is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 41, 1928-1929, no 2109, 07-03-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze kenden en wilden niet weten van eenige vroomheid of christelijkheid in den mensch.

Met den meesten nadruk stelden zij de rechtvaardigheid alleen uit het geloof in het volbrachte werk van Christus tegenover de werken der Wet, die den bekommerden zondaar steeds meer in het stuk der ellende persen.

Maar juist daarom, omdat zij eenerzijds den mensch, ook den vromen mensch, zoo absoluut in al zijn eigengerechtigheid afbraken, durfden zij met de meeste beslistheid de borggerechtigheid van Christus aanprijzen als de eenige gerechtigheid, die voor

uod Kon bestaan. —

Met de grootste vrijmoedigheid heeft de groote profeet en prediker Jezus Christus

tijdens Zijn omwandeling op aarde gesproken.

Maar als het er op aan komt, dan durft zelfs Annas het niet aan met gegronde reden den Zone Gods in het aangezicht te beschuldigen en een oordeel over Zijn Evangelie uit te spreken. Dan moet hij dat doen met slinksche manieren. —

Dat de predikers van dezen tijd het dan maar vrijuit aandurven om God's Woord in al Zijn gerechtigheid Gods te brengen.

Eensdeels de gerechtigheid Gods te prediken, die het den goddelooze aanzegt, dat hij buiten Christus niet voor God kan bestaan. Maar anderdeels ook de gerechtigheid Gods naar voren te brengen, die Christus verworven heeft voor allen, die in hem als in den volkomen en algenoegzamen Zaligmaker gelooven —

Het oordeel is door Christus gedragen maar ook vernietigd.

De vijandschap der wereld heeft ook bij monde van Annas den Christus en Zijn Evangelie vol heerlijkheid veroordeeld. Maar zonder gegronde reden. Het is geen nieuws onder de zon als ook in dezen tijd het oordeel wordt uitgesproken over het kruisevangelie, dat aan in Zichzelf verloren Zondaars een volkomen gerechtigheid Gods tot verlossing predikt.

Dat in deze lijdensweken de veroordeeling van Christus ons troosten mag.

Hij — onder het oordeel, bij God en de menschen, ja ook bij satan, waarvan Annas een werktuig was.

Maar, opdat allen, die op Zijn plaatsbekleedend lijden en sterven hun verwachting stellen, het weten mogen, dat zij van het oordeel Gods Zijn ontheven. —

,,Zoo is er dan geen verdoemenis, voor degenen, die in Christus Jezus zijn."

Hij, die het oordeel in de plaats der zijnen gedragen heeft, is nu hun vrij spreker.

En met Zijn zoenoffer is Hij borg dat Zijn vrijspraak voor het rechtsgeding Gods volkomen voldoening heeft.

Ja, wanneer is de Christus Zijn bekommerde discipelen dierbaarder, dan juist in Zijn lijden.

Nunspeet. W. G. G. Beerekamp.

KUNNEN BESTUREN GEEN TUCHT UITOEFENEN?

„Het Woord moet het doen", zeide Luther eenmaal. Dit schoone en ware woord wordt nogal eens aangehaald door hen, die weinig of niets voor reorganisatie gevoelen.

Ten onrechte.

Want dan beperkt men dat woord tot onze ,,onderlinge bijeenkomsten" in de kerk, tot den dienst des Woords in engeren zin.

Doch men breide het uit ook over onze „kerkelijke vergaderingen". Dan komt men pas, waar men wezen moet. Want ook de Kerk in hare breedere vergaderingen als Kerk heeft in zekeren zin „het Woord te bedienen", heeft voor het Woord Gods op te komen in deze wereld, heeft den Naam des Heeren Jezus te belijden.

Daarom sprak Gunning zoo terecht van het herstellen van „de rechtskracht van Gods Woord" in onze kerkelijke vergaderingen.

Doch nu rijst de vraag op veler lippen: Maar kunnen dan onze tegenwoordige kerkelijke besturen geen tucht (bepaaldelijk: leertucht) uitoefenen ?

We willen nog even op deze vraag ingaan, omdat zij onze kerkelijke ellende stelt in een helder licht.

Ongetwijfeld is aan de kerkelijke besturen een zekere „leertucht" opgedragen. Immers, volgens art. 11 van ons Algemeen Reglement „moeten de zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in het algemeen als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer enz. steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn." En dat met die leer de historische leer der Kerk, de leer, vervat in de 3 formulieren van eenigheid bedoeld i3, kan aan geen twijfel onderhevig zijn. Dat was juist de groote veiligheidsklep, waarop de regeering de Classis van Amsterdam na haar protest wees, waarop zij toen helaas (deels uit gebrek aan door¬

zicht, deels uit een gevoel van afmatting en begeerte om den pas teruggekeerden Oranjevorst ter wille te zijn) heeft gezwegen x).

Doch hiermede werden de Besturen metterdaad gesteld voor eene onmogelijke taak, aangezien zij zelf een onkerkelijke, niet in de Schrift gegronde macht zijn, die in de plaats was gesteld van de aloude, wettige, Schrif¬

tuurlijke „kerkelijke vergaderingen". Zij missen dus het moreele, Schriftuurlijke recht

om leergeschüien te beslissen. Zij kunnen dus, noodgedwongen, eigenlijk alleen „handhaven" zonder meer, handhaven dus naar de letter, terwijl zij, als iemand zich van de Belijdenis op de H. Schrift beroept, geen uitspraak kunnen doen, aangezien zij de moreele en Schriftuurlijke bevoegdheid daartoe missen.

Het Woord Uods, de i±. fechritt, werd dus feitelijk buiten werking gesteld.

Nu geldt ook hier onzes inziens: „nood breekt wetten". Het laat zich denken, dat een Bestuur in een uiterste geval wel moet optreden en dus doen „wat der kerkelijke vergadering is". Doch dit blijft steeds gevaarlijk en 't is daarom begrijpelijk, dat

hierover ook in onze kringen nog wel eens verschillend wordt gedacht. Niet onjuist en zeer geestig heeft iemand eens gezegd: Als ge aan de Besturen leertucht wilt opdragen, dan is dat hetzelfde, alsof ge tot een schoenmaker zeidet: „maak mij eens een jas." Een bestuur kan nu eenmaal alleen administreer en, het fijnere, geestelijke werk behoort niet tot z'n competentie. Daarvoor is het ook ongeschikt.

Dit hebben de besturen dan ook steeds instinctmatig begrepen. Zonder dat men zich daarvan nu steeds zoo helder bewust was, hield men zich zooveel mogelijk verre van alle leerkwesties. Als een bestuur kon administreeren en organiseeren en reguleeren, dan was het in z'n element, maar daarbuiten te gaan .... men voelde het wel, dat mocht eigenlijk niet.

Vandaar dat alle processen over leertucht binnen het kader der huidige reglementen (te beginnen met dat over Meyboom te Amsterdam, later Zaalberg te 's-Gravenhage en in den laatsten tijd over Bahler en Theesing en Borger) steeds zoo onbevredigend zijn afgeloopen, zoodat zelfs de Hervorming b.v. den afloop van de zaakBahler „verbijsterend" vond.

Inderdaad, besturen kunnen nu eenmaal alleen besturen, of ook — afzetten, zooals in den tijd der doleantie. Maar van een werkelijke tuchtoefening, een broederlijke, waarlijk geestelijke tuchtoefening, kan bij het besturenstelsel geen sprake zijn.

Daarom roepen de Besturen zelf, enkel reeds door het feit van hun bestaan, voor wie goed toeluistert, — om het herstel van de aloude kerkelijke vergaderingen, opdat niet menschelijke willekeur, clubgeest, partij'zucht enz. heerschen, maar opdat — „het Woord het weer doe".

A. P. J. Kromsigt.

x) De Commissaris-Generaal antwoordde namens den Koning: ,.Het Synode wordt thans niet opgeroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen. Wat de leer zelve betreft, zijn de verplichtingen van deszelfs leden, en die van alle andere Kerkbesturen, begrepen in het 9de (thans 11de) artikel van het Algemeen Reglement, „hetwelk met ronde woorden van hen vordert, de handhaving van de Leer der Hervormde Kerk". Zie mijn ,,Honderdjarig protest", 1916, B. van der Land, Amsterdam.

VOORLEZINGEN VOOR DE VEREENIGING VOOR BIJZONDERE LEERSTOELEN.

II. Prof. Haitjema over Anthroposophie.

(Vervolg.)

Op Vrijdag 25 Januari 1.1. heeft Prof. Dr. Haitjema uit Groningen in het klein auditorium der Leidsche Universiteit op uitnoodiging van de „Vereeniging voor bijzondere Leerstoelen" zijn tweede en laatste lezing gehouden over bovenstaand onderwerp. Daaraan is het volgende ontleend:

In de verhouding van Rudolf Steiner tot het Christendom is er bij de wending van de 19e naar de 20e eeuw een verandering gekomen. Van pl.m. 1900 af staat hij meer aanvaardend tegenover het Christendom dan te voren, toen hij het Christendom naar zijn eigen zeggen zonder meer vereenzelvigde met wat de kerkelijke geloofsbelijdenissen ons van het Christendom laten zien. En daar tegenover stond Steiner even afwijzend als Nietzsche. Eerst na 1900, als hij de ontwikkeling van het Christendom beproeft te zien op den wereldwij den achter- en ondergrond van „das Geïstige", kunnen dan ook pas geschriften als das Ghristentum als mystische Tatsache (1902) en das Johannes- Evangelium (voordrachtenreeks uit het jaar 1908) ontstaan. Deze wijziging in Steiner's houding tegenover het Christendom beteekent echter geen frontverandering bij hem. Steiner ontkent, dat

de bestudeering van de historische oorkonden van de Christelijke religie hem iets nieuws zou gegeven hebben. Hij heeft daarin alleen bevestigd gevonden, wat hij tegelijk met zijn indringen in de kennis der „höhere Weiten" als anthroposoof reeds wezenlijk te weten gekomen was. Het Christendom is voor Steiner nooit een stuwkracht voor zijn wijsgeerig denken geworden, dat in de Christus-openbaring het nieuwe uitgangs- en aanvangspunt voor de

geheele levens- en wereldbeschouwing aanvaarden moet. Integendeel de anthroposoof Steiner wil ook het gansche Christendom „begrijpen" in het alomspannende raam zijner kennis van het ontwikkelingsproces van wereld en menschheid.

Zóó wordt het Christendom als „mvs-

tische Tatsache" een ontwikkelingsstadium in den voortgang der menschheid. Het Kruis van Golgotha is wezenlijk de op één historisch feit samengetrokken mysterie-cultus der oudheid. De Chr. gemeente belijdt met vleeschwording, kruis en opstanding eigenlijk precies hetzelfde, wat in

de antieke wereldbeschouwing reeds vanouds als „geistige Vorstellung" leefde.

Stellen wij nu echter aan Steiner de vraag waarom het noodig was, dat in Christus' verschijning en sterven en opstanding (mystisch verstaan!) het wezen der mysteriënwijsheid zóó nadrukkelijk „einmalig Ereignis" werd, dan zullen wij in zijn voordrachten over het Johannes-Evangelie het antwoord hebben te zoeken.

Om de noodzakelijkheid van het groote „Ereigniss" in Palestina te kunnen toelichten moet Steiner het heel ver ophalen. Hij moet beginnen bij het begin van het wereldevolutieproces, bij de Satarnus-phase van de aarde-planeet, die als geestelijk wezen naar den binnenkant reïncarnaties heeft door te maken tot ze het aanschijn der aarde heeft gekregen, gelijk wij die kennen. Dan vangt de menschheidsontwikkeling aan en doorloopt verschillende perioden: de lemurische, de atlantische en de naatlantische. Het is in deze na-atlantische periode, dat wij thans leven volgens Steiner: een menschheidsperiode, die zeven groote cultuur-tijdperken omvatten zal. En nu komt de Christus-verschijning als middelpunt en keerpunt in deze na-atlantische menschheids-evolutie. Midden in de vierde cultuur-phase, de Grieksch-Romeinsche, wordt het Christus-principe in de menschheid ingeënt, om als „impuls" de wending terug naar de hoogere, geestelijke wereld voor de menschen mogelijk te ma¬

ken. De noodwendige evolutie van de naatlantische menschheid tot in de volle dagbewustheid (in onderscheiding van het schemer-bewustzijn der prae-historische „atlantische" menschen, die van nature allen „dammerhafte Hellseher" waren!) dreigt een gevaarlijk weg-zinken in geesteloos-materieele cultuur met zioh mede te brengen. Christus' verschijning brengt dan den impuls tot terugkeer der menschen naar het geestelijk schouwen. En Christus' offer op Golgotha maakt de innigste verbinding van zonne-logos en aarde tot werkelijkheid.

Als het bloed van Christus' wonden op Golgotha's heuvel neervloeit, wordt Christus de geest der aarde. En Christus' lichaam wordt het aarde-lichaam. Hiermede meent Steiner een oneindige verdieping der avondmaals-idee te zien doorbreken, waardoor b.v. Joh. 6 echt „buchstablich" zal mogen

en moeten worden verstaan. Dit sacramenteel realisme wil Steiner echter toch ook

weer niet magisch-naturalistiscn verstaan hebben. Het kosmische „Christus-prinzip" blijft alleen „impuls", voor zoover hier de vrijheid en de verantwoordelijkheid der ikheden onaangetast moeten blijven, 't Gaat met den opgang van aarde en menschheid

na het gebeuren op Golgotha niet vanzelf. Meditatie, concentratie, reiniging en verlichting der enkele ik-heden is noodig. De massale menschheids-cultuur der vijfde periode, die in de middeleeuwen, dus na Christus' verschijning, aanvangt, is als

massale cultuur dan ook niet geestelijker, maar materieeier en meer natuurwetenschappelijk in on-geestelijken zin op het leven ingesteld.

Het Christendom, dat in Paulinischen zin het kruis en de opstanding van Christus in het middelpunt stelt der geheele heilswaarheid, zal zich met alle kracht dienen te verweren tegen deze titanische omhelzing van een al-begrijpenden gnosticus. Het vergeestelijkt Christendom van Steiner heeft twee „Schlagwörter": evolutie en zelfverlossing. En alles verraadt in Steiner's beschouwingen, dat hier de voor het Christus-geheimenis noodlottige poging gedaan wordt om de bijzondere Christusopenbaring in te werken in het weefwerk van het Darwinistisch evolutionisme.

Rittelmeyer's „Christengemeinschaf t" maskeert deze zelfde gedrochtelijke synthese tusschen schepping en verlossing, eeuwig-continue wereld-ontwikkeling en

herscheppende wereld-opheffing door het Christus-offer, in een ceremonie-rijken al-

taar-cultus, maar een scherp toeluisterend oor hoort tegen den altaar-achtergrond van de „Menschenweihehandlung" dengeheelen inhoud resonneeren van Steiner's JohannesEvangelium. Ook in dezen cultus wordt het mysterie van Golgotha het openbare wereldgeheimenis. En het oer-voorbeeld van Christus' offer wordt het „hineinsterben" van den „Weltenvater" in het universum. De in den cultus der „Christengemeinschaft" ver-beelde verzoening tusschen Christus' somber kruis en de lenteheerlijkheid der velden „vergewaltigt" Goethe's

romantische natuur-religie en het Christendom beide.

BUITENLAND.

Dtjitschland. Jezuieten als Roomsche studenten-zielverzorgers. Sedert hun de vrijheid om zich in Duitschland weder te ves¬

tigen teruggegeven is, ontplooien de Jezuieten in alle opzichten een buitengewone activiteit, bepaaldelijk ook waar het gaat om de leiding en het bestuu^ over het Roomsche volksdeel. Op ieder terrein van het cultuurleven strekken zij hun bemoeiingen uit en in toenemende mate trachten zij zich op te werpen als de „aangewezen" leermeesters der Roomschen.

Dit verschijnsel doet zich ook voor ten opzichte van het beroep der studentenzielverzorgers aan de Duitsche hoogescholen. Twee jaar geleden waren er over heel het Duitsche rijksgebied negen van deze geestelijke leidslieden, die behoorden tot de Jezuietenorde, een ongewoon hoog getal. Dit valt nog te meer op, wanneer men bedenkt, dat er buiten deze Jezuieten over heel Duitschland geen enkel lid van eenige andere Roomsche „orde" als geestelijke voor de studenten wordt aangetroffen, terwijl er toch inderdaad nog wel andere Roomsche „orden" bestaan buiten de Jezuietenorde, die zich niet zonder succes met de Roomsche wetenschap hebben bezig gehouden en zich beijveren voor het universitair onderwijl.

De Jezuieten schijnen juist in onzen tegenwoordigen tijd, die zich onderscheidt door onvermoeide actie in romaniseerende

richting, bijzonder geschikt voor geestelijke leidslieden van personen van hooger wetenschappelijke vorming. En immers vooral aan het behoud van dezen is Rome heel veel gelegen, te meer, omdat juist uit die meer ontwikkelde kringen zeer velen van de centrumpartij tot andere partijen zijn overgegaan. Bij het gebruik van Jezuieten voor de geestelijke verzorging van studenten doet zich intusschen een element voor, dat zeker niet toevallig is en dat wèl de aandacht verdient, nl. dat de nieuwe Jezuietenleiding onder de studenten zich uitstrekt tot twee hoogescholen, welke gelegen zijn in overwegend Roomsche streken, die te Münster in Westfalen en te München, terwijl er daarentegen Jezuieten als zielverzorgers werkzaam zijn aan een grooter aantal hooge-scholen in zulke streken, die men overwegend of uitgesproken Protestantsch kan noemen, nl. te Göttingen, Hamburg, Hannover, Königsberg, Leipzig, Stuttgart, Tübingen. Berlijn was, althans eenigen tijd geleden, niet bezet.

Zou dit niet zijn te verklaren uit deze overweging, dat de Jezuieten de propaganda onder het Protestantisme, de actie tegen het Protestantisme van oudsher be¬

schouwd en beoefend hebben als de bijzondere taak hunner orde ? De Jezuieten, eeuwenlang de voornaamste dragersderantiProtestantsche tegenreformatie, gelden ook

tegenwoordig nog voor de kernvaste zielverzorgers binnen en tegenover het geestelijk gebied van het Protestantisme. Met het oog op deze op- en indringende beweging blijft het „waakt" voor Protestanten geboden.

Egypte. Strijd voor den Islam. In de meeste Mohammedaansche landen, waarin een nieuwe, al meer aan invloed winnende

nationalistische beweging zich gelden doet, bestaat de neiging, om den Islam grootendeels aansprakelijk te stellen voor den stilstand uit het oogpunt van cultuur en voor de achterlijkheidin vroeger tijden, en omde religieuze leiders af te teekenen als rem, die den vooruitgang tegenhoudt. Dit heeft als gevolg dat het nationalisme in al die landen op weg is van de bestaande religie los te worden. Het vormt zijn idealen met het oog op de glorie-volle vóór-Islamitische geschiedenis van zijn volken. Dit verschijnsel valt waar te nemen zoowel in Egypte als in Perzië en in Turkije. In Egypte stellen tegenwoordig de leidende Mohammedaansche kringen evenwel alles in het werk om het nieuwe nationale leven weer onder hun leiding te krijgen. De rector van de El Azhar moskee, de meest beteekenende Mohammedaansche universiteit met haar 6000