is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 41, 1928-1929, no 2124, 20-06-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41e JAARGANG — OCT. 1928-OCT. 1929

DONDERDAG 20 JUNI 1929

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

Dr. J. Ch. KROMSIGT te Rinsumageest (Eindredacteur)? Ds. H. BAKKER te Amsterdam; Ds. J. W. GROOT EN^R*f ^ChOKKING Prof. Dr. Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam; Ds. C. A. LINGBEEK te 's-Graven age; r.

te 's-Gravenhage; Ds. A. B. TE WINKEL te s-Gravenhage. ____

Dit blad verschijnt wekelijks. Alles wat de redactie aangaat en boeken ter recensie zende men aan Dr. J. Ch. KROMSIGT, Rinsumageest (Fr.). Vragen voor de Vragenbus uitsluitend aan Ds. C. A. L*INGBEErv, Sportlaan 95, 's-Gravenhage; Kerknleuws-berichten aan H. VEENMAN & ZONEN te Wagenlngen. Voor ad.vert. en alles wat de administratie betreft wende men xlch tot de Uitgevers.

UITG.i FA. H. VEENMAN & ZONEN wageningen

POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

Prijs 15.—.buitenl. en kol. f 6.-p. jaar. Afzonderlijke nummers 10 ets. Prijs der advertentlën: Van 1—10 regels t 2.—, elke regel cents. Boekannonces 10 oents per regel. Bewijsnummers Abonnementen worden bij leder nummer aar.genomen. doch kunnen alléén eindigen by het einde van den jaargang, September van ieder ja .

INHOUD: Uit drieërlei v. pk. — Jeugd en Kerk, III. — Een voorbeeld. — De schooi van Barth. — Buitenland. — Amstelodamiana. — Vragenbus. — Fonds voor kerkelijke en kerkrechtelijke geschriften. — Bijzondere leerstoelen. •— Studiefonds. — Kerknieuws. — Advertentiën. — Confessioneele Vereeniging. — Pastorale schetsen.

UIT DRIEËRLEI BOEK.

De hemelen vertellen Gods eer.

De Wet des Heeren is volmaakt.

Wie zou de afdwalingen verslaan? gif» Ps. 19 : 2a, 8a, 13a.

Eenvoudig en schoon spreekt onze Kerk in het tweede artikel der Nederlandsche Geloofsbelijdenis: „Wij kennen God door twee middelen: ten eerste, door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld, overmits dezelve voor onze oogen is als een schoon boek, waarin alle schepselen groote en kleine gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen."

Ja, het boek, der schepping is wonderbaar rijk voor wie het bij het licht des Geestes heeft leeren lezen, die met geestelijke ooren de sprake Gods daaruit heeft leeren beluisteren.

_ - ,i i "i . 1 « .

Hoe heerlijk gewaagt daarvan ook. ue Psalm, een loflied op de grootheid der Werken Gods in natuur en genade. „De hemelen vertellen God3 eer."

Zij zijn als „de herauten die ons van boven met hun licht beschijnen en ten allen tijde Gods bestaan, Zijn macht, Zijn wijsbeid, Zijn goedheid luide verkondigen." Dat geldt van gansch de schepping.

Niets, zegt Calvijn, is zoo verborgen of Veracht in de kleinste schuilplaatsen der aarde of daar wordt een bewijs gezien van de macht en de wijsheid God3; maar omdat de hemelen een duidelijker beeld hiervan draden heeft David vooral deze uit-

O

gekozen, wier glans ons ertoe brengen zou oin de geheele wereld te beschouwen.

Wat spreekt de schepping in verheven taal tot het hart dat de genade der aanbidding kent, nu eens als wij staan op een bergtop, vanwaar ons oog een aangrijpend vergezicht geniet, dan weer als wij dwalen door het woud waar de majestueuse stilte ons ontroert of over het strand der zee onze blik dwaalt over de oneindige vlakte.

„Hoe groot zijn Uwe werken, o Heere, Gij bebt ze alle met wijsheid gemaakt."

Hoeveier oog is echter helaas voor die heerlijkheid des Scheppers gesloten, hoeVeler oor is doof en verstaat niet wat de hemelen vertellen, „Gods eer en majesteit!"

Wees ook niet de Heere Jezus Zijn jongeren op zoo menige bladzijde uit dat boek der schepping en onderhouding, op de vogelen des hemels door God gevoed, op de leliën des velds door Hem met heerlijkheid bekleed ?

Een geloovige sterrekundige zeide eenmaal : Hoe kan toch een oprecht natuur Vorscher een loochenaar van den Schepper zijn! Immers wie diep in Gods werkplaats sehouwt en Zijne wijsheid en eeuwige ordeningen onderzoekt, moet in diepen ootmoed de knie der aanbidding buigen als hij de band en de voetstappen Gods in de werken der schepping opmerkt.

>,De hemelen vertellen Gods eer."

j.In gras en halm zien wij Zijn wijsbeid pralen, Gij lucht, gij zee, gij velden, bergen, dalen, gij zijt Zijn loflied, gij Zijn Psalm."

Neen, dan geen gedachteloos voorbijgaan van de bladzijden van het boek der schepping!

£ Heeft niet Gods vinger ze beschreven, roepen zij niet Gods deugden uit, „Oneindig rijk, Volzalig nooit Volprezen, O Heere, wie is U gelijk!"

Een jeugdige Christin was eens verdiept in de aanschouwing van den sterrenhemel, dat „groot muziekblad met vurige noten, dat zangstuk op Gods heerlijkheid". Gevraagd zijnde waarover zij dacht bij dat alles, was haar antwoord: Zie als deze zijde des hemels reeds zoo glanzend schoon is, hoe verrukkend en heerlijk zal dan de andere zijde niet wezen."

„Des Heeren Wet nochtans verspreidt volmaakter glans, dewijl zij 't hart bekeert."

„Ten tweede geeft God zichzelven nog klaarder en volkomener te kennen door Zjn heilig en Goddelijk Woord: te weten, zooveel ons noodig is in dit leven, tot Z'jne eer en tot zaligheid der Zijnen". (Ned. Gel. Bel., art. 2b).

Dat is het Boek der Schriftuur, waarvan de psalmist belijdt:

„De Wet des Heeren is volmaakt."

„In dit tweede deel van den Psalm wordt de heerliikheid srezonsren van de in de Wet

O O O

aan het licht tredende zelfopenbaring des Heeren. Hier is het niet „God" met Zjn „sprake der natuur", die van macht en eer spreekt, maar „de Heere" met de bijzondere openbaring van Zjn raadsbesluit en wil, die den mensch een rijkdom van gaven schenkt ten leven."

Hoe heerlijk is die Wet des Heeren, die onderwijzing Gods, die openbaring in ei3ch en belofte, dat „Godsgetuigenis dat eeuwig zeker is".

Onmisbaar tot kennis van den weg der zaligheid voor het hart dat heeft leeren vragen: Hoe komt God tot Z jn eer, hoe zal ik zondaar rechtvaardig verschijnen voor God?

Funcke verhaalt, dat hij, als kind met zijn moeder in een schoon woud gezeten, genoot bij haar voorlezen van den I9den Psalm, het eerste deel. Waarvoor nü nog die volgende verzen, zoo vroeg hij. 'k Heb het leeren verstaan, getuigde hij echter later, dat niet het boek der schepping, hoe schoon en heerlijk, m'j het antwoord gaf toen ik had leeren worstelen om de redding m jner ziel, maar het dierbaar Woord van God, de Schriftuur, die mij den rijkdom van Zijne genade in Christus verkondigde.

„De Wet des Heeren is volmaakt."

Dat geldt voor gansch de openbaring Gods in de Heilige Schrift.

Het Woord van God in Wet en Evangelie.

Daaraan mag niet toegedaan, daarvan mag niet afgedaan.

Het is immers de vrucht van de Profetische bediening de3 Midielaar3, de schepping van God den Heiligen Geest.

Het zwaard des Geestes, levend en krachtig, doorgaande tot de verdeeling der ziel, waarmede Immanuël, de R uiter op het witte paard voortgaat, overwinnende en opdat Hij overwinne.

Het bekeert en het verkwikt de ziel.

Het verkondigt den wil des Heeren, die volmaakt is en volmaaktheid eischt en predikt de volkomenheid der offerande van Jezus Christus, die eenmaal aan het kruis geschied is, waarmede Hij in eeuwigheid heeft volmaakt degenen, die geheiligd wor-

■ den. *

Waar de Heilige Geest ons in dat Boek i leert lezen doet Hij ons inkeeren tot onszelf en terugkeeren tot onzen Schepper, spelt

Hïi.1 >oor het wennend zondaarsoog dien liefelijken naam van Gods Eeniggeborene, Die hemel en aarde vereenigt tezaam, leert Hij gelooven, hopen, liefhebben en aanbidden. Het begint met een Paradijs dat verloren ging, het getuigt van een Paradijs in en door den Middelaar voor al de Zijnen ontsloten, en eindigt met een Paradijs, waar de Drieëenige in volmaaktheid door al Zijne verlosten in een nieuwe schepping gekend en gediend zal worden.

Het is volmaakt in Zijn werkingen, door geen stelsel van menschelijke wijsheid ooit te vervangen. Het is een getuigenis van wat geen oog gezien, geen oor gehoord heeft en in geen menschenhart ooit is opgeklommen. Het biedt den waren troost aan de bedroefden van hart, levende wateren aan die leerden dorsten naar den levenden God, onfeilbaren raad aan die worstelen om licht en waarheid; 't is een lamp en licht voor den voet, en op het pad van ouden en jongen een stok en staf in het dal der schaduwen desdood3, en zalig is hij die leest en zijn zij die hooren en bewaren hetgeen in dat Boek geschreven is!

„Wie zoude de afdwalingen verstaan!", roept de psalmist uit, waar het licht uit dat Godswoord hem lezen doet in het boek van zijn leven.

«V te i ja, dat is een vraag die zichzelve beantwoordt, zegt een Schriftverklaarder. Man behoort er veeleer een uitroepteeken dan een vraagteeken achter te plaatsen. Door de wet is de kennis der zonde, en in de tegenwoordigheid der Goddelijke waarheid verwondert de psalmist zich over het groot aantal en het goddelooze zijner zonden. Vele boeken geven aan het einde eenige rebels errata of drukfouten, maar onze errata mochten wel zoo omvangrijk zijn als

bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden.

Wie zoude de afdwalingen verstaan ?

Ontzondig mij en ik zal rein zijn, wasch mij en ik zal witter zijn dan sneeuw!

Verstaat gij ook wat gij leest 1

Zij uw antwoord een bede: Ontdek mijn oogen dat ik Uw wonderen aanschouwe!

In het boek der schepping: opdat ik Uw grootheid uit Uw werken versta en Uw heerlijkheid prijze!

In het Boek der Schriftuur: opdat ik de volmaaktheid van Uw wet en den rijkdom van Uw Evangelie roeme en belijde!

In het boek van mijn leven: opdat ik in Uwe genade en trouw, Uw eeuwig welbehagen en onpeilbare liefde leere rusten als mijn troost in leven en in sterven, en instemI men met de bede waarmede de psalmist I besluit:

„Laat de redenen mijns monds en de overdenking mijns harten welbehaaglijk zijn voor Uw aangezicht, o Heere! mijn Rotssteen en mijn Verlosser." 's-Or. E. J. W. P. M.

het boek zelf, ais wtj slechts kennis genoeg hadden om ze te zien. Toen Augustinus op leeftijd gekomen was, schreef hij een serie van Herroepingen: de onzen zouden eene bibliotheek kunnen vullen als wij genade genoeg hadden om van onze afdwalingen overtuigd te zijn en ze te belijden.

En dan de verborgen afdwalingen!

Verborgen voor de oogen der menschen, verborgen ook voor onszelf, soms ineen3 opwakend en opbruisend, zoodat zij ons doan sidderen en beven voor de arglistigheid van on3 hart.

Zoovele bladzijden in ons levensboek die ons aanklagen en verwijten, b;j U, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten! Bladzijden van ongeloof en ontrouw, van afzwervingen en werelddienst, van roemen in eigen kracht en steunen op eigen gerechtigheid!

Wat wij kleine zonden noemen, zegt Pénélon, worden groote zonden in onze oogen als het licht van God daarover voor ons opgaat.

Velen lezen liever niet in hun eigen levensboek. „

Maar eens „worden de boeken geopend.

God stelt onze heimelijke zonden m het licht Zijns aanschijns en vreeselijk zal het zijn te vallen in de handen van den levenden God!

Maar zalig die Hem in Christus kennen en belijden mag als een barmhar ig Vader, Die al onze ongerechtigheid vergeeft, Die al onze krankheden geneff .

Die als Hiskia, die met de smaadbneve^^ van zijn vijand geen raad wis legde in 's Heeren huis, zijn sc u ïg boek mag brengen aan den voe gotha's kruis en door 't geloof luisteren naar het troostrijk Evangelie: mijn zoon mj dochter, vrees niet, geloof alleenlijk, het

JEUGD EN KERK.

III

Da tijd dar probleman.

Deze jeugd, die vrij wil wezen en niét langer aan den leiband der ouderen loopen, vrij in da keuze van vrienden en vriendinnen, vrij in de keuze van haar ontspanning en vermaken, vrij in haar lektuur, vrij in haar levenskeus, vrij in hare levensidealen, zit echter met de problemen van dezen tijd.

De werkelijkheid zet aan alle kanten schuttingen en schermen en belemmeringen i rondom haar idealen.

Dat geeft de problemen.

Niet weinige.

Da lucht is er mee bezwangerd. Ze lichten ieder oogenblik aan een donkeren» onneilspellenden hemel. Ze laten ons geen oogenblik met rust.

Zeker, de jeugd doet aan sport. Gaat er in op. Het winderige sportpark is haar oneindig meer waard dan het oude, stille korkgebouw. Padvinderij, fietstochten, roeiwedstrijden vullen hoofd en hart. Voetbal, korfbal, slagbal en wat ^oor andere bal heeft onmiddellijk haar belangstelling, 't Schiet soms uit tot een manie. Trouwens, bij de jongeren niet alleen. Men kan op dit terrein gerustelijk spreken van sport-

snobbisme.

Daarbij heeft de techniek, met haar mo- ^ darne wonderen, onmiddellijk haar interesse en bewondering. Wat voor jongmensch

prutst" (zoo luidt immers de term) met in electro-techniek en radio-magie. De gaatjes van het jonge leven, die nog door de school en het huiswerk werden opengelaten, worden daarmee tot aan den rand gevuld. Ja, als 't nog maar de gaatjes zijn; en de zaak niet omgekeerd wordt, zoodat school en studie voor de overblijvende gaatjes goed genoeg zijn en 't leven zelf gevuld wordt met wat ik eerst noemde. ..

Niettemin, men moet wel blind zijn om het niet te zien, dat 't jonge hart nog wat anders en hoogers begeert dan louter sport en techniek. In hun vragen en jagen is een kentering gekomen. Ze zijn kinderen van hun tijd. En onze tijd vertoont onder al zijn kenmerken da onvoldaanheid met dat wit bereikt werd, wel in de allereerste plaats. Da jeugd van onzen tijd is een veel ernstiger, bezorgder, gedrukter type dan vóór een 30, 40 jaar. Zij gaat gebukt onder de lasten en teleurstellingen van het groote wereldleven. De wereldsmart is haar smart. Maar dat niet alleen. Het is vaak met anders dan de afspiegeling van teleurstelling, m

IN O. ZYZ1