helpt ons daartoe. Dat is ons aller wensch! En nu niet getalmd, doch de daad bij het woord gevoegd!

Onder dringende aanbeveling en ervan overtuigd zijnde dat gij aan dezen oproep allen gehoor zult geven, verblijf ik, inmiddels met de meeste hoogachting, U Gode bevelende,

De Penningmeester der Prov.

Comm. voor Zuid-Holland,

Schouten.

Het nummer mijner Girorekening is 133590. Ook postwissels zijn natuurlijk welkom. (Ik meende goed te doen hierop Uwe welwillende aandacht nog even te mogen vestigen.)

Rijswijkscheweg 488.

P. S. Van enkele afdeelingen, hoewel door mij in de G. K., alsmede bij afzonderlijk schrijven hierop geattendeerd, mocht ik tot op heden nog geen afrekening over 1927 ontvangen. Ik reken er nu stellig op, dat zulks spoedig althans vóór 1 Mei a.s. geschieden zal!!

KERKNIEUWS.

Ned. Herv. Kerk.

Beroepen te: St. Annaland: P. Kruyt te Oudemirdum; Sneek (vac. W. Banning): Dr. H. de Vos te Rottevalle; Roermond: J. B. Netelenbos te Heinkenszand (Z.); 's-Gravemoer (toez.): A. van Willigen te Woudrichem; Losdorp: A. Dijkstra te Saaxum; Kage (toez.): H. C. Touw, cand. te Utrecht; St:*Maartensdijk : I. Kievit te Baarn; Tholen (2e pred. plaats): E. J. H. v. Leeuwen te Arnhem. Emmen: J. v. Dorp te Enschedé.

Aangenomen naar: Charlois (Rotterdam):