is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerde kerk, jrg 42, 1929-1930, no 2181, 24-07-1930

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42e JAARGANG - OCT. 1929-OCT. 1930

No. 2181

DONDERDAG 24 JULI 1930

Onder redactie van het Comité ter verspreiding der beginselen van de Confessioneele Vereeniging

t)r. J. Ch. KROMSIGT te Rinsumagecst (Eindredacteur); Ds. H. BAKKER te Amsterdam? Ds. J. W. GROOT ENZËRÏNK te Leiden; Prof. Dr. Th. L. HAITJEMA te Groningen; Dr. P. J. KROMSIGT te Amsterdam; Ds. C. A. LINGBEEK te Voorthuizen; Dr.H. SCHOKKI

te 's-Gravenhage; Ds. A. B. TE WINKEL te 's-Gravenhage.

Dit blad verschijnt wekelijks. Alles wat de redactie aangaat en boeken ter recensie zende men aan Dr. J. Ch. KROMSIGT, Rinsumageest (Fr.). Vragen voor de Vragenbus uitsluitend aan Ds. C. A. LINGBEEK, te Voorthuizen; Kerknieuws-berichten aan H. VEENMAN & ZONEN te Wageningen. Voor advert. en alles wat de administratie betreft Wende men zich tot de Uitgevers.

UITG.: F\ H. VEENMAN & ZONEN

WAGENINGEN POSTREKENING 12940 TELEFOON 184

Prijs 15.-, buitenl. en kol. 16.- p. jaar. Afzonderlijke nummers 10 ets. Priis der advertentiën: Van 1—10 regels f2.—, elke regel meer 20 cents. Boekannoncos 10 cents per regel. Bewijsnummers h 10 cents.

Abonnementen worden bij leder nummer aangenomen, doch kunnen alléén eindigen bij het einde van den jaargang, September van ieder jaar

INHOUD: Niets te zeggen. —• Kerk en Christendom in de partijpolitiek. — Nog eens: de houding der jeugd. — Brief uit de Synode. —• Herv. Gereform. predikantenvergadering te Utrecht op 11 Sept. a.s. — Vragenbus. .—• In memoriam. — Ingezonden. — Confessioneele Vereeniging. —Bijzondere leerstoelen. •—- Correspondentie. — Leestafel. — Kerknieuws." — Advertentiën.

NIETS TE ZEGGEN.

En ziende den mensch bij hen staan die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.

Handelingen 4 : 14.

Beteekenisvol was Simeon's woord tot Maria, toen zij het Goddelijk Kind den Heere voor kwam stellen. Als zij, de schuchtere maagd, het hart vol engelenwoorden, den Tempel binnentreedt, begroet met zegening haar kindeke de oude ziener, als een dorpelwachter, die 's Vaders welkomstgroet den Zoon des huizes brengt. Hoe wordt haar ziel ontroerd, als weer gouden deuren Van lichtende toekomst door dezen Gódsgezant haar kind ontsloten worden, als voor het Licht der wereld.

Maar 't zal niet altijd welkom zijn, floeb -zalig rusten voor Hom in armen des geloofs: als „een teeken dat wedersproken zal worden" zal Zijn verschijning wezen.

Hoe smartelijk is de gang door 't leven geweest van 't groot geworden Kind.

Zijn broeders geloofden niet in Hem; Zijn moeder wist Zijn plaats in prille jeugd °ok niet. Zijn discipelen bestraften Hem ^eleens; Israël's -oudsten veroordeelden; Farizeërs lasterden; Sadduceërs verachtten, eh de schare riep: Kruis Hem....

En te midden van al die tegenspraak zuchtte Zijn ziel: Hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen ?

Vol heilige bewondering wijst straks de schrijver van den Hebreënbrief op Hem, Die zoodanig een tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen.

Zijn leven had één lange tegenspraak Ver-wekt van duisternis tegen Licht, van leugen tegen Waarheid, van dood tegen Leven, van zonde tegen Gerechtigheid, en deze machten werden door Zijn Woord eh daden tot hun hoogste spanning geprikkeld, opdat zij openbaar zouden worden. als machten van hem, wiens naam is: Satan, Tegenstander.

En de discipel is niet meerder dan zijn Meester. Hebben zij den Meester tegengesproken, zij zullen ook de discipelen tegenkreken.

Nauwelijks hebben de eerste tonen van ^et Pinkster-Hallelujah weerklonken, of de groote Tegenspreker gaat armelijk spotten °Ver zoeten wijn.

Nauwelijks is de kreupele aan de schoone Poort genezen, of tegenspraak wordt verbekt over de weldaad aan een krank Mensch geschied.

Nauwelijks heeft liefde haar schatten der gemeente ontsloten, of de Booze gaat meed°en, gaat nadoen, om tegenspraak uit te ^°kken in het midden der broederen, en stookt murmureering onder de zusteren.

Straks twist de wijsheid der Hellenisten ^et Stephanus, 't Joden-Christendom

tegen Petrus, en Jood en Heiden twisten samen tegen Paulus.

In Rome staan later de Christenen slechts bekend als een sekte „die overal tegengesproken wordt" (Handel. 28 : 22).

En zoo is het tot op dezen dag, overal waar Jezus' naam als de epnige naam ter zaligheid gepredikt wordt.

Overal waar de eenvoudigheid des Evan- | gelies de wijsheid der menschen (ook der | vrome menschen) beschaamd maakt, overal waar de Geest van Christus het vleesch (ook het vrome .vleesch) aantast, overal waar het Woord van Christus Zijn Goddelijk gezag eischt tegenover menschenautoriteit, overal waar de instellingen van Christus haar eigen karakter handhaven willen, tegenover wereldsch model, overal waar de Christus der Schriften Zijn majesteit doet gelden tegenover onze menschelijke Christusbeschouwingen, overal waaide eenheid in Christus gezocht en gevonden wordt tegenover menschelijke pluriformiteit, overal waar de Persoon van Christus hulde ontvangt, die religieuze persoonlijkheden schuil doet gaan achter Hem, overal waar de beloften van Christus „Zijn verbond en Woorden" het leven worden der ziel, en niet onze termen en eigen sprake, overal waar Christus Zijn plaats neemt, en de mensch (ook de vrome mensch) van zijn plaats moet, overal en altijd en telkens weer opnieuw is Hij een teeken, dat wordt tegengesproken.

Ik weet het wel, daar is een Christendom dat geen tegenspraak wekt; dat niets zegt, en waartegen dus niets te zeggen valt. Dat gelijkelijk door sociaal en liberaal en modern bewierookt wordt. Men is breed van blik en groot van allure, als men door elk geprezen wordt, Christen zijnde. Daar is een Christendom dat geen tegenspraak wekken kan, omdat het zijn eigen spraak niet meer heeft; een Christendom dat geestelijk Esperanto spreekt, en Jood en Turk bevredigt.

Daar is een Christendom dat geen tegenspraak doet hooren, als op Christenfouten gewezen wordt. Men vindt het prachtig, uitnemend, schitterend zelfs, en .. .. gaat stil zijn gang. Denk b.v. eens aan het boek: „Gouden Teugels", dat zoo'n opgang maakte, en door de gansche Christelijke pers dringend werd aanbevolen! Maar .... men liet deze schrijfster-profetes als een roepende in de woestijn. Men vond de teekening der zonden mooi, maar brak niet met de zonde. Een vroom, Christelijk publiek draagt nog altijd een „hoerenversiersel" .... Zulk een Christendom is nog walgelijker dan openlijke Satansdienst: daar kan men nog tegenspreken. Daar is een Christendom dat de waarheid maskeert, en wringt, en plooit en pleistert, en praalt, en bedelt om menschen-eer.

Het is door allen geprezen, en bij allen in smaak....

Wat zullen wij tot deze dingen zeggen?

De Meester zegt: Wee u, als alle menschen wel van u spreken.

Toch — bij alle verval — zij zijn er nog, die de knie voor dit Baai-Christendom niet buigen. Zij worden tegengesproken, omdat zij „een goed woord voor Christus" spreken. Zij zijn ongehoorzaam, gelijk de dis-

r-ip"ler die niet na konden laten te spreken in den naam van Jezus. Zij zijn onverzettelijk, als Petrus in den Tempel, die stond en bleef staan bij allen spot. Zij zijn onverdraagzaam voor allen, die niet kunnen verdragen de gezonde woorden Gods. Zij worden tegengesproken, omdat zij zelf door genade het tegenspreken hebben afgeleerd.

Zij vluchten tot hun grooten Voorspreker,

als zooveel in en om hen tegenspreken wil. En hun leven getuigt van overgave, die alle ding doet.... zonder tegenspreken.

Als de wereld (ook de vrome wereld) dat ziet, die stille overgave, dat genoeg-hebben aan 's Vaders beloften, dat zich-houden aan Zijn woord, die ootmoed en dat rustig vertrouwen op Jezus' gerechtigheid, die kracht tot dragen en die innerlijke vreugd, dan komt er een oogenblik dat men niet kan tegenspreken.

Steeds zie ik haar voor mij, die kranke, door vreeselijk lichaamslijden meer dan vijftig jaar gebonden en verbonden, overal aan 't lichaam. „Niet vragen het liefste, maar het beste," sprak zij. „Mijn Heiland weet alles, ik niets."

Als wij zulke geloovige, lieve lijders en lij adressen zien, worden wij stil. Ook liet ongeloof wordt dan stil, al is het voor een

enkel oogenblik, voorspel van de eeuwige stilte, waar straks alle tegenspreken voor eeuwig verstomt....

Lezers, hebt gij al leeren zwijgen voor God? Zie Zijn heiligheid en genade, zie Zijn wonderen van ouds aan, en ook thans in ons midden; hoor Zijn roepstem, en wil niets tegenzeggen, opdat Hij alles zegge in uw leven. Aller mond zal eens gestopt worden; dan is het met tegenspreken gedaan... Dan zullen de geweldhebbers der eeuw, de overheden en volken, de rijken en de armen, jongen en ouden voor Hem staan. Dan is daar de groote stilte voor den grooten, witten troon.

Zalig, wien de Heere te sterk is geworden, zoodat hij niet meer kon tegenspreken, en luisteren leerde, en zich overgaf.

Straks, in den grooten, doorluchtigen dag des Heeren hebben zij „niets daartegen te zeggen", en de Heere alleen zal groot zijn, Koning in eeuwigheid. Amen, ja, kom Heere Jezus!

Workum. Chr. ,L.

KERK EN CHRISTENDOM IN DE PARTIJPOLITIEK.

Een christelijke partij mag zich niet tot kerk gaan verhoogen, — deze overtuiging deed Hoedemaker strijden tegen Kuypers congresbeweging, die op zijn doleantiebeweging uitliep.

En omgekeerd, de Christelijke kerk, in 't algemeen het Christendom, mag niet worden verlaagd tot een partij, — deze overtuiging drong Hoedemaker tot zijn strijd voor art. 36 onzer Ned. Geloofsbelijdenis.

De eerstgenoemde strijd werd verzwaard, gelijk we zagen, doordat hij daarbij tegen zich heeft het vrome „vleesch" van een valsch piëtisme. x). , ,

De andere strijd werd verzwaard, omdat

*) Hiermee bedoel ik geenszins ^ volstrekte veroordeeling van het pietisme m al zijn vormen. Op zichzelf was en is het, een alleszins gerechtvaardigde reactie tegen leerheilig orthodoxisme.

hij hierbij tegen zicb heeft het onvrome „vleesch" van een revolutionair liberalisme.

Dit liberalisme en dit piëtisme (puritanisme, independentisme) reiken hierbij feitelijk elkander de hand.

Het revolutionair liberalisme duwt, als het onvroom is, het Christendom in den partij hoek, of als het vroom is, verwijst het Hit, naar het hart en de binnenkamer, of

als het humaan verdraagzaam is, ruimt het daaraan een mooie partij plaats naast onchristelijke en antichristelijke partijen in.

In ieder geval echter houde het Christendom zich verwijderd van het openbaar terrein. Alle openbaar belijden wordt veroordeeld als bidden op de hoeken der straten in strijd met Matth. 10: 32 33, Mark. 8 : 38. Men handelt als de overheid uit Hand. 4 : 7—18. Dat is het liberaal anticonfessionalisme.

Het piëtisme trekt zich, als het mystiek is, gaarne in dien hoek terug, of als het farizeesch ontaardt, ziet het vanuit zijn bijzondere positie uit de hoogte neèr op de schare, die de wet niet kent. Dat is het valsch piëtistisch separatisme.

De strijd voor art. 36 is naar zijn wezen een strijd tegen deze partijverlaging, vooi de katholiciteit van Christus en Christendom, of juister nog voor de universeele openbaring dezer katholiciteit.

Een zeer zware strijd.

Zwaar niet alleen, omdat die strijd zoo lichtelijk valsch wordt gezien en beoordeeld, maar ook omdat die in de geschiedenis metterdaad is en wordt vervalscht.

Zeer terecht heeft Hoedemaker tegenover Kuyper opgemerkt: Christus is niet Koning zijner kerk. De heerschappij over zijn kerk is van anderen aard dan die eens konings. Ook bovenal is zijn heerschappij niet tot de kerk beperkt, zoodat de koningen en overheden der aarde op hun speciaal staatkundig gebied er niet mee zouden behoeven te rekenen. Christus is Hoofd zijner gemeente en Koning over de koningen der aarde (vgl. Ps. 2, Hand. 4 : 25 v.v.) en moet door die koningen als zoodanig geëerd.

De groote moeilijkheid is hierbij echter het antwoord op de vraag: hoe moeten de koningen der aarde Christus als hun Koning eeren?

Moet dat op de manier van Karei den Groote, den „apostel met het zwaard", die aan de heidenen onder zijn onderdanen het christendom met geweld oplegde ?

Maar dat is de weg van Mohammed, niet die van Christus.

Met de reformatie breekt zich een andere opvatting van christelijke overheidstaak baan.' Toch, de reformatie moge in deze landen niet zijn opgelegd op geheel gelijke wijze als waarop Karei de Groote het Christendom oplegde, — wie de geschiedenis kent, weet dat, hoewel op andere wijze,

de reformatie toch aan velen is opgelegd.

We komen hier te staan voor een moeilijke vraag. Is alle opleggen verkeerd?

Op geestelijk gebied is dioang afkeurenswaardig.

Maar hoe staat het met het gezag ?

Mag uitwendig gezag op geestelijk gebied een rol spelen ? Gorags geloof is niet zaligmakend. Is het daarom verkeerd?

De revolutie reageerde tegen den geestelijken dwang uit een voorgaande periode. In zooverre was die reactie terecht. Ook wat dit betreft willen we niet repristinatie, niet een terugdringen naar 't geen verouderd en voorbij is. ^^ij willen niet de godsdienstvrijheid en de gewetensvrijheid der revolutie inruilen tegen Roomsche of romaniseerende godsdienst- en gewetensdwang.

Maar als we dwang verwerpen, moeten we hieromtrent dan de vrijheid der revolutie als de ware aanvaarden ?

Zoo deed Vinet in Zwitserland en Kuyper, nog consequenter De Savornin Lohman en zijn geestverwanten in ons land.

Groen van Prinsterer echter verzette