is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 42, 1929-1930, no 2149, 12-12-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons reorganisatie-ontwerp heeft. Het is een verwijt, dat hem heel zwaar weegt, want hij komt er telkens in zijn artikelen op terug. Zoowel in Art. II als in de artt. VI en VII van zijn reeks in de Reformatie handelt de Amsterdamsche hoogleeraar over de slapheid en rekkelijkheid, waarmede wij in ons ontwerp-reglemznt de kwestie van de leertucht aansnijden. Prof. Hepp vermoedt, dat wij de Synode daarmode in 't gevlij willen kom on, als poogden wij haar bij voorbaat reeds gerust te stellen, dat het mat de zoozeer gevreesde leertucht niet zoo'n vaart loopen zal. Om vooral duidelijk te kunnen doen uitkom on, dat de reorganisatie-commissie van oordeel is, dat de ,,ethischen" wel in de Kerk behooren, maar alleen de „modernisten" in de toekomst zullen hebben uit te treden, zouden wij zóó herhaaldelijk op het centrale der Christelijke geloofsbelijdenis ons hebben teruggetrokken; — daar made echter slechts een stukje van de oude Apostolische Geloofsbelijdenis als toetssteen voor de belijders in de toekomstige Volkskerk opstellend (nl. de woorden: „ik geloof in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere"), waarin niets specifiek-Gereformeerds maer schuilt, en dat derhalve evengoed door eenBaptist of door een Lutheraan als door een Gereformeerde kan onderteekend worden.

Ook in de door ons ontworpen proponents-formule vindt Prof. Hepp dezelfde vaagheid en slapheid. Neen, dan was het onderteekeningsformulier van Dordt, waarbij de a.s. Dienaren des Woords verplicht werden tot onvoorwaardelijke onderschrijving van de drie formulieren vaneenigheid, nog eens wat anders! „Dat was nog eens formuleeren!" roept Prof. Hepp in verrukking uit.

Ongenoegzaam is volgens Prof. Hepp niet minder de wijze, waarop in het ontwerp gedurig naar „Gods Woord" als toetssteen der heilswaarheid, ook boven de belijdenis uitgaande, verwezen wordt. Dat had nader omschreven moeten worden! In een Geref. Kerkorde behoeft dat natuurlijk niet volgens Prof. Hepp; maar wel in een ontwerpReglement voor een Kerk, waar men onder Gods Woord van alles verstaat! Deze niet nader omschreven toetssteen van Gods Woord roept voor Prof. Hepp het schrikbeeld op van een kerkvergadering, waar iedere enkeling, die er min of meer toevallig deel van uitmaakt, zijn private opvatting van de beteekenis van Gods Woord wil doorzetten en opleggen aan een ander!

Dat Prof. Hepp na de ontdekking van al deze tekorten in ons Ontwerp-Algemeen Reglement zelf weinig waardeering heeft voor het nieuw ontworpen hoofdstuk bij het Syn. Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht, nl. het hoofdstuk over Leergeschillen en Leertucht, en dat evenmin de Overgangsbepalingen aan het slot van ons rapport genade vinden kunnen in zijn oogen, spreekt wel vanzelf. Ook hier vindt ! hij datzelfde ongemotiveerde terugtrekken op het centrum der Christelijke geloofs- ' belijdenis; en ook hier stuit hij op het verschijnsel, dat mon de dingen niet goed aandurft. Bij de toepassing van den „modischen" weg tegenover ambtsdragers gedurende de overgangsperiode blijken de leden van de reorganisatie-commissie „zachte heelmeesters", die onwelriekende wonden veroorzaken.

Ziehier de hoofdinhoud van Professor Hepp's requisitoir tegen onzen aanvat van het netelige probleem der leertucht.

Mijn antwoord zal ook ditmaal aan duidelijkheid niets te wenschen mogen overlaten. Ik moet ook nu, om mat Prof. Hepp zelf te spreken, het mes maar diep in de wonde zetten: in de wonde nl. van het Nieuw-Calvinistisch kerkrecht. Aan alle besef van solidariteit in schuldgevoel over < zonden, die kerkelijke zonden, die ons aller zonden zijn, blijkt Prof. Hepp gespeend. Van de houding van Mozes, die zich van zijn Verbondsvolk niet laat scheiden, ook niet na het bitter verval van dit volk des Verbonds, heeft de Amsterdamsche hoogleeraar niets. Hij denkt en leeft blijkbaar in i de sfeer van het zichzelf mot het Gereformeerde „volksdeel" tot ;,een groot volk" ( te laten maken, — wat Mozes als de bange 1 verzoeking in zijn leven juist afwees. ( Waar de geest der scheiding en der Dole- < antie triomfeert, daar moet zulk hooghartig ] oordeelen wel gekoesterd en vroeger of ] later ook uitgesproken worden. ]

Welnu, tegen dezen geest staat heel ons J Rapport vierkant over. Wij willen welbe- s wust solidair blijven met onze kerk, als c Kerk des N. Verbonds, ook in haar diep ( verval. Wij mogen er niet aan denken, ons i uit het geheel te laten uitlichten als een 1 Gereformeerde kern. Wij willen en moeten ] moe dragen, en ook na reorganisatie wellicht nog heel lang blijven dragen, de ge- £ volgen van de zonden der vaderen. Omdat ] het, waar wij deelhebben aan het Verbond, s ook onze zonden zijn. Wij willen met veroot- (

1 moediging en aanbidding van 's Heeren t Naam ons enkel werpen op Gods beloften, ) en als het geloof ons stoutmoedig maakt, . zeggen wij het Mozes na mot zuiveren ; klank, ook in de toepassing op de historie ■ ónzer kerk: 0 Hoere! waarom zou Uw toorn 5 ontsteken tegen Uw volk, hetwelk Gij mot groote kracht, en mot een sterke hand uit het diensthuis van Roma uitgevoerd hebt ?

En nu scheen het ons allen — ook hier was de geheele reorganisatie-commissie eenparig! — eisch van het solidariteitsbpsef onder kerkelijk verval en kerkelijke zonden :

le. dat wij in de vraag van de belijdenis onzer Kork de nieuwe kerkorde deden terugwijzen naar het groote centrum der beljdenis: Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer. In ons kranke en verwarde kerkelijke leven is uiteengedreven wat bijeen behoort. Het wantrouwen kankerde zóó diep door, dat belijders van den Christus elkander nauwelijks moer herkennen, en niet zelden in den m'st van ons huidige Synodale stelsel elkander be' am j> pen om bijzaken als bittere viïanden Wij zullen in de gereorganiseerde Kork elkander moeten leeren hervinden. Daartoe zetten wij de banier van de centrale Christusbelijdenis op, opdat rondom het Hoofd der Kork weer kniele al wat buigen wil voor dien éénen Heer.

Ons terugtrekken op dit centrum der Christelijke geloofsbelijdenis beteekent dus allerminst, dat wij loslaten de rest van de belijdenis der XII Artikelen, of dat wij verloochenen de rest van de drie Formulieren van Eenigheid. Veeleer zit in de belijdenis van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere, al het andere ingewikkeld besloten. En in ieder geval is in deze centrale belijdenis naar onze gemeenschappelijke overtuiging het brandpunt gegeven, van waaruit de geheele lens onzer Gereformeerde geloofsbelijdenis voor onze gereorganiseerde Kerk weer helder en transparant worden moet.

Trouwens, hoe zou in onze Kerk, zoodra zij weer als belijdende Kerk ondubbelzinnig kan gaan openbaar worden, b.v. in de proponentsformule een verplichting tot onder schrijving van de letter der drie Formulie- | ren van Eenigheid kunnen mogelijk zijn? I Zal de Kork hier opnieuw moeten leeren, ! deze belijdenis te belijden? Kan de Kerk in hare vergaderingen ooit uitspreken, wat zij onder die belijdenis naar haren inhoud verstaan heeft, zonder dat zij in den tegenwoordigen tijd overgaat en de oude belijdenis hernieuwende, uitspreekt, wat zij onder hare klassieke geloofsbelijdenis verstaal ?

2e. In de tweede plaats scheen het ons een onontwijkbare eisch van solidariteit» besef, om de zgn. „reglementaire rechten" van ambtsdragers, die onder de oude kerkorde de ambtsbelofte hadden afgelegd, te ontzien. Dat zij deze belofte kunnen op ■ I vatten als een ingaan op een contract mot : de Kork, zoo verbijsterend burgerlijk en ongeestelijk gedacht, dat is mode onze zonde. Daar zijn wij allen mot onze vaderen mode verantwoordelijk voor. Want onloochenbaar is het feit, dat onze huidige kerkelijke reglomonten een zuiging vertoonen naar de moest jammorlijke verburgerlijking onzer Kerk. Daarom mogen wij tegenover deze, zich aan den ouden toestand vastklemmende, ambtsdragers de kerkelijke leertucht niet in actie brengen, alsof onze Kork, na invoering der nieuwe Kerkorde, ineens een normale Kerk was. In plaats van in te zien dat onze Kork dan onder den zegen des Hoeren eerst het proces der gezondmaking kan ingaan.

3e. Ten slotte achtten wij het ook eisch van het ware solidariteitsbesef in het mode buigen orider kerkelijke "zonden, zoo nadrukkelijk mogelijk het door onze kerkorde te doen uitspreken, dat de eerste en laatste norm voor alle heilswaarheid blijft Gods Woord. Op Gods Woord wilden wij onze Kerk ook in hare vergaderingen weer geheel geworpen zien. Hier is het waagstuk van het geloof onverm j del ijk. Geloof in den sprekenden God van het Genadever- I bond. Als Hij, Die ons met groote kracht en een sterke hand in de eeuw der Reformatie uitleidde uit Rome's diensthuis, nog onze God is, Die zijn Verbond bewaart, — en ' dat blijkt Hij te zijn iederen dag in ons huidige kerkelijk leven —, dan zal Hij ons blijven leiden in al de waarheid ook na het i herstel van de wettige vergaderingen onzer < Kerk. Dan zullen ook daar, ondanks man- 1 scheljke schuld en velerlei dwaalbegrip bij i de leden dier kerkelijke vergaderingen, Geest en Woord hun wondere verbinding f aangaan, zóódat ook bij leergeschillen en 5 leertuchtkwesties God het laatste woord zal ) houden! 1

Wij wagen het welbewust, — niet als ( slappelingen maar mot de fiere stout- 1 moedigheid des geloofs, — om ons allen £ samen over te geven aan de tucht van Geest j ( en Woord, zooals het Hoofd der Gemeente <

1 die in den institutair-kerkelijken weg wil

, doorzetten. Van nadere definities over Gods

, Woord, die omgingen buiten het in de

1 historische belijdenisschriften gestelde

3 moesten wij afzien, omdat dit een zandig

1 vooruitgrijpen zou hebben beteekend op de

t nieuwe toekomst eener belijdende Volks-

b kerk, die als kerk zal hebben uit te spreken

• de Waarheid des Woords, zonder dat een

• orthodoxe „groep" of Gereformoerde > „partij" haar deze belijdenis reeds bij voorE baat in den mond legt.

De God aller genade moge deze nieuwe toekomst voor onze Kerk verhaasten en

i werken in ons dien geest der stoutmoedig-

t heid des geloofs, die Mozes tegelijk onver-

• zettelijk en zachtmoedig maakte.

■ Gron. Haitjema.

t

WAAR HET OM GAAT.

L

't Is en blijft bij alle gedachtenwisseling s j over het reorganisatievoorstel in de pers en | op vergaderingen vóór alles noodig, dat 1 man zich klaar bewust zij, waar het om

■ gaat.

Op allerlei, wijze toch leidt mm de aandacht van de hoofdzaak af. Met of zonder

• verkeerd opzet. Zeer bijzonder is dit het geval, waar mon zich erop toelegt om alle gedachten saam te trekken op de bij velen gehate of gevreesde leertucht, welke haat en vrees nog aangewakkerd wordt door allerlei verkeerde of onklare voorstellingen. Hoe dikwijls heb ik in de moderne classis, waar ik vroeger toe behoorde, bij alles, wat naar principieele verandering der bestaande organisatie zweemde, die leertucht weer voor den dag zien brengen. Gelijk een roode lap, die een stier tot razernij brengt, werd ze dan gebruikt. Het zwaaien daarmee bleek bij moerdere gelegenheden en op moerdere plaatsen een doeltreffend middel om een doorslaggevende minderheid tot verzet tegen iedere verandering op te zetten en het reglementair conversatisme te doen zegevieren.

Zeker, het is op zichzelf wel goed, dat de vraag wat eigenlijk leertucht is, made tengevolge van dit voorstel naar voren komt, 1 Maar de verdediger van het voorstel, die I het pleiten voor of tegen reorganisatie laat terug brengen tot een pleiten voor of tegen leertucht, heeft zich door den tegenstander laten dringen in een valsche positie, waar het nadeel allicht is voor hem en zijn zaak en het voordeel voor de tegenpartij.

Daarom sprak ik van een goed begin op de Utrechtsche vergadering, omdat daar het ideaal eener Christus belijdende volkskerk al dadelijk in openingswoord en referaat in het oog werd gevat en steeds in het oog werd gehouden, terwijl men zich goed wilde orienteeren, opdat toch terstond de eerste schreden met voorzichtigheid maar ook met doorzettende beslistheid in de j juiste richting daarheen werden gezet en zich daarbij niet te laten afleiden noch ter | linker-, noch ter rechterhand.

| Hierom gaat het:

Onze kerk moet kerk zijn en ook als kerk zijn georganiseerd en niet als een godsdienstige vereeniging van voor elk wat wils.

Onze kerk moet daarom ook in haar inrichting een belijdend karakter vertoonen en mag niet ingericht zijn op belijdenisloosheid.

Meer bepaald nog: onze kerk moet een organisatie hebben, die past bij een kerk, die naar haar wezen is lichaam van het Hoofd Christus. Ze moet dus zijn ingericht op prediking en belijdenis van dat Hoofd, den levenden Christus der Schriften, die door 1 deze prediking en belijdenis als onmisbaar < middel zelf nog zijn lichaam bouwen, zijn 1 kerk vergaderen, uitbreiden en bevestigen . wil. ,

Dat zoeken wij niet als ketterjagers, die 1 op kleinzielige, farizeesche ketterjacht belust zijn, maar dat zoeken wij als Christgeloovigen, die achten, dat zij persoonlijk maar ook hun kerk tot Christusprediking en Christusbelijdenis verplicht zijn, door 's Heeren woord: Een iegelijk, die mij belijden zal voor de mensehen, dien zal ik ook I belijden voor mijn Vader die in de hemelen < is, maar zoo wie mj verloochend zal heb- 1 ben voor de menschen, dien zal ik ook ver- r loochenen voor mijn Vader, die in de 1 hemelen is. I

Wat ons diep bedroeft, beschaamt en 1 beschuldigt, is, dat onze kerk door onze 1 organisatie wordt gedrongen in een dubbel- c hartige schouderophalende Pilatushouding tegenover de Christusbelijdenis (Joh. 18 : 30) j

Van belijdenisorganen, om die belijdenis s als kerk als gemeenschapsbelijdenis uit te g spreken in het heden, is ze beroofd. Haar 1 historische martelaarsbelijdenis, die naar g haar wezen Christusbelijdenis is, werd door haar organisatoren opgeborgen in een f! kast, waarvan de sleutel zoek is, om daar c gel jk eens de wet in Jeruzalems tempel \ (2 Kron. 34) onder het stof der eeuwen be- I dolven te worden. En wat er in zake be- k

il lijdenis in haar kerkelijke grondwet 611 s afgeleide wetten voorkomt, is juist w»t e de Christusbelijdenis betreft voor dubbel' e zinnige uitlegging vatbaar en wordt tot g dubbelzinnige kerkelijke praktijk gebruikt' e Als er toch sprake is van: „het evangelie W"

- Jezus Christus" wordt dit evangelie °p a deze tweeërlei wijze verklaard: of het evaö' a gelie heeft Jezus Christus als eenig zalig' e maker tot inhoud en verklaart het geloovil

- vasthouden van Hem als Hoofd en Hêzfl voor enkeling en kerk ter zaligheid onmisbaar

0 — of het evangelie, dat op naam staat v.^1

1 een zekeren profeet van Nazareth, ,,de veel'

- omstreden persoon van Jezus Christus'1!

- verklaart geenszins het vasthouden a»® Hom als eenige Zaligmaker en Hoofd oB*

. misbaar. „Het evangelie van Jezus ChriH tus" wordt, dus reglementair gemaakt e® praktisch gebruikt tot een formule, waardoor zoowel het ja als het neen tegenover de belijdenis van het eenige Hoofd wordt l gedekt.

1 Daarom is de kostelijke vrijheid, die tot b eiken prijs moet behouden worden en tot 1 vasthouden van de bestaande organisatie dringt, deze, dat leeraars en belijders in h$\

- ja of neen zeggen naar eigen verkiezing moeWM r vrij gelaten blijven. De verbinding aan de. b kerk kan dan zijn ,, vrij blijvend" ten op'j ) zichte van den Christus als zijnde al of nietj 1 onmisbaar Hoofd der Kerk.

1 Ziet, wij willen vrijheid en geen geestelijk6 i dwang. Maar we kunnen niet vergeten, dai| de Schrift van valsche en ware vrijheio spreekt. We moeten verwerpen de vrijheid I van Ps. 2, die nl. ten koste van het Hoofd' We kunnen en mogen voor onszelf en on^e kerk slechts aanvaarden de vrijheid vüH l Joh. 8, de vrijheid in Christus, waarmee de , Zoon vrijmaakt.

Wij voelen als leden onzer nationale kerk „katholiek", zooals door Dr. Gunning . onlangs in zijn artikel terecht in 't licht gesteld. We willen die kerk niet verengd eflj vernauwd zien tot een farizeesche, sepa'! ratische en sectarische partijkerk. Ter wijl we bij de openbaring der kerk in de zichtbaarheid strijden voor de al zuiverde'I openbaring van het ,,eene algemeene kerk' | onzer twaalf artikelen1) en h.etnationaleonz& I kerk aanvaarden als een drang naar hetj internationale, willen we echter niet ver* geten, dat ook dat „heilige Christelijk1 kerk" dier artikelen, de in Christus ge heilig' de kerk, om openbaring roept. Waar de toespitsing hiervan, die tot scheiding en scheuring voert, afwijzen, en ruimheid \ en verdraagzaamheid voor onze groote nationale kerk een eer en een roeping achten, willen we toch wederom geen ruin®' heid en verdraagzaamheid ten koste val1 Christus, maar slechts in Hem. We wille" kerkelijk de ruimheid van het: „wie niet tegen ons (christenen, christelijke groef' kring, partij) is, is voor ons", vereenig'' zien met de beslistheid van het: „Wie nietj met mij (den Christus) is, is tegen mij, I met Mij niet vergadert, die verstrooit."

Wee onze kerk, als ze dit laatste vergeet' | Haar ontbinding en verstrooiing moest da® het einde zijn.

Wel onze kerk, als ze zoowel het eene a^ het andere theoretisch bedenkt, organi' j satorisch vastlegt, praktisch betracht. Pat1 j wordt ze in en door haar onzichtbaa1 j Hoofd Christus, door Zijn Woord en Geest' [ in prediken en belijden, in gelooven, $ liefhebben en hopen gebouwd.

Dat beoogt reorganisatiestreven en r®' [ organisatievoorstel.

Daarom gaat het.

Van hier uit moet al het andere als voof' ; onderstelling of gevolg worden gezien. Uit ; deze positie willen we ons niet in een val' , sche positie laten dringen.

*) Ik geloof ééne heilige algemeene christe' lijke kerk.

J. Ch. &

^ ,

GUNNING EN DE REORGANISATIE.

Het is ontroerend na te gaan, hoezee* Gunning in de laatste jaren van zijn leve11 vervuld was mot de reorganisatiegedachte' Telkens weer verscheen er eene broehuf0 van hem over deze zaak. Te Arnhe^ bepleitte hij haar als oud-hoogleeraaj

voortdurend in kleinen kring. Treffen" heeft hij in 1904 de bezwaren, waartege" de strijd ging, samongevat op het eind van den (door hem opgestelden) Opef Brief van de destijds benoemde reorgan'' satiecommissie aan de Synode in de Vpl' ; gende woorden, die wij in verband m- I het nu bij de Synode aanhangige R&°f' j ganisatierapport hier overnemen:

„In deze organisatie bestrijden wij de11 geest der behoudzucht die alles bij elkan' der wil houden, belijdenis en loochening j van den Christus, die onze kerk belijd6' j Den roomschen geest, die de bestaand0 J kerk in haar eischen boven'Christus stelt' j

oms^reaen persoon van Jezus Unristus > verklaart geenszins het vasthouden aafl Hom als eenige Zaligmaker en Hoofd ob| misbaar. „Het evangelie van Jezus ChriS'1 tus" wordt, dus resrlementair e-emaakt eö