is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 40, 1927-1928, no 2079, 09-08-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorgaans een taaie levenskracht. Zij blijven hangen in 't geheugen der menschen veel onuitroeibaarder dan echte, natuurgetrouwe beeltenissen. Juist omdat er in de karikatuur iets zit van aandikking van één bepaalde lijn,.... zóó dat het komisch effect verwacht kan worden.

Van karikatuur-teekeningen op het gebied der kerkelijke richtingen geldt ongetwijfeld hetzelfde. Wie ze eenmaal gezien heeft, vergeet ze niet licht, maar geeft ze met zeker welgevallen door.

Op het terrein van het Hervormdkerkelijk leven zijn „de Confessioneelen" tegenwoordig het meest algemeen het slachtoffer van karikatuur-teekening. Ik zeg dat zonder daarmee te bedoelen, de confessioneelen in beklag te brengen van wege zulk een pijnlijke bejegening, van verschillende zijden ondervonden. Ik zeg dat echter ook zonder het welbehagen van één, die zich min of meer verkneutert in de karikatuurteekeningen van de eigen groep, en een gebundelde uitgave er van wel zou willen bevorderen met een eigenhandig geschreven voorwoord er bij, in den stijl van wat niemand minder dan .Dr. A. Kuyper eenmaal gaf.

Men heeft op ons kerkelijk erf meermalen, en terecht, van opschuiving naar rechts gesproken. Terwijl la Saussaye Sr. in zijn dagen telkens over miskenning klagen moest en van een neiging bij de officiëele theologische wetenschap gewaagde, om hem dood te zwijgen als een orthodoxen duisterling ondanks zijn cultuuraspiraties, kunnen in den tegenwoordigen tijd confessioneele theologén niet zelden met reden klagen over miskenning door de in haar wetenschappelijkheid officiéél gepatenteerde en aan de Rijks-Universiteiten den doorslag gevende theologie. In la Saussaye's dagen was de officiëele theologische wetenschap de Groninger godgeleerdheid en het veler religieuze denken stormenderhand veroverende moderne „systeem" van Prof. Scholten, —• en daartegenover stond la Saussaye aanvankelijk als de eenling, van wiens theólogie karikatuur-voorstellingen overvloedig de ronde deden. Krachtens de

wet van de opschuiving naar rechts is heden ten dage de officiëele theologische wetenschap ;n Nederland de ethische theologie geworden, en .... de confessioneele theologen zien zich niet zelden het karikatuurmasker, dat la Saussaye voorheen in eenzaamheid onder de wetenschappelijke theologen zijns tiids droeg, toegewezen ....

Kan het wel verwondering baren, dat onder die omstandigheden het eerherstel van z.g. „confessioneele" idealen en theologische uitzichten thans dubbel moeilijk is ? Ik vlei mij dan ook niet, in deze artikelen-reeks den Kerknieuws-redacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant of den Hoofdredacteur van het veelgelezen Weekblad voor Christendom en Cultuur tot de overtuiging te zullen brengen, dat zij het confessionalisme toeh niet goed beoordeeld hebben tot dusver....

Het hoogste, wat ik mogelijk zal kunnen bereiken, zal wel dit wezen, dat men na lezing van deze artikelen van mij verklaart, dat ik met mijn idealistische beschouwingen over kerkelijke gebondenheid en persoonlijke vryheid niet echt confessioneel ben!

Toch is met dit alles de voornaamste reden nog niet aangeduid, waarom het eerherstel van confessioneele idealen in onze dagen zoo buitengewoon moeilijk is. Ik gaf in mijn stelling nog een tweede oorzaak aan: nl. dat het vraagstuk van gebondenheiden vrijheidons voorgeworpen wordt van uit de verwardheid van het 19e eeuwsche kerkelijk leven in Nederland. Het vraagstuk, in ons onderwerp vervat, krijgt aanvankelijk pas kleur voor ons op een bepaalden historischen achtergrond, en dat is de achtergrond van een mensch-verheerlijkende beschaving, die er van de tweede helft van de 18e eeuw af aan onafgebroken op uit was, om wat levend één was te versplinteren en naar één patroon stuk te knippen in de menschelijke samenleving, waarbij de vrije, enkele mensch als het eenige organisch-levende grond-element van die samenleving overbleef.

Van den kant eener humanistische cultuur wordt ons dus onmiskenbaar in de 19e eeuw in Nederland het probleem van kerkelijke gebondenheid en persoonlijke vrijheid toegeworpen.

Het is een illusie te meenen, dat de span¬

ning tusschen gebondenheid en vrijheid historisch met het Christendom zelf gegeven is, omdat het Christendom toch immers de godsdienst van de door Christus vrijgemaakte persoonlijkheid is.

Het is evenzeer een illusie, dat de benauwende vraag van gebondenheid en vrijheid in het godsdienstige met de Hervorming der 16e eeuw voor 't eerst echt brandend zou zijn geworden, omdat de Hervorming toch immers zoo radikaal den eisch der gewetensvrijheid stelde.. ..

Noch in de eerste eeuwen na Christus, noch in de 16e en 17e eeuw tobt de uit de Christelijke kerk zelve en uit den eigen reformatorischen geest geboren theologie met dit probleem van gebondenheid en vrijheid.

Slechts de Grieksche menschverheerlijkende beschaving, en straks Renaissance en Humanisme schuiven het probleem voorzichtig en listig naar voren, totdat in de tweede helft van de 18e eeuw de „Verlichting" alles overstroomt,ook het kerkelijk erf. En dan gaan de theologen echt pas worstelen met het vraagstuk, hoe de vrije, onafhankelijke mensch zich godsdienstig zal kunnen voegen in het dogmatisch gareel van een kerkelijke gemeenschap. Vergeten wij eindelijk ook niet, dat die humanistische beschaving reeds tot op aanzienlijke hoogte in ons kerkelijk leven ontbindend gewerkt had, toen na de invoering van de nieuwe proponentsformule in 1816 de gedachtenwisselingen over gebondenheid en vrijheid elkander in steeds sneller tempo gingen opvolgen in Nederland.

Dubbel moeilijk wordt door deze omstandigheid het eerherstel van de „confessioneele" idealen ongetwijfeld, in zooverre het probleem, waarover het kerk-idealisme van het Geref. Protestantisme licht zal moeten doen vallen, aanvankelijk op ons aangolft van een kant, waar het licht van Gods openbaring maar heel moeilijk doordringen kan, omdat het tot de hoofdbemoeiing van een beschaving, waarbij de mensch in zijn van nature heerlijke vrije geboorte in het middelpunt staat, behooren moet, om naar Boven allen directen inval van 't licht van Gods openbaring te betimmeren .

Een volgend maal wil ik dit gaarne nog nader verduidelijken.

Gron. Haitjema.

EEN AFSCHEIDSWOORD VAN Dr. A. TROELSTRA.

Juist hadden we Dr. Troelstra met eenige andere predikanten verzocht om een stichtelijk voorstuk voor ons blad, toen we zeer werden getroffen door een artikel onder bovenstaand opschrift in de Nederlander van 28 Juli.

Aan alles, waartoe hij geroepen werd gaf Dr. Troelstra zich vol nauwgezette liefdevolle toewijding. Ook onder ons wordt hij deswege hoogelijk gewaardeerd. Met zijn vele gaven van verstand en hart en zijn degelijke wetenschappelijke kennis heeft hij ook onze vereeniging in ons blad gesteund. Zijne doorwrochte voordrachten aan de

Leidsche Hoogeschool namens de vereeniging voor bijzondere leerstoelen blijven bij wie ze volgden in dankbare herinnering.

Voor alles was hij echter leeraar en pastor zijner gemeente. Wat er bij zijn smartelijk heengaan uit haar midden omgaat in zijn binnenste heeft hij in zijnafscheidswoordzoo fijngevoeld tot uitdrukking gebracht en we zien hierin den schrijver naar „den inwendigen mensch" zoo duidelijk voor ons staan, dat we niet kunnen nalaten't hier over te nemen, 't Neemt al vast de plaats in van een stichtelijk voorstuk van zijn hand, hoewel we nog blijven hopen op een ander later. Van harte bidden wij hem daarbij toe, dat de Heere hem met zijn bijzonderen zegen in dezen moeilijken weg troostend en sterkend nabij zij.

Hier volgt het bedoelde artikel:

Nu het hem niet gegeven is van den kansel afscheid te preeken, heeft dr. A. Troelstra, de welbekende Haagsche predikant — die inmiddels reeds naar Huis ter Heide vertrokken is, een afscheidswoord af doen drukken in de Haagsche Kerkbode, een afscheidswoord, waarboven geschreven staan de ontroerende woorden: (Job 13 : 15 en Psalm 23 : 4), „Zoo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?" en „Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij."

Ds. Troelstra richt zich, vóór zijn verhuizing, vanuit zijn (altoos zoo gastvrije) studeerkamer, met de groote boekenkasten rondom, nog eenmaal tot de Haagsche gemeente:

Boven mijn schrijftafel hangt sinds 1907 het woord dat ik van de Utrechtsche gemeente ontving, nadat ik als van den rand des grafs weer tot het leven was teruggekeerd,het bekende woord uit Psalm 23 : „Al ging ik ook in een dal derschaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij." En al valt het in het heden soms moeilijk, om met volle zekerheid te zeggen: Ja, Gij zijt met mij, onder alles met mij, niet tegen mij" — als ik denk, dat aan de 21 jaren, die na dien bangen tijd verloopen zijn, aan al de jaren mijner ambtsbediening, aan heel mijn leven, dan moet ik getuigen: Ja, de Heere is boven bidden en denken, en verder boven hetgeen ik verdiende, met mij geweest.

Ds. Troelstra schrijft geen afscheidspreek. Wellicht zal hij later nog een enkele maal in de Haagsche Gemeente het Evangelie mogen verkondigen

En ik wil het schrijven van dit woord ook daarom niet uitstellen, omdat ik nu nog zitten kan op dezelfde plek, waar ik zoo menigmaal mijn preek heb overdacht, en waar het mij zoo vaak was, alsof ik, al schrijvende, U zag en tot U sprak.

Dit woord valt mij niet gemakkelijk, omdat ik onwillekeurig veel over mij zelf moet zeggen,

en omdat ik toch de kleine dingen niet groot wil zien, en de groote niet klein. Dat ik mijn ambt reeds nu moet vaarwel zeggen, is ten slotte maar een heel klein ding; maar dat God regeert met majesteit, dat al Zijn doen heerlijkheid is, dat is groot

De schrijver gedenkt in groote dankbaarheid allen, die meegearbeid hebben „niet om mijnentwille, maar om 's Heeren wil", eerst in Wijk I, later in Wijk XIV.

In de dankbaarheid mengt zich telkens weer het droeve besef, dat al mijn werk zoo plotseling is afgesneden, afgeknapt en dat ik de snaren niet meer kan spannen. In deze drukke dagen van opbreken, uitzoeken, inpakken en alles wat verder bij een verhuizing hoort, merk ik het dagelijks, hoezeer er 'n grens is aan mijn kunnen, en hoe spoedig ik die grens bereikt heb. Maar dan weet ik ook weer, dat Gods kracht in zwakheid volbracht wordt, en dat Zijn genade genoeg is.

En ik bid, dat Hij aan mijn gebroken speeltuig nu en dan nog een toon wil ontlokken tot roem van Zijn onvolprezen Naam.

Even later volgt deze ontroerende passage:

In mijn prediking heb ik meer dan eens de woorden van een dichter aangehaald:

Al zinkt mijn schip, het zinkt naar [nieuwe zeeën.

O broeders en zusters, hoezeer hebben wij in deze tijden, die ons eerst haast verbijsterden, de heerlijke waarheid van dat dichterwoord verstaan, althans eenigszins leeren begrijpen. Ja, wij hebben nieuwe zeeën bevaren, en daar heeft God ons gebracht door ons — zooals wij het zagen — te laten zinken. Wij hebben nieuwe heerlijkheden gezien

De schrijver gewaagt van de voorrechten, die hij boven anderen heeft:

Toen er sprake was van 't nemen van emeritaat, troostten sommigen mij met te zeggen: Ge kunt nog met Uw pen werken! Ik dacht toen in mijn vermoeidheid en verslagenheid, dat daarvan niet veel zou komen. Nu echter dank ik God, dat ik op die wijze wellicht nog iets zal mogen doen.

De scheidende predikant wijst er op, dat het gebed geestelijke banden legt, en vervolgt:

Ja, daar is een geestelijke band, die nimmer verbroken wordt, door geen afstand, door geen tijd, door geen dood. Als ik mij daarin verdiep, dan kan ik weer even heel blij wezen, en dan

ben ik ervan verzekerd, dat Gods barmhartigheid mijn vrouw en mij, als Hij ons spaart, nog veel

vreugde zal schenken, vreugde niet alleen na,

maar ook heilige vreugde om deze donkerheid, die toch eenmaal zal blijken een teeken geweest te zijn, dat Hij met ons was, al waanden wij Hem verre. Iets van die vreugde hebben wij bij oogenblikken reeds gesmaakt, anders zou ik niet hierboven dat woord hebben kunnen plaatsen: Zoo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?

Even zien wij ds. Troelstra wel heel dicht bij, als wij van hem lezen:

Als ik in deze maanden wel eens, gedrukt en vermoeid, op een bank zat te rusten, en de drijvende wolken gadesloeg, trachtte ik in den geest tot Hem te naderen,

die wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en baan,

en ook den weg zal vinden,

waarlangs mijn voet kan gaan.

Maar dan voelde ik zoo duidelijk, dat dat alles pas diep en heerlijk en zeker wordt, wanneer wij dien grooten God tot ons zien komen in Zijn eeniggeboren Zoon, wanneer Hij in Jezus Christus vlak bij ons, naast ons staat

Wij mogen besluiten met ds. Troelstra's bede voor de gemeente:

Maar, al is mijn hart vol, ik moet dit woord beëindigen. Ik neem afscheid van U met de oprechte bede, die in deze maanden geen dag van mijn lippen is geweken, en die daarvan ook in de toekomst nimmer wijken moge, dat God U, geliefde gemeente, met Uw voorgangers, met allen, die in Uw midden arbeiden op welke eenvoudige wijze dan ook, rijk moge zegenen. Hij houde U in stand, Hij doe U toenemen in kracht, Hij vermeerdere Uw geloof, Hij binde U allen samen door de liefde, die uit Hem is.

GEEN KERKPOLITIEK.

In Kerk en Volk schreef de hoofdredacteur Ds. van Wijhe over kerkpolitiek, en in hetzelfde artikel over „éénheid in Christus" met den ethischen Ds. van Dijk. We spraken de vrees uit, dat dit schrijven over deze eenheid ook wel eens een openbaring van kerkpolitiek kon zijn.

Men zal deze vrees niet geheel onverklaarbaar vinden, als men weet, dat ik in hetzelfde blad juist gelezen had, hoe in de openingsrede van den voorzitter der algemeene vergadering van vrijzinnig hervormden te Groningen gesproken werd van „de stichting van een anti-confessioneele vereeniging, waaruit ten slotte in 1870

de Nederlandsche Protestantenbond ontsproot."

Tevens werd daar gezegd: „Dat de Kerk weer pas gemeenschapsinstituut kon worden, wanneer er de macht der in zichzelf verstarde orthodoxie en hare onderdrukkings methoden gebroken zijn,... wat thans met meer kans op succes dan voorheen wordt beproefd."

Kan ik het helpen, dat ik, hierna het eerstgenoemde stukje lezende, daarbij dacht aan het zoet gefluit van den vogelaar om met Van Dijk ook andere ethischen voor een aldus gekarakteriseerd anticonfessioneel streven te winnen.

Ds. van Wijhe verklaart nu in Kerk en Volk van 28 Juli uitdrukkelijk, dat hij met de „eenheid in Christus" niet een kerkpolitiek spel wil drijven.

Gaarne brengen we deze verklaring op zijn verzoek ter kennis onzer lezers.

Wij zouden er hierbij tevens op willen aandringen, dat ons confessioneel streven in het vrijzinnig orgaan eenigszins billijker werd voorgesteld, dan als een opgaan in „de onderdrukkings methoden eener in zichzelf verstarde orthodoxie".

Wanneer wij het liefst gelooven, dat Ds. v. W. en zijn geestverwanten in hun verklaring omtrent „eenheid in Christus" geheel ter goeder trouw zijn, laten zij dan ook gelooven, dat wij geheel ter goeder trouw zijn, als we zeggen, dat deze eenheid in Christus zich dan ook moet openbaren in een gemeenschappelijk als kerkgemeenschap confessie doen, belijden en prediken van dien Christus, een gemeenschappelijk belijden en prediken van den naam van Jezus Christus als den eenigen naam ter zaligheid onder den hemel den menschen gegeven. En we kunnen waarlijk niet begrijpen, hoe in een dergelijke kerkgemeenschap, dan tevens reglementair plaats kan ingeruimd voor een belijden en prediken, waarin de onmisbaarheid van dezen naam ter zaligheid wordt cmtkend.

Hoe kan ja en neen hier samengaan? We gelooven met Paulus dat 't hier alleen mag zijn: „ja in Hem." En wij moeten blijven staande houden, dat alleen door dit ja, ,,de Kerk weer pas gremeewscikïps-instituut kan worden". Zonder dit gemeenschappelijk: ja, ontbreekt de geestelijk gemeenschap, die voor een kerk onontbeerlijk is.

J. Ch. K.

BIJ HET INGAAN VAN HET EMERITAAT VAN DR. A. TROELSTRA,

1 Augustus 1928.

„Zoo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?" Job 13 : 15.

„Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij." Ps. 23 : 4.

(De twee Schriftuurplaatsen, door Ds. Troelstra bij zijn „Afscheidswoord", in de 's-Gravenhaagsche Kerkbode, gebruikt.)

„Wat doet gij dat gij weent en mijn hart week maakt ?.. .. ik ben bereid .. .."

Met dit woord wees de apostel Paulus zijn vrienden in Caesarea terug, toen zij hem wilden weerhouden naar Jeruzalem te gaan, waar hem volgens goddelijke voorspelling ernstig leed te wachten stond.

Toen lieten zij zich gezeggen; bij zulke bereidwilligheid aan zijn kant was het niet tè zwaar om te aanvaarden wat te komen stond. „De wil des Heeren geschiede," zóó kon dan het afscheid wezen.

Zoo heeft ook Ds. Troelstra door zijn „afscheidswoord" het ons gemakkelijker gemaakt, zijn heengaan uit ons midden niet alleen als een onafwijsbare noodzakelijkheid, en nu als een voldongen feit te aanvaarden, maar als een beschikking Gods, een hoogere leiding, een diepere wijsheid en liefde des Heeren te zien.

In verheven rust des geloofs heeft hij dit afscheidswoord mogen schrijven, en zelden heb ik iets gelezen dat zoo aangrijpend is door zijn waarheid, ootmoed, kinderlijke godsvrucht.

Het is niet oneerbiedig, des apostels woord hiervoor over te nemen.

Het is trouwens zooals Ds. Troelstra telkens, zeg maar: altijd, zich betoonde — een afwijzen van zichzelf, een alleen heenwij zen naar Gods wil.

„Maak mijn hart niet week" — vraagt dit zéér gevoelige hart van dezen teederen, maar in de school des lijdens sterk geworden man, vol zelfbeheersching. Maar met deze woorden van afscheid heeft hij óns 't hart week gemaakt.

Het is niet te lezen zonder tranen, maar ook niet zonder kloppingen van vreugde en dank, dat God 't zöö maken kan, bij zoo groote teleurstelling,