is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 41, 1928-1929, no 2111, 21-03-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neen, niet het aantal Sacramenten beslist. Niet de sacramenteele genade en zorg waarmee de kerk van Rome hare leeken omringen en beschermen wil. Maar Christus! Het Evangelie en de instellingen van Chris¬

tus ; dus alleen Doop en Avondmaal. En de volheid der genade, welke in Christus gevonden wordt, ook wanneer Hij die in Doop en Avondmaal aan Zijne gemeente mededeelt. De gemeenschap, niet met de kerk en hare sacramenten in de eerste plaats, maar onmiddellijk met Christus zeiven, maakt vast en rijk. Dan kan een Christen getroost leven en straks, als de

dood komt, zeggen:

Jezus, uw verzoenend sterven Is het rustpunt van mijn hart,

Als wij alles, alles derven,

Blijft uw liefd' ons bij in smart. Och, wanneer mijn oog eens breekt, 't Angstig doodszweet van mij leekt, Dat uw bloed mijn hoop dan wekke En mijn schuld voor God bedekke.

Amsterdam. H. Bakker.

BESTUURSORGANISATIE EN PARTIJSTRIJD.

Er zijn er, naar wij vreezen velen, die nog niet recht zien de heillooze gevolgen, die de bestuursorganisatie van 1816 voor onze Kerk heel de 19e eeuw door heeft gehad en nog steeds heeft. Men meent dan: de kwestie van „vaste besturen" (met hun bijna onvermij delij ken „clubgeest") en ,,kerkelijke vergaderingen" (waardoor alleen Schriftuurlijketuchtoefening mogelijk is) is toch eigenlijk een kwestie van minder belang, een soort theoretische kwestie, een kwestie „van de studeerkamer". Op deze wijze wordt er, vooral onder gemeenteleden, vaak over gesproken. Men voelt niet het principieele verschil tusschen een „bestuur" en een ,,kerkelijke vergadering."

Daarom is het noodig telkens weer juist op die verkeerde werking der bestuursorganisatie van 1816 (die in 1852 wel belangrijk" maar toch niet in wezen is veranderd en dus bestuursorganisatie is gebleven) te wijzen. We toonden reeds aan, dat dit de groote fout dezer bestuursorganisatie is, dat daardoor echte, Schriftuurlijke tuchtoefening onmogelijk is geworden, dat daardoor dus het kerkelijke ,,ambt" ten eenen male in het gedrang komt, zooals ook zoo duidelijk bleek uit het door ons geciteerde artikel uit het orgaan der „gezamenlijke Vriendenkringen" over „de positie der ambtsdragers."

De bestuursorganisatie is inderdaad, zooals meermalen is opgemerkt, als een harnas, dat gelegd is om het levend ,,lichaam" der Kerk, waardoor de groei en normale ontwikkeling van dat lichaam op ernstige wijze wordt belemmerd, waardoor dus allerlei ziekten, storingen en vergroeiingen ontstaan. Of, wilt ge een ander beeld, door die organisatie is onze Hervormde Kerk geworden als een huis, waarvan geen enkel raam meer kan worden geopend. De atmosfeer daarbinnen wordt dus voor de inwonenden hoe langer hoe bedompter en ongezonder. Alleen hier en daar is een glas gebroken of staat een deur opeen kier om althans het leven mogelijk te maken. Doch allerlei ziekten en ongesteldheden zijn van dit alles het noodwendig gevolg.

Een der ernstigste krankheden onzer Kerk als gevolg van de bestuursorganisatie is ongetwijfeld de partijstrijd en de daaruit ontstaande afscheiding en scheuring. Heel de geschiedenis der 19de eeuw is daarvoor een duidelijk zichtbaar bewijs. Hoezeer is daardoor niet alleen onze nationale Kerk, maar daardoor tevens heel het Protestantisme in ons Vaderland verzwakt! Hoezeer heeft daardoor zelfs heel het Protestantsch karakter onzer natie schade geleden! En hoezeer heeft men daardoor de opkomst der Roomsche kerk in de 19de eeuw bevorderd als nimmer tevoren! Merkwaardig is, dat daardoor zelfs Rome en de afscheiding (die eerst het_ verst van elkaar verwijderd schenen te zijn,) door den historischen gang der dingen, naast elkander zijn komen te staan, terwijl de Hervormde Kerk, de eigenlijke nationale Kerk dezer landen, almeer in het gedrang is gekomen. Zoo is door de feiten zelf al duidelijker en duidelijker bevestigd geworden, zóó dat thans zelfs de „blinden" het zien moeten, wat Dr. Hoedemaker placht te zeggen: „In art. 36 onzer Geloofsbelijdenis ligt de sleutel der positie" .

Al deze ellende neemt echter haar aanvang in den -partijstrijd. En die partijstrijd is een der droevigste gevolgen der bestuursorganisatie van 1816. Men heeft toen de eenheid der Kerk trachten te bevestigen door haar den genootschapsvorm (door middel der bestuursorganisatie) op te dringen. Doch men heeft juist het tegendeel bereikt. De partijstrijd is onder die organisatie al feller en feller geworden en zoo is scheuring na scheuring gevolgd. En onze eens zoo

krachtige en fiere Protestantsche natie is tot onherkenbaar wordens toe verzwakt en verminkt.

Hoe komt dit nu ?

Dit komt, omdat er voor de vragen en moeilijkheden, die er vanzelf rijzen in de Kerk ten allen tijde, voor de bezwaren, die opkwamen en tegen hare Belijdenis en al wat daarmee samenhangt, geen normale uitweg was. De „kerkelijke vergaderingen", die alleen op Schriftuurlij kejwij ze uitspraak konden doen, waren immers in 1816 opgeheven. Er was geen rechter meer. De Kerk had geen mond meer om te spreken. De zuivere „kerkelijke weg" tot oplossing der geschillen was afgesloten.

Zoo hoopten zich dus alle vragen al meer

en meer op. Dat hokte en mokte en wrokte onder elkaar. Zoo ontstond de partijstrijd, omdat er voor de vragen en geschillen, die oprezen, geen uitweg was.

En dit leidde ten slotte tot de afscheidina.

Eerstin 1834. Daarna in 1886. met tallooze

kleinere alscneidmgen daar nog tusschemn, want de afscheiding is nu eenmaal, zooals we vroeger al eens hebben gezegd, „een repeteerende breuk."

En die praktijk der afscheiding bracht almeer en meer tot een theorie der afscheiding, omdat een mensch nu eenmaal behoefte eraan heeft ook een verkeerde praktijk zoo mogelijk voor zichzelf en anderen te rechtvaardigen.

Zoo kwamen de „afscheidingsbeginselen" op.

En de grootmeester dezer „afscheidingsbeginselen" was Dr. A. Kuyper, die zijn ideaal van „vrije kerk" stelde tegenover de aloude ,,nationale Kerk" de vader van het Ned. Calvinisme in Nederland. A- P. J. Kromsigt.

VOORLEZINGEN VOOR DE VEREENIGING VOOR BIJZONDERE LEERSTOELEN.

IV

Dr. J. Ch. Kromsigt over: Christian Science het Christendom der toekomst?

We geven van de eerste der beide voordrachten gehouden 19 Febr. het verslag, dat voorkomt in het Leidsche Dagblad:

De zoogenaamde „Christelijke Wetenschap" noemt spreker aantrekkelijk om haar groot optimisme en typeert dit door een aanhaling uit den roman van Mary Corelli: „Het eeuwige leven". Hoewel deze schrijfster zelf niet tot de scientisten behoort, kan dit citaat toch ter typeering dienen, omdat het scientisme deel uitmaakt

van een grooter geestelijke strooming. Het is verwant aan de oude Indische Sankhya Philosophie. Vooral echter ziet spr. het als de meest consequente openbaring van hetgeen Lütgert noemde: „die Religion des Idealismus". Het plaatst zich vierkant tegenover het materialisme, rla.t ZfiCrt, • fl.lles

is stof , met zijn stelling„alles is geest". Tegenover een materialistische „wetenschap wil het geestelijke „wetenschap" zijn. Tegenover het decreet der eerste, dat Jezus wonderbare genezingen enz. als wetsverbreking onmogelijk zijn, houdt Science staande, dat ze als openbaring van een verborgen wet des Geestes niet alleen mogelijk zijn, maar nog door haar geschieden. Hierdoor doet zij de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komen niet in een hiernamaals, maar hier en nu, en hierin gaat dit volkomen zaligmakend weten uit boven het zaligmakend gelooven der reformatoren. Zij beweert de wederontdekking van het oorspronkelijk Christendom te zijn en daarom het Christendom der toekomst.

JNa bij de geschiedenis van Mrs. Eddy en haar „ontdekking" te hebben stilgestaan, schetst spr., met aanhalingen uit Science and Health, in het kort de scientistische leer omtrent God en zijn Schepping, omtrent zonde en val, omtrent den Verlosser Jezus Christus, verzoening, verlossing, senezino-

en gebed.

God is Geest. „Alleen God de Geest is, stof is niet; alleen God, het Goede, is, het kwaad is niet," — dat is de hoofdstelling van Science. Zij ontkent Gods persoonlijkheid, gelijk zij zegt om Zijn alomtegenwoordige oneindigheid recht te kunnen poneeren. Metterdaad ontkent ze hiermede echter tevens goddelijke handeling.

De schepping is daarom ook geen goddelijke daad, maar emanatie uit God. Een uitvloeisel uit de goddelijke wijsheid zijn de goddelijke ideeën. Dit zijn de goddelijke schepselen, die geestelijk en eeuwig zijn als God. Man en vrouw zijn het spiegelbeeld van den Vader-Moeder-God. God, de Geest, schept geen stof, evenmin als God, het Goede, kwaad schept. Deze scheppingsleer wordt met behulp van geestelijke schriftverklaring in Gen. 1 ingelegd.

Door haar stelling: „kwaadis niet" heeft Science geen plaats voor de geschiedenis

van een zondeval. Ze leert echter het uit de aarde opkomen van een nevel van zinsbegoocheling (Gen. 2 : 6), die den mensch benevelt en het aanzijn geeft aan den „mortal mind", den sterfelijken pseudo-geest, Adam den droomer, die droomt van een vrouw, uit hem voortgekomen en van een stoffelijke schepping, waarmee de geest zich vermengt. Zoo wordt hij met zijn geslacht gevangen in den droom van stof, ziekte, zonde, dood, goddelijke toorn en straf en geeft aan dien droom macht om hem te kluisteren in ketenen van begeerlijkheid en vrees.

De verlossing is niet een goddeliike daad.

evenmin als de schepping, het is het ontwaken des menschen uit den Adam-droom en de ontdekking, dat de mensch niet stoffelijk en sterfelijk is, maar geestelijk en

eeuwig en eens wezens met (iod, om dan die

geestelijkheid en eenheid ook te „demonstreeren". Deze verlossing heeft Jezus Christus gebracht. Eigenlijk verlost Hii

niet, maar helpt den mensch zichzelf te verlossen, zichzelf met God te verzoenen, door hem het rechte begrip te geven van God en zijn eigen geestelijk wezen. In zijn ziekengenezingen, doodenopwekkingen, in zijn opstanding en hemelvaart toonde Jezus eenvoudig met de daad aan, dat voor den mensch, naar zijn geestelijk wezen, de ziekte en de dood, evenals de zonde er niet is. Het vervuld worden met dit inzicht, dit weten, deze „Christian Science", is het vervuld worden met den Heiligen Geest. Dit stelde de apostelen en eerste Christenen in staat om te doen, wat Jezus deed.

Dit inzicht ging echter te loor, maar werd door Mrs. Eddy weer ontdekt, opnieuw geleerd in haar Science and Health with Key to the Scriptures (Wetenschap en gezondheid met sleutel tot de Schriften), en door haar nu ook weer met de daad „gedemonstreerd" Om tot dit verlossende en genezende inzicht te komen is vooral dienstig het gebed, nl. zooals de Science bidden leert.

Het verslag der tweede lezing, waarin het Scientisme wordt beoordeeld. D. V. een volgende maal.

EEN BELANGRIJKE UITGAVE.

Het verbliidt ons te kunnfvn

« —

dat de zes voorlezingen, die in opdracht van het Bestuur der vereeniging voor Bijzondere Leerstoelen over de genoemde gewichtige onderwerpen werden gehouden in het Klein Auditorium der Leidsche Universiteit binnenkort bij ons het licht zullen zien.

We zijn zoo vrij dit nu hier mee te deelen, omdat juist in dezen tijd, waarin velen geloofsbelijdenis afleggen, door meerderen wordt gevraagd naar opbouwende, dieper inleidende, ook apologetische literatuur. In deze voordrachten, waarvan de opgenomen verslagen uit den aard der zaak slechts een zeer onvolledig overzicht geven, zullen meer ontwikkelde onder jongere en oudere belijders, leerlingen en ook leeraars, ongetwijfeld veel van hun gading vinden.

De Uitgevers, Fa. H. Veenman & Zonen.

FRIESCHE BRIEVEN.

Beheers-varia.

Dienen.

Ik ga nu eerst beantwoorden hét belangstellend schrijven van D. uit B.

Hij heeft als zoon eens kerkvoogds met instemming gelezen, al wat ik schreef over bestuur en beheer, doch zou nog heel graag op een speciaal punt de aandacht gevestigd zien.

Hij herinnert aan het woord van zijn predikant, bij zijn bevestiging tot diaken gesproken: „Wij zijn geroepen tot dienen, steêds weer dienen ! Dan alleen is het goed!"

En hij ziet heel graag, dat opdat „dienen" in elk kerkelijk college de nadruk valt!

Van ganscher harte wil ik dat woord „door geven. Echt bescheiden wordt in dit in herinnering gebrachte woord geenverwijtgelegd over machts-misbruik of overheersching in welken zin ook, maar hier wordt ,,dienen aanbevolen als gemeente- of kerkfcowwmatériaal.

Prachtig!

Als dit „dienen maar het eenig (bouw)materiaal in onze kerk ware dan zou in heel veel opzichten de dageraad aanbreken van een blijden kerk-dag.

Ik begin maar weer bij het bestuur en dan van boven&ï.

Eerst de dominee op den kansel, op huis- en ziekenbezoek, en tevens in de catechisatiekamer !

En op ciie plaatsen of in die betrekking tot de gemeente met geen andere gedachte

dan om haar te dienen !

Haar te dienen in en met het Woord Gods. Niet zichzelf te dienen of zich te laten

bedienen, maar dienen in den zin van den raad der ouden aan Rehabeam!

Door te dienen verplicht men de gemeente aan zich. Trekt men haar tot zich en bouwt men haar op.

En evenzoo de ouderling.

Ook hij moet dienen, enkel dienen!

Het mag hem niet gaan*om iets anders dan de gemeente te dienen in het ambt.

Niet dus om zijn cachet te drukken op het gemeenteleven. Niet om keurmeester te zijn in de kerk-spijskamer. Maar om zich te geven tot het wezenlijk welzijn der gemeente over het geheele erf. De dominee, zijn preek, het jeugdwerk en allen anderen arbeid in de gemeente enkel te bezien en

nabij te staan met een tot dienen volvaarclig gemoed!

En de diaken idem-idem! Hij ook moet willen dienen. Geen eenzijdige opvatting zijn toegedaan om de armen-pelden te be-

heeren, zuinig of meer ruim, maar de gemeente moet gediend ook in het diaconale werk.

Hij mag de gemeente niet zien als „bedeelden" en niet-„bedeelden"! En dus een scheiding maken bij dat, wat God ook ten deze heeft samen gevoegd.

Hij brenge niet slechts wekelijks de gaven rond, maar heel zijn diaken-zijn zij een zelfgave.

En zoo wil de geachte schrijver nu ook benaderen de beheers colleges!

Ook daar moet de grondslag zijn het dienen der gemeente.

Andermaal: prachtig! Ik wil mij heel graag tot tolk maken van dit „bevel" tot „dienen."

Dan valt de ellendige nadruk, of het leelijke accent dat nu op beheers college ligt, dadelijk weg.

Al wat aan beheers macht of wat ook her¬

innert, wordt op eens met dienende hand weggenomen.

Bij notabelen — ik begin nu maar van onderen op — gaat het dan niet om hun neus te steken in de keukenzaken van de kerk, of om een der mooiste plaatsen in de kerk te hebben, of om — wat ook voorkomt als een notabel in de kerkeraadsbank zit —het voordeeltje te hebben zijn notabelplaats te verhuren of weg te geven aan een familielid.

Neen, zij dienen de kerk! Zij zijn er op alle manier op uit het financieele en ce^sto-

lijk welzijn der gemeente voor te staan. Dat willen zij dienen en niets anders. En zoo wil de schrijver ook de kerkvoogden bezien en bezien hebben!

Ook bij hen geen andere drijfveer, dan te staan in dienst van het wezenlijke gemeentebelang.

Het gaat niet om de eer! Niet om het recht van te beslissen over de gemeente-eigendom!

Niet om te doen wat h.i. in het belang der gemeente is!

Neen — dienen, steeds weer dienen, zóó dat de gemeente groeie en bloeie!

En dan ook niet de gemeente-eigendom benutten om eigen beurs te sparen, Want dan wordt het een bedienen van zich zelf !

Ook de kerkvoogd trede, volgens den schrijver achter Jezus, die kwam om te dienen niet om gediend te worden! En door zulk dienen wordt de geheele kerk gebouwd. Want dan ziet elk beheerscollege niet enkel

op het zijne, maar dan ziet het ook op wat der anderen is! Dit dienen leidt dan tot welzijn van „heel de kerk en heel het volk."

Ja! Wat? Of dit nu niet veel te idealistisch is ? Zeg eens Nurks! Schiet jij nu op ? Houd jij je mond nu eens!

Ik wil dit stukje ideaal nu eens niet laten bederven door stemmen uit de practijk! Ik ben blij, dit ideaal nu eens zoo ten voeten

uit te hebben mogen teekenen!

In een volgenden brief ga ik een buitengewoon meewerkend administreerend kerkvoogd beantwoorden,

vr. gr. t. t. Insider.

EEN EN ANDER OVER WIJKARBEID IN ONZE GROOTE STEDEN.

IV

Wijkzusters. Bezoekkring. Enkele regelen voor het huisbezoek. Kerkelijke en politieke stembusstrijd. Schoolquaestie's enz.

Naarmate ik met mijn artikelreeks vorder, breidt de materie zich steeds uit. En ik zie wel in, dat ik mij zal moeten wachten voor herhalingen. Tot die herhalingen geven aanleiding de verschillende brieven, die ik ontvang met allerlei vragen en opmerkingen. Mijn correspondenten zullen het mij dus ten goede moeten houden, dat ik niet altijd direct met mijn antwoord kom. Zij kunnen echter gerust zijn: dat antwoord zal op z'n