is toegevoegd aan je favorieten.

Gereformeerd vredesorgaan; maandblad van de Geref. Vereen. voor Daadwerkelijke Vredesactie, jrg 6, 1936-1937, no 2, 01-06-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods ; maar de landman weet zelf niet de goede tarwe te scheiden van het onkruid, zo veel is er.

Wijzelf, onze „beweging", onze Vereniging, we kunnen het niet aan zonder „hoogspanning". Zonder bevrijding innerlijk, zonder blijdschap overvloedig, zonder „stralend" geloof is al ons werk slechts „stoppelen", geen vuurvast materiaal; waard om verbrand te worden ; dan is het zelfs moeilijk om onze vereniging in stand te houden met een kleine contributie.

Hoe krijgen we Pinksteren elke dag ? Geeft de Oxfordbeweging het antwoord ? Zy treedt op met de pretentie het middel te weten, dat het Christendom weer een zuurdeeg doet zijn, haar heerlijke getuigenissen wijzen er op. Gods Geest moet blijven waaien door ons leven, anders is ook onze Vereniging dood. Zeker, het gekrookte riet zal God niet verbreken en de rokende vlaswiek niet uitblussen; bij Hem is genade, rijk en overvloedig; doch mogen we er vrede mede hebben walmende nachtpitjes te zijn?

Zo stelt ook deze Pinksteren ons weer voor de grote eis blijde, stralende getuigen te zijn. Hoe ? Het is alleen Gods werk en wij kunnen — ja? — er alleen maar om vragen, volhardend — „ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent".

Och, of Gij de Hemelen scheurdet!

D. F. Z.

Volkenbondsdag.

We mogen wel aannemen, niet op tegenspraak te zullen stuiten wanneer we neerschrijven, dat de Volkenbondsdag nog niet is herdacht onder zó sombere uitzichten als dit 18 Mei 1.1. het geval was.

Het was op 18 Mei 1899, dat de eerste vredesconferentie bijeen kwam, op initiatief van den Czaar aller Russen, de man, wiens hoofd viel in de revolutiestorm, mogelijk geworden als onmiddellijk gevolg van de wereldoorlog ....

Toen kon men toch zeker de moed wel voorgoed opgeven; de ontgoocheling van de wereldoorlog was toch wel tè bitter geweest. Maar neen, met nieuwe moed ging men zijn toren-van-Babel bouwen; nu op hechter grondslag! De Volkenbond kwam! Als „hoopvol" teken kunnen we er op wijzen, dat men er tegenwoordig over debatteert of die Volkenbond nu 't resultaat is van Wilson's werk of dat ze, óók zonder Wilson, gekomen zou zijn. Ik weet niet of onze lezers de belangrijkheid van dit geschilpunt inzien, mij ontgaat ze; wat natuurlijk nog allerminst wil zeggen, dat het geschil niet belangrijk is.

Thans, ongeveer 15 jaar na oprichting van de Volkenbond, hebben we 't verheffende schouwspel kunnen ■beleven, dat een lid van de bond een medelid koelbloedig afmaakt met de meest geraffineerde moderne oorlogsmiddelen. De verovering van Abessinië door Italië is een feit geworden, ondanks de algemene veroordeling van Italië door de bond. Althans, de Duce heeft dat in een brallende redevoering aan de wereld verkondigd. Of 't waar is? We weten het niet. Maar dit weten we wèl, dat er een God is boven de volken en de Volkenbond, Wiens oordeel volstrekt rechtvaardig is en voor Wiens oordeel Mussolini èn de Negus èn wij zullen beven, omdat er geen ontkomen aan is. Tenzij ....

En nu ? Nu kunnen we die Volkenbond gerust laten varen. Er is niet de minste verwachting meer van, en wanneer men de kranten mag geloven, dan zijn het vooral de pacifisten en antimilitairisten die zó diep teleurgesteld zijn, dat ze van de Volkenbond niets, maar dan ook niets meer hopen. Natuurlijk had de rest dat al lang begrepen en hun ijver voor nationale bewapening is door de feiten maar schitterend gerechtvaardigd. De fout was dan ook, dat men van de Volkenbond te veel verwachtte, 't Zal wel waar zijn, dit laatste. Maar we willen toch nóg eens er op wijzen, dat men

eens moet ophouden met te spreken van de pacifisten en de antimilitairisten. Er zijn anti militairisten — en daaronder scharen wij ons — die van de Volkenbond niets hebben verwacht en er óók in de toekomst niets van verwachten. En toch wensen we de Volkenbond

te behouden; daarover straks.

* *

De Volkenbond heeft dus ernstig gefaald in de volbrenging van de haar toegedachte taak, om in het internationale leven het recht tot gelding te brengen en af te doen met de leer van het recht van de sterkste. In een hoofdartikel dat veelszins onze instemming heeft, schrijft „De Standaard" van 18 Mei 11.:

„Volkomen ten onrechte wijt men dit van sommige zijden aan het Pact, en roept men om herziening daarvan op andere grondslagen. De grondslagen zijn goed en het Pact is goed, natuurlijk voor zoover menschenwerk dat ooit is. Maar wat van den aanvang af heeft ontbroken, dat is de goede wil en de goede trouw, om het Pact loyaal uit te voeren. De groote Mogendheden zijn eenvoudig voortgegaan, ondanks en in strijd met het Pact, om de oude machtspolitiek door te voeren, waaraan zij zich eeuwenlang gewend hadden. Door „interpretaties" heeft men de grondslagen van het Pact stelselmatig verzwakt en vervalscht. Japan beeft met geweld een groot deel van China opgeslokt. Rusland, Duitschland en Italië hebben elk op hun wijze in nieuwe vormen de machtsleer geproclameerd en in practijk gebracht voor zooveel zij maar konden. Frankrijk heeft beurtelings de beginselen van het Pact ten hemel verheven of in den grond getrapt, al naarmate het meende dat zijn waar of vermeend eigenbelang zulks meebracht. Amerika is eerst als zedemeester van. de^werelcL opgetreden en heeft daarna, toen het practisch ging nijpen, zich gehuld in den Kaïnsmantel der „onzijdigheid". Engeland is weifelend van den hak op den tak gesprongen in zijn besluiteloosheid en had thans den kaakslag van het voldongen feit van Abessinië in ontvangst te nemen. Er was soms onmacht, maar verreweg de hoofdzaak was besliste onwil."

En ze vervolgt:

„Wie op dit alles ziet: bekruipt dien niet het gevoel, dat opnieuw de dagen over ons zijn gekomen, waarvan de Profeet Jesaja zoo majestueus zong: Daar is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft. Den weg des vredes kennen zij niet en daar is geen recht in hun gangen. Daarom is het recht achterwaarts geweken en de gerechtigheid staat van verre. Wij wachten op het licht, maar zie, er is duisternis; op eengrooten glans, maar wij wandelen in donkerheden.

En de Heere zag het — zoo voegt hij er aan toe — en het was kwaad in Zijn oogen, dat er geen recht was."

Het verheugde ons, door „De Standaard" zo uitdrukkelijk te zien geconstateerd, dat de oorzaak der mislukking is onwil, en dat ze er aan toevoegt: de Here zag het en het was kwaad in Zijn ogen.

We zouden gaarne zien, dat de toon van deze slotsom: „onwil, kwaad in de ogen des Heren", wat meer gehoord werd in politieke bladen. Niet zo af en toe als er eens iets heel erg mis loopt en niet alleen in een hoofdartikel, maar ook bij de bespreking der buitenlandse politiek. Dan zou 't b.v. niet voorkomen, dat dezelfde „Standaard" twee dagen later in een beschouwing over de Britse politiek ten opzichte van Japan o.a. 't volgende neerschrijft: