is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 42, 1929-1930, no 2164, 27-03-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslist. Als die achterwege bleef, zou dit schuld zijn, dat geboden gelegenheid tot doorwerking der reorganisatiebeweging niet werd gebruikt en men haar liet verloopen in plaats van haar te sterken. Hier is een groote verantwoordelijkheid.

Hoewel wij ons dus niet geroepen achten deze leiding hier te geven, meenen we dat het noodig is, dat we pogen ook in redactioneele artikelen ons rekenschap te geven over de beantwoording van genoemde gewichtige vraag.

Wat nu?

v Nu het reorganisatiestreven maar opgeven ?

Of het doorzetten krachtens een zekere stijfkoppigheid, hoewel het nu wel heel duidelijk gebleken is, dat het toch is gedoemd op niets uit te loopen?

Volharden is o.i. wel zeer zeker geboden. Niet echter op bovengenoemde wijze.

Heoraanisatiestreveil mag niet ontaar¬

den in een soort afgoderij met reorganisatie als met het groote toovermiddel tegen alle kerkelijke kwalen. Ook is ze nooit doel. Ze blijft slechts middel.

Middel ook niet waarbij het handhaven, formeeren of reformeeren van geloofsformulieren zonder meer einddoel zou zijn. Einddoel kunnen gereformeerde geloofsformulieren en hun vereering nooit zijn. Einddoel mag alleen zijn de eer des Heeren. Geloofsgemeenschap met Hem, uit Wien alleen alle reformeerende kracbt is,

en de vrucht dezer geloofsgemeenschap

i -n cïp.yp. fnrinrt.pp.rdpj cjbï'istcti&ïi. in Christus

gemeenschap geformeerd en gereformeerd naar Zijn beeld en in een gemeente van Christenen geformeerd en gereformeerd naar het beeld Zijns lichaams, zooals de Handelingen en de brieven ons dit teekenen. Alles: kerkelijke prediking en belijdenis en kerkregeering, moet middel zijn hiertoe.

■ Het naaste doel der reorganisatie met het oog op onze kerk is, dat onze volkskerk Christus toch vasthoude als haar eenig Hoofd en het volk vasthoude voor Hem. Juister: dat onze kerk zich geve als een instrument in Zijne hand of Hij haar moge gebruiken om het volk vast te houden; nog juister: om uit het volk zich door zijn Woord en Geest zijn volk te vergaderen.

Daarom komen we op voor het Christus heerschappij eerbiedigend, Christus' naam belijdend karakter onzer kerk. 't Spreekt vanzelf, dat bij ons reorganisatiestreven Jiaar gebrek in deze naar voren komt. Als

zij dit karakter klaar vertoonde, was immers geen reorganisatie noodig.

Toch doe onze reorganisatieijver ons niet miskennen, wat onze kerk aan christelijk karakter nog heeft.

- Integendeel, laten we beginnen dit dankbaar xe erkennen. Ook, om tegenover moedelooze vrienden en juichende vijanden te doen uitkomen, dat het jarenlange reorganisatiestreven door 's Heeren genade geenszins gansch vruchteloos was.

Werkte het inzake het christelijk karakter onzer kerk niet verbeterend, gelijk wij wenschten, het werkte toch behoudend. Het heeft de ontkerstenende machten een halt toegeroepen.

Nog steeds bleef, ondanks het geroep van geestverwanten van Ds. Bakels, in onze kerken op den kansellessenaar, de plaats rles crezaes. de Bijbel liggen als openbaring

van het positief protestantsch beginsel van de eenige autoiiteit van s Heeren Woord in 's Heeren kerk. De drie formulieren van eenigheid en de liturgische geschriften werden nooit afgeschaft. Integendeel, bij de synodale behandeling van het reorganisatie-voorstel hebben we tenminste deze winst te boeken, dat de synode-voorzitter van de vooronderstelling uitging, dat de leer in art. 11 A. R. niet nader aangeduid, geen andere is dan die onzer bekende gereformeerde belijdenisschriften. En hoe gebrekkig dit reglementsartikel ook moge wezen, wat de wijze betreft, 't laat de noodzakelijkheid der leerhandhaving toch duidelijk uitkomen en daarmee de noodzakelijkheid om de nu versperde weg tot rechte handhavina te heropenen. Ondanks zich

zelve roept ons reglement hier zelf om reor-

ganisatie, waardoor voor deze nananavmg de rechtmatige organen (kerkelijke vergaderingen) worden geschapen en haar de rechte perken worden gesteld door het beroep op het Woord, dat op haar kansels ligt" • n ■

De doop wordt nog bediend m den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes en de belijdenisvragen sluiten zich nauw bij de doopsformule aan. zoodat zelfs, wie zich aan deze vragen slechts in geest en hoofdzaak houden wil, door geest en hoofdzaak feitelijk reeds naar die formule wordt heengewezen. Door het steil?n van de formulier vragen bij den doop en ook door het stellen van vragen bij de voorbereiding van de viering des H. Avondmaals, dat in het Noorden des lands gebruikelijk is, wordt een zekere leertucht geoefend. En

de belofte door pioponenten afgelegd, dat ze zullen prediken „het evangelie van Jezus Christus", is wel heel algemeen; toch keert deze belofte zich nog tegen hen, die slechts willen weten van het evangelie van den rabbi van Nazareth en die Jezus niet als den Christus belijden.

Hoewel het doel van ons reorganisatiestreven geenszins is bereikt, mogen we toch dankbaar zijn, dat nog in dit alles het Christelijk karakter onzer kerk duidelijk tot uiting komt.

Zoo blijft met 't oog hierop de leuze: Houdt, wat gij nog hebt.

En evenmin als mag worden miskend, ( wat onze kerk aan christelijk karakter nog j heeft, evenmin mogen ook miskend de vele j mogelijkheden haar nog gegeven om ons I volk den zegen des evangelies te brengen. | Daarvan getuigden de artikelen van Dr. j Krop vóór eenigen tijd in ons blad opgenomen, die zoodra de gelegenheid zich voordoet, zullen worden voortgezet. De1"" van getuigen ook de artikelen van D-; j Kooiman over „Drente en de Vaderland I sche Kerk".

't Zou zeker onverantwoordelijk zijn, wanneer men uit ontstemming, on ia+ het reorganisatievoorstel niet werd aangenomen, nu niet zou willen zien en zoeken en gebruiken al de gelegenheden, die onze volkskerk nog heeft om volgens haar be-

omdat nu bij hem de achtergrond van de prediking des Woords (die door Jezus met even groot gezag aan de apostelen en in hen aan alle dienaren des goddelijken Woords, óok aan Prof. Brouwer, is opgedragen) wordt gemist. Daardoor verklaart hij de woorden ,,in de hemelen op magische (Roomsche) wijze, alsof zulk een daad van tuchtoefening zou gelden „ex opere operato", zooals de Roomschen zeggen, d.w.z. uit kracht van die handeling zelf, dus onder alle omstandigheden, absoluut, en niet conditioneel, d.w.z. in de vanzelfsprekende veronderstelling, dat zij geschiedt naar de instelling van Christus, d.i. werkelijk in den tmn/yy) vani Christus en dus op een recht-

WclU UIi/C Ü.C1 X± OlCVU V/liiiuwjijiv — C. j .. 7 , y jr 7 HA

heeft, evenmin mogen ook miskend de vele ; vaardige wijze naar ™

mogelijkheden haar nog gegeven om ons ! De Roomsche meent, dat Christus Zijne imlu- Arm '/fffpn des evangelies te brengen, i macht aan de ambtsdragers hee t oveige-

-nao^TOT, fro+,,,;rrrioT, rla artikelen van Dr. ! draaen, en dat dezen dus krachtens

xyoiuii. v uiii

stemming het volk tot Christus te trekken of bij Hem te houden.

Behalve de genoemde behoudende werking droeg het re or ga n ie at ie streven in den jongsten tijd wel degelijk bijzondere vrucht en bracht ons ook bijzondere leering.

Maar daarover D.V. nog iets een volgend maal.

J. Ch. K.

ROOMSCHE OF PROTESTANTSCHE f;; SLEUTELMACHT?

Prof. Brouwer heeft in het Algemeen Weekblad van 14 Maart 1.1. op onze artikelen over de „leertucht" geantwoord met een artikel over „De sleutelmacht volgens

eigen

autoriteit handelen, derhalve ook „ex opere

iperato". Dit is de magische voorstelling, •vaarbij het werk, de handeling, wordt geïsoleerd van het Woord en dus iets tooverachtigs krijgt. De Protestant gelooft, dat whïi^tus de sleutelmacht (die uit twee deelen lestaat; er zijn „sleutelen ) aan de imbtsdragers heeft opgedragen om die n Zijn Naam, op Zijn gezag uit te oefenen. jJit is de geestelijke voorstelling, waarbij het Woord steeds de geestelijke, vanzelfsprekende achtergrond blijft.

Prof. Brouwer heeft m.i. niet genoeg studie gemaakt van de Protestantsche, met name de Gereformeerde voorstelling aangaande de leertucht. Dit moeten we nu naar eens openhartig uitspreken. Het blijkt ■nii uit ziine artikelen voortdurend. Aller¬

lei bezwaren vallen weg, als men rekening houdt met de inderdaad fijnzinnige wijze, v aarop onze oude, Gereformeerde dogmatici en canonici deze zoo belangrijke, in het leven diep ingrijpende vragen hebben behandeld. Waarom gaat men toch aan den machtigen denkarbeid, die onze vademen aan deze dingen besteed hebben, zoo tchteloos voorbij ? Mogen ook onze jonge theologen, die dit lezen, opgewekt worden om bij dergelijke kerkrechtelijke, in den grond dogmatische vragen, althans kennis

te nemen en zóó ook winst te doen met wat

zichzelven niet, zij mogen daarmede niet handelen zooals zij willen, 't is hunne eigen macht niet, noch door natuur, noch door gift, maar 't is en blijft Christus' macht en zij zijn maar dienaars, door welke Christus die macht uitvoert."

En in de Synopsis (Disput. XlVIII, Thesis LVIII) lezen we (wij cursiveeren):

„Privatio internae cum Christo communionis respectu gratiae futurae non est pura aut absoluta, sed conditionalis tantum. Nam quurn Ecclesia judicio suo, quod Deus in coelis ratum habet, hominem exconmunicat, minatur ei, sicuti ab externa Ecclesiae communione et a gratiae Dei sensu 1) privatur aut excluditur, ita eum ex regno coelesti ultimo die exclusum iri, nisi per veram fidem et resipiscentiam judicium illud futurum antevertat; et hoe Christus etiam respicit, quum dicit: Quicquid ligaveritis in terra, erit ligatum in coelis; qude cum inhac vita non possint non esse conditionalia, sequitur etiam eorum absolutum complementum in futura demum vita esse expectandum." 2)

Wie deze beide citatenopmerkzaamleest, gevoelt wel, hoe er achter de „leertucht" in bijbelschen zin nog heel wat diepere, dogmatische vragen schuilen, dan Prof. B. schijnt te vermoeden. A. P- J- Kromsigt.

Matth. 16 : 18 en 'l9." We hebben met ons i ons voorgeslacht op dit gebied reeds heeft

wederwoord even gewacht, of er nog meer komen zou, doch dit is niet het geval. Nu,

daarin kunnen we Prof. B. geen ongelijk geven, al vinden we het wel jammer, dat hij althans op enkele bezwaren onzerz'ids niet wat nader is ingegaan. Doch „lites finiri oportet", men kan niet altijd aan het discussieeren blijven, óók niet in de courant Nu is het antwoord van Prof. B. al aanstonds typeerend. Prof. B. blijft aa^

zijne, door ons gewraakte, ,,atomisnscnv methode getrouw. Alleen verscherpt hij haar nog een weinig. Eerst vroeg hij, of leertucht N. Testamentisch was in plaats van er ook het O. T. in te betrekken en zoo den geheelen bijbel, het geheele Woord Gods, op zulk een gewichtig punt, waar hij een van de Christelijke Kerk aller eeuwen afwijkende meening koestert, te raadplegen. Nu concentreert hij zijne gedachten alleen op Matth. 16 : 18 en 19 en handhaaft zijne vroegere exegese, vooral met het oog op de woorden „in de hemelen" (die in Joh. 20 : 23 niet voorkomen).

Ik acht zulk een methode (het hooge woord moet er nu maar eens uit, al zeggen

we dit tegenover een bekwaam hoogleeraar natuurlijk met een zekeren schroom) onwetenschappelijk. Men kan op deze wijze m.i. onmogelijk tot een goede, juiste, veelzijdige voorstelling van zaken komen. Langs dien weg zijn dan ook verschillende nieuwere uitleggers gekomen tot de hypothese van een,,interpolatie'', een,,invoeging , omdat men den tekst in het gewone onderwijs van Jezus niet meer wist te plaatsen, een hypothese, waar Prof. B. met zijn in wezen magische (resp. Roomsche) verklar>

zeer zwak tegenover staat en waartoe ij j dan ook blijkens zijne eerste artikel en "f eds bleek over te bellen.

Waarom is nu deze methode ve .eerd ?

Volgens goede, exegetische methouo mag öien een tekst niet uit zijn verband rukken. Natuurlijk niet; dat doet Prof. B. ook niet, hij tracht steeds nauwkeurig het tekstverband na te gaan. Daarover zijn wij het dus eens. Maar — men mag een tekst óók niet rukken uit het verband van gedachten van den persoon, die hem uitgesproken heeft, zooals die gedachten ons in andere uitspraken zijn openbaar geworden. En dit doet Prof. B. wel. Hij maakt Mt. 16 : 18 en 19 b.v. lös van Luk. 10 : 16: „Wie u hoort, die hoort Mij en wie u verwerpt, die verwerpt Mij" en van vele andere woorden des Heeren, doch wij bepalen ons nu alleen tot dit ééne.

Met andere woorden, Prof. B. scheidt de tweede sleutel (kerkelijke tucht, d.i. cen-

i suur en afsnijding van de gemeente) van

de eerste (de prediking des woords). jjaardoor krijgt hij noodwendig een magische (Roomsche) opvatting van de kerkelijke tucht, en niet een geestelijke opvatting,

gepraesteerd. Niemand zal mi?'verdenken, dat ik' louter navolging bedoel. „Ecclesia reformanda, quia reformata" is de leuze, die ik nog zeer onlangs weer opnieuw heb langeheven. Maar — men bestudeere ook op dit gebied althans de bronnen. In dit opzicht kan Utrecht veel van Leiden leeren.

Wat mij trof bij 't naslaan van een paar nieuwere commentaren, was o.a. dit, dat de beroemde Theod. Zahn bij Matth. 16 om de dingen heen praat, maar dat de in de talmudische literatuur zoo bekwame Strack o.a. meedeelt, dat de Joodsche rabbijnen ook reeds tweeërlei sleutelmacht kenden, nl. leergezag (macht om de leer vast te stellen) en disciplinair gezag (tuchtrecht dus), wat vrij wel met het door Calvijn en in onzen Catechismus ontwikkelde overeenkomt.

Prof. Brouwer heeft bij zijne bespreking over de bijbelsche „sleutelmacht" vooral twee fijne onderscheidingen over het hoofd gezien, die de Gereformeerde theologie van ouds gemaakt heeft bij de behandeling

dezer kerkrechtelijke vragen, nl. die van heerschende óf dienende macht en die van absolute öf conditioneele uitspraak. Voor het eerste citeeren we hier ten slotte de populaire dogmatiek van Wilh. a Brakel, Redelijke godsdienst, die bij deze aan onze jonge theoïogen nog eens bij vernieuwing aanbevolen zij èn om haar heldere voorstellingswijze èn om haar gemoedelij k-praktischen aard, voor het laatste de beroemde Synopsis purioris theologiae, het bekende handboek voor alle studenten vele jaren lang na de Dordsche Synode, dat in zeer gemakkelijk Latijn geschreven is (ed.

H Bavinck, Leiden, Donner, 1881).

Brakel dan schrijft (I, lik. 29):

„Sleutelen beteekenen macht, deze is gebiedende, zoo heeft de Heere Jezus als de >.Ioere over de Kerk macht over haar. Op. 3 : 7 Die' den sleutel Davids heeft; die opent, en niemand sluit; en Hij sluit, en niemand opent. Of deze macht is bedienende, en wordt gebruikt op bevel en in dan naam van den Heere Jezus: Jes. 22: 22. Ik zal den sleutel van het huis van David op zijne schouderen leggen. In dezen laatsten zin heeft Christus aan Zijne kerk sleutelen gegeven, Mt. 16 : 19. Dat is, macht om in de kerk in te laten en uit te sluiten.

„Van het Koninkrijk der hemelen. Niet van het koninkrijk der macht, noch van het koninkrijk der heerlijkheid, maar van het koninkrijk der genade, 't welk is de kerk, in welke het alles hemelseh is; daar is een hèmelsch koning, hemelsche onderdanen, hemelsche goederen, hemelsche muren en poorten, hemelsche macht om in en uit te laten. Deze macht verblijft, noch heeft hare zitplaats niet in de opzieners als oorzaken en als eigenaars, zij hebben de macht in

!) Men lette op deze fijne onderscheiding. Onze vaderen rekenden wel degelijk ook bij diepen val van ware geloovigen met „de volharding der heiligen".

2) D.w.z. „De berooving van de innerlijke gemeenschap met Christus is ten opzichte van toekomstige genade niet volkomen of absoluut maar slechts conditioneel. Want wanneer de Kerk door haar oordeel, dat God in de hemelen voor geldig verklaart, een mensch excommuniceert (afsnijdt door den ban), bedreigt zij hem, dat hij, zooals hij van de uiterlijke gemeenschap der Kerk en van het gevoel der genade Oods beroofd of buitengesloten wordt, alzoo uit het hemelrijk buitengesloten zal worden ten laatsten dage, tenzij hij door waarachtig geloof en bekeering dat toekomstige oordeel afwendt; en daarop heeft Christus ook het oog, als Hij zegt: Wat gij op aarde binden zult, zal in de hemelen gebonden ziin: aangezien deze dingen in dit leven niet on¬

voorwaardelijk kunnen zijn, volgt hier uit, dat hun absoluut „complementum" („aanvulling") ook pas in het toekomende leven moet worden verwacht."

BRIEVEN UIT HONGARIJE.

Kerkelijke restauratie in Hongarije.

Sursum corda!....

Deze woorden roep ik alle Nederlandsche broeders toe, die niet slechts zeiven Christus belijden, maar ook streven, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk geheel en al als geinstitueerde Kerk een Christusbelijdende Kerk zal zijn.

Gij moet niet denken, geachte broeders, dat ik mij verbeeld, dat ik veel sterker ben in geloof dan gij. Wat ik bedoel, is dit: gij werdt zeer teleurgesteld door het besluit van uw synode aangaande het kerkherstel en ik koester de gedachte, dat gij er veel troost in zult vinden, dat ook in Hongarije menschen zijn, die belang stellen in uw streven en door meeleven en meebidden U willen helpen. Door meeleven, maar bijzonder door meebidden, opdat gij de beslissende zege zult behalen niet door menschelijke kracht en wijsheid, niet door geweld, maar „door den Geest des Heeren", die U in al de waarheid leiden zal. Ook behoeft gij niet te denken, dat gij niets bereikt hebt. Integendeel, gij zijt nu een stap nader tot het heerlijke doel. Zingt daarom dat mooie lied:

Die Sach' ist dein, Herr Jesu Christ, Die Sach' an der wir steh'n!

Und weil es deine Sache ist,

Kann sie nicht untergeh'n!

En bidt voor ons, opdat wij ook de zege behalen mogen! Sinds 40—50 jaren heeft de Heere hier in Hongarije groote dingen gedaan en dies zijn we verblijd, maar ook onze Kerk is nog niet in staat zich geheel als een Christus belijdende Kerk te openbaren. Er zijn slechts zekere teekenen, die bewijzen, dat de Heere den kandelaar van onze Kerk niet weren wil, maar in de woestijn eenen weg brengen en rivieren in de wildernis.

Laat ik eenige van deze teekenen en van de gunstbewijzen des Heeren mogen opnoemen.

Het eerste gunstbewijs was, dat de Heere tegen het einde van de XIXde eeuw een groote belangstelling in den bijbel opgewekt had. De bijbel was in de XVIIde eeuw op

den achtergrond geschoven; nu werd hij weer in eer hersteld. Ik heb over deze belangstelling zeer interessante gegevens mede te deelen.

In 1883 werden in Hongarije 20,000 bijbels en Nieuwe Testamenten verspreidHet aantal der verspreide bijbels wies jaar aan jaar en in 1913 werden meer dan