is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 42, 1929-1930, no 2158, 13-02-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Koninkrijk der hemelen en eens beschaamd worden in den grooten dag des oordeels. Aan de vruchten moet de boom worden gekend (vgl. ook Mt. 7 : 24—27).

Van een tegenstelling, tusschen leer en leven is hier geen sprake. Dit is een tegenstelling, zooals we reeds zeiden, die door Prof. 13. aan de nieuwere theologie is ontleend, doch die aan den bijbel vreemd is. Aan de zonderlinge exegese, die Prof. B. van Mt. 7:21 geeft, kan men het best bespeuren, tot welke onjuiste conclusies zijne methode leidt. Maar tevens blijkt hieruit de zwakheid van, heel zijn standpunt, dat metterdaad op de „onbewuste praemise" rust, die hier slechts bijzonder schril aan het licht treedt.

A. P. J. Kbomsigt.

GEHEEL IN DEN STIJL.

£ Ik bedoel, de uitvaart van den aartsbisschop van Utrecht op Vrijdag 22 November j.1.

Hoeveel eenvoudiger een Protéstantsche

begrafenis! Ook als üet één van de grooten onder de grooten geldt. Inderdaad, èn oog èn oor krijgen bij Roomsche plechtigheden volop te genieten. Te verbazen is het niet, wanneer deze kerk met haar weidsche ceremoniën, haar uitstalling van macht en pracht op de groote massa, die aan de oppervlakte hangen blijft, veel dieper indruk maakt dan eenig Protestantsche kerk.

Zoo blijft de kwalifikatie van Kohlbrugge voor deze kerk nog steeds de juiste; de kerk der wereld.

Wie zich in zijn godsdienstig leven niet richt op den Bij bel en van het „in geest en waarheid aanbidden", van de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen niet de flauwste kennis bezit, moet zich tot deze kerk der wereld onwillekeurig veel meer aangetrokken voelen dan tot de kerken van het Protestantisme. En wanneer de bekeeringspogingen van Home, zóó veelvuldig en zóó vindingrijk in deze tijden aangewend, tot dusverre nog zóó weinig resultaat opleverden, moet dit voor een goed deel toegeschreven, worden aan de oude, sterke, Protestantsche traditie, die er bij ons Nederlandsche volk nog veel dieper inzit dan het zelf wenscht te bekennen.

De begrafenisplechtigheid in de Metropolitaankerk van Üt. Catharina te Utrecht

aan de Lange Nieuwstraat was in één woord indrukwekkend. De organisatie, als altijd, schitterend. De kerk stampvol. Aan grootwaardigheidsbekleeders geen gebrek. Drie van de vier Roomsche ministers. Had de premier dien dag de Kamer niet te woord moeten staan, hij was er ook geweest. Commissarissen van de Koningin. Leden van den Raad van State. Bisschoppen, kanunnikken, abten. Professoren van onderscheiden universiteiten en wereldlijke gezaghebbers. Inderdaad, de eere welke den aartsbisschop bij zijn leven werd toegebracht, werd haast nog overtroffen door al de glorie van zijn uitvaart.

Van eere vloeide de lijkrede, waartoe de vicarius capitularis, deken Jansen, den kansel beklom, over. „Grootvorst van Utrecht's Kerk, Ziener bij Gods genadelicht, Bestuurder met Gods sterke hand, Uitvoerder van Gods wijze en liefdevolle plannen, wij allen vereeren U met dankbare liefde". Zóó klonk het in het eind uit den mond van dezen lijkredenaar. Had de aartsbisschop het kunnen hooren, wat zou hij gezegd of gedacht hebben ? — Na zóóveel lof verbaast het een nuchteren Protestant inderdaad, wanneer hij daarna in de uitvoerige verslagen leest, dat de vier bisschoppen het nog noodig vonden na deze lijkrede hun zetels te verlaten „om achtereenvolgens de absoute (d.i. de absolutie, de schuldvergiffenis) bij den katafalk, waarop de lijkkist rustte, te verrichten." Had een, wien zooveel lof en prijs werd toegezwaaid, ook nog schuld? En schuldvergiffenis van noode ?

Daar hebt gij nu de kerk der wereld, ten voeten uit. Bij zooveel pronk en praal, rondom den dood, bij zóó bombastische eeretitels kan ik mij begrijpen, dat een Protestantsche prediker (zie Onder eigen Vaandel, Oct. '29, blz. 311) zegt: „De meest indrukwekkende begrafenis. Ook de eerlijkste. Men draagt een doode weg. Een schare in 't zwart gekleede, zwijgende menschen er achter. Geen klokgelui, geen psalmgezang, geen Bijbelwoord (dat evenmin!), geen gebed, geen zegen. Ook de prediker en ziji) ouderlingen stonden tusschen de zwijgenden. De dood spreekt. Zijn eigen taal! In de gelijkmatige tred der langzaam voortwandelende menschen. In de aarde, die dof op de kist valt. In de groote eenzaamïeid en verlatenheid der treurenden. In net eeilijk bekende onvermogen van den eenen mensch om den anderen te helpen.

De dood spreekt en zijn stem moet gij hooren!"

In elk geval, wanneer de uitvaart van, den aartsbisschop plaats had gelijk de bladen ons dat in kleuren en geuren hebben gemeld, was dat volkomen passend in den stiji van de Roomsche kerk.

Want wat is die stijl ?

Waardoor kenmerkt zich de Roomsche kerk en haar mentaliteit ? Is dat wat anders dan de geesteshouding van het Protestantisme ? Waardoor staat zij zóó heel anders èn tegenover God èn tegenover de wereld dan de echte Protestant? Zou ze dan toch niet waar zijn, die gedrochtelijke bewering van Dr. Kuyper, dat wij met Rome op één en denzelfden wortel stoelen?

Zeker zijn er trekken van overeenstemming. De groote volksleider van weleer heeft er een handig gebruik van gemaakt om zijn politiek daarmee te dienen ei; „onze menschen", die den leider door dik en dun volgden, te krijgen waar hij ze hebben wou.

De Roomsche doop is de onze; wor> zelfs ook erkend in de kerken van hei Protestantisme. De twaalf artikelen dos geloofs en nog andere geloofsbelijdenissen, die ons kostbaar zijn, telt ook Rome nog altijd onder haar geestelijke schatten. Dus doet Rome ook niet mee aan de rationaliseering van het modernisme; maar laat Christus Zijn kroon, door Hem te eeren als den wonderen Godmensch; precies zooals wij. Zóó is er meer.

Doch dat bepaalt den stijl der Roomsche kerk niet.

Dat zij de geestelijke zaken, ons geopenbaard in de Heilige Öchriften, heeft weten te verzinnelijken, dat is haar stijl. Dat is ook haar verbastering en zonde. Dat is de oorzaak, dat Lutker in de zestiende eeuw teruggreep naar den Bijbel en op eenmaal duizenden zijne prediking van de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen verstonden en beaamden.

Rome houdt er in de kerkelijke praktijk een godsdienstig materialisme op na, dat wèl den mensch, die aanziet wat voor oogen is, behaagt; maar in lijnrechten strijd is met den eenvoud en de waarheid van het goddelijke Woord.

Daar hebt gij, om iets te noemen, de sacramenten. In de sacramenten maakt God de Heere Zijne genade zicht- en tastbaar; ze zijn een zegel, tot versterking van het gesproken woord. Beloften in beeld. Rome echter gaat verder. Zij maakt van de sacramenten toovermiddelen. Zonder de sacramenten geen zaligheid. De doop bijv. bij haar niet teeken en zegel van Gods genadeverbond. Neen, het doopwater deeit iets mede. Het bezit bijzondere kracht; immers, het reinigt van de erfschuld. — Nog sterker springt dit in het oog bij het sacrament des Avondmaals. De communie. Immers, de communicant ontvangt geen brood of ouwel. Hij ontvangt naar de Roomsche leer in den ouwel het eigen vleesch en bloed van Christus, waarmede Hij leed aan het kruis. „Onze lieve Heer," gelijk de Roomsche zegt. Het „allerheiligste".

Die verzinnelijking van geestelijke dingen, die omkleeding van hemelsche zaken, met een wereldsch kleed treft u, wanneer gij de reliq uien-vereering, of den beeldendienst van Rome in oogenschouw neemt, Zij komt u tegen in het aanprijzen van allerlei genadeooi den en genademiddelen, daar verkrijgbaar. Dat is geen Evangelie meer; dat is toovenarij, wanneer het gebed op de Pilatustrap te Rome van meer kracht en uitwerking is dan wat gij bidt, thuis, in uw binnenkamer. Christus heeft dat (Johannes 4) aan de Samaritaansche vrou^ heel anders geleerd. En waarom zou God de genezing op het gebed eerder schenken in Lourdes dan in Amsterdam ? Of wat beteekent het, zijn gebeden in Amsterda a juist bij „de heilige stede" op te zenden; alsof ze daar eerder gehoord werden eu daar meer zegen brachten dan wanneer gij ze elders neerlegt voor God ? Maar .. de mensch ziet aan wat voor oogen is. De mensch wil dat wel. Rome is een uitnemend menschenkenner. Ook in dat opzicht is zij de kerk der wereld.

Het krachtigste vertoont, sinds 1870, de Roomsche stijl zich wel in het instituut van den onfeilbaren paus. Rome schijnt aan een God in den hemel en Zijn heerlijk Woord hier op aarde niet genoeg te hebbenOok hier heeft zij voor menschenoogen zichtbaar gemaakt, wat menschenharten hevig begeeren.

We willen immers zien! Zooals Thomas. Neen, niet gelooven. Zien en tasten. Aan alle kanten wordt ons dat bewezen door onze tijdgenooten. Wat anders is bijv. dat gesol met Krishna-Murti ? Of die theosofische nabootsing van Rome in de VrijKatholieke Kerk? Of dat opkomende Sacramentalisme van Rittelmeyer en de zijnen, waarover ik onlangs in dit blad

schreef ? De neiging van den blinden heiden

om zijn afgod bij zich te hebben, zit er bij onze bescnaafde menschen, maar die op dit punt al even^blind^zijn, slechts al te diep in.

De autoriteit, die wij, ^Protestanten, slechts durven toekennen aan Gods eigen Woord, laadt Rome's kerk op de schouders van dien zondigen, feilbaren mensch, walken de kardinalen tot hun hoofd en dat van hun kerk verkiezen. Goddelijk gezag bezit de paus. Wanneer Hij spreekt, ais de plaats» bekleeder van Christus hier op aarde, in de zaken van geloof en zeden, heeft God zelf gesproken. Dat is een onfeilbaar woord. Een waarheid, waaraan geen enkel mensch, of hij gelooft of niet, mag tornen, Verklaart straks de paus, ook tegen alle getuigenis der Heilige (Schriften in, dat Maria ten hemel voer, dan is de zaak uitgemaakt. Eeuwiggeldende waarheid. Onvergankelijke leer. Dat ieder zich buige en beame! — Geen wonder, dat den paus afgodische eere gebracht wordt. Dat hij als „de Heilige Vader" wordt bewierookt. En dat een Koomsche geestelijke de gedachte uitsprak, dat de paus de derde ziekt bare tegenwoordigheid van Christus onder de menschen is. De eerste was Christus in de kribbe; de tweede Christus in liet sacrament des altaars; en de derde de mystieke Christus in den paus op het Vatikaan. Dat is Roomsche stijl.

Dat is een zinnelijke levensbeschouwing, die precies bij het zoeken en streven van den natuurlijken mensch aanpast. Niet gelooven! Zien! En dus komt hier de eenvoud 'van het Evangelie der genade ook slecht van pas. Als het op zien aankomt, spreken de lichtzuilen en tooverlampen van de Edison-lichtweek toch heel wat verbluf fender taal dan de zon aan den hemel. Krachtens dat beginsel van de verovering der zinnen wordt Rome gedreven op een weg van altijd grootscher kerkgebouwen, heerlijker ceremoniën, verrassender wonderteekenen. Want de menschelijke begeerte raakt nooit bevredigd. Evenals de rijkaard vraagt zij altijd om meer.

Op die wijze drijft het schip dier kerk al verder uit de koers, die het compas van 's Heeren Woord ons aanwijst; en verzeilt midden in de wateren van iniddeleeuwsch en regelijk modern bijgeloof. Maar zij moet! Zij kan niet anders! Het uitgangspunt brengt het mee. Het stelsel eisclit liet nu eenmaal. Stel je voor, een paus, een bisschop ; en geen plechtgewaden, geen kleurrijke ceremoniën; doen slechts de eenvoudige verkondiging van het Evangelie, zonder meer!

Omdat Rome de kerk der wereld is, oogst zij wereldsche eer. Maar zal straks ook de onomstootelijke waarheid van het Bijbelwoord ondervinden, dat „de wereld voorbijgaat met hare begeerlijkheid".Rome voedt de zielen met bloemen. Maar wanneer er een krijt: „ik verga van honger", helpt alleen brood.

Het levende Brood, Christus.

Amsterdam. H. Bakker.

MODUS VIVENDI'?

Onder Kerknieuws lazen wij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 25 Januari j.1. het volgende:

De Gereform. Bond in de Ned. Herv. Kerk.

Dr. J. van Lonkhuyzen geeft in de Amerikaansche Wachter, te Grand Rapids verschijnende, de volgende aan een brief van Ds. M. van Grieken te Rotterdam ontleende bijzonderheden over den Gereformeerden Bond in de Ned. Hervormde kerk.

De bond heeft een studiefonds om gereformeerde jongemannen tot predikant in de hervormde kerk op te leiden. Hiervoor werd verleden jaar ruim f 17.000 uitgegeven. Verder heeft hij een evangelisatiefonds voor evangeliseering in moderne gemeenten. Reeds telt de bond onder zijn leden een 200-tal predikanten der hervormde kerk en vele vooraanstaande hervormde gereformeerde mannen. De invloed van den bond in de hervormde kerk neemt elk jaar toe. Er is in de hervormde kerk nog een tekort aan candidaten, anders zouden veel meer gemeenten „bondsmannen" als predikanten of candidaten beroepen. Doel is dus niet enkel propaganda te maken voor de gereformeerde waarheid in de her-, vormde kerk, maar ook de onnatuurlijke saamvoeging van modernen en gereformeerden in die kerk op te heffen, of het althans zoo te maken, dat hetgeen de gereformeerde waarheid liefheeft op eigen terrein in die kerk kan saamwonen."

Lit d.eze van Ds. van Grieken stammende beschrijving zien wij bevestigd, dat de Gerei. Bond met een modus vivendi, welke den gereformeerden in de Ned. hervormde kerk een eigen „samenwoning" zou schenken, reeds tevreden zou zijn en dus de verbreking van den kerkelijken band met bijv.

de vrijzinnigen niet door hen als absolute eisch wordt gesteld." ....

Tot zoover het bericht in de Nieuwe Rott. Courant.

Onze lezers herinneren zich wellicht, hoe eenige jaren geleden een poging werd aangewend, naar wij meenen uitgaande van eenige Utrechtsche professoren, en waarmede toen ook van de zijde van den Gereformeerden Bond werd ingestemd, om tot een modus vivendi te komen.

Een modus vivendi beteekent letterlijk: een manier om met elkaar te kunnen samen leven.

En de hier bedoelde modus vivendi kwam, hierop neer, dat men, om aan den partijstrijd in onze Hervormde Kerk een einde te maken, onder het ééne dak der Hervormde Kerk verschillende schotten zou optrekken en daarmede dan afdeelingen of aparte woningen zou maken, zoo vele als er partijen in onze Kerk zijn te vinden.

Er zou in de ééne Hervormde Kerk een Moderne af deeling komen van Moderne gemeenten, die met oika^r zoudeu veigadoren en op hun eigen terrein dan de dingen zouden kunnen inrichten naar hun eigen smaak; en een Ethische afdeeiing, waar men hetzelfde zou kunnen doen, en een Confessioneele afdeeiing en een Kuyperiaansche afdeeiing en misschien nog méér afdeelingen.

Al die afdeelingen zouden dan door niet veel meer dan een administratieven band aan elkaar verbonden blijven als te zamen de ééne Hervormde Kerk; maar overigens dus: wat betreft de belijdenis en de geestelijke dingen in het algemeen, zouden zij elkaar laten voortgaan, een ieder op haar eigen lijn, zonder zich met elkanders doen en laten eenigszins te bemoeien.

Onzerzij ds werd er toen met nadruk op gewezen, dat zulk een oplossing van de kerkelijke kwestie geen oplossing van die kwestie was, maar eene oplossing van de Kerk zelve. De Hervormde Kerk werd daardoor eenvoudig in haar karakter van te zijn de voortzetting der oude Gereformeerde Kerk prijsgegeven. En ais wij, ten einde van onze Moderne en Ethische medeiidmaten of van hen, die ais zoodanig werden gedoodverfd, af te zijn, en ten einde de handen vrij te krijgen, in zulk een scheiding binnen de muren der Kerk bewilligden, dan was dat een prijsgeven van wat wij nooit mochten prijsgeven. Wij erkenden dan onze Kerk niet meer als de Kerk des Heeren, maar maakten haar tot eene Kerk der menschen, of misschien beter gezegt: als de kerk der partijen, waarin alle meeningen evenveel recht hadden, en waaruit een ieder dus het hem toekomende pond vleesch vrij mocht uitsnijden.

Tevens werd erop gewezen, dat de Bijbel ons nergens leert om aldus met de Kerk des •Heeren om te springen. Het eenige Bijbelsche middel om haar zuiver te houden was de prediking des Evangelies en de broederlijke tucht.

Zoo stond het toen.

Van die modus vivendi-plannen is toen verder ook niets gekomen.

Naar wij meenden waren ze reeds lang opgeborgen in de rommelkamer, waarin zien reeds zoo ontelbare plannen voor ombouw onzer Kerk bevinden.

Nu lezen wij echter in het bovenstaande, dat de Gereformeerde Bond nog steeds met zulk een aparte samenwoning der Bondslieden in het ééne huis der Hervormde Kerk zou tevreden zijn.

Indien dat waar is, betreuren wij het en moeten wij ertegen protesteeren en waarschuwen.

Dat vele modernen aan zulk een modus vivendi wel zouden aan willen begrijpen wij.

Toen zij in onze Kerk nog de lakens uitdeelden wilden zij er voor het grootste deel niets van weten; nu hun kansen steeds kleiner worden, beschouwen zij zulk een modus als eenige uitkomst om zich, al is 't dan in een aparte kamer, in de oude Kerk, te handhaven, zonder het recht der Kerk inzake de belijdenis van hare leden en dienaren te behoeven te erkennen en zonder zich daaraan te behoeven te onderwerpen.

Wanneer wij daaraan echter voet gaven, dan was dat tegenover hen: een hen uitstooten uit de Christelijke gemeenschapAlleen een administratieve band verbond ons nog aan hen.

Tevens was dat een bedekte voorbereiding voor een nieuwe en finale afscheidingWant die administratieve band hield zulke deelen niet bijeen. *

Vele Gereformeerde Bondsmenschen zouden niet meer te houden zijn. Zij zouden niet rusten, eer, langs dezen omweg, vele gemeenten en leden onzer Kerk, waren ondergebracht bij de Kerken der Afscheiding. Al bleven zij dan voorloopig administratief nog bij het „Hervormde Genootschap, presbyteriaal-Synodaal werden zij dan vereenigd met de gereformeerde kerken-