is toegevoegd aan je favorieten.

Gereformeerd vredesorgaan; maandblad van de Geref. Vereen. voor Daadwerkelijke Vredesactie, jrg 6, 1936-1937, no 8, 01-12-1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leden worden aangenomen; kerkengroepen, waarvan men gelooft en erkent dat ze ook Kerk van Christus zijn, zij 't dan ook in minder zuivere openbaringsvorm. De opvatting van Ds. Y. is kerkrechtelijk volkomen er naast; ik mag niet veronderstellen, dat Ds. V. kerkrechtelijk niet bij is, maar de kerkrechtelijke kennis heeft Ds. Y. dan toch wel in de steek gelaten!

Neen, Ds. V., zo gemakkelijk gaat het niet! Ik weet, dat er in Meppel leden «ijn van onze Vereniging of van de C. D. U., die de Kerkeraad bij volharding in het „bedreven kwaad" van veroordeling van de oorlogszonde, zal moeten afsnijden van de Gemeente van Christus, zal moeten uitsluiten uit het Koninkrijk Gods, zal moeten verklaren tot heidenen en tollenaren. Ik zou niet graag in de plaats van Ds. V. staan. En of hij 't horen wil of niet, maar hij is 't met de Kerkeraad die straks de broeders zal moeten uitstoten, zal moeten afsnijden, omdat deze van oordeel zijn, dat 't Christus' wil is de oorlog als zonde te verdoemen! Tenzij, wat God geve, Ds. V. en de Kerkeraad tot de conclusie mogen komen, dat de Generale Synode met deze uitspraak heeft gedwaald!

* ♦

Nu komen we aan 't tweede deel van Ds. V.'s beschouwing.

Ik had ook geschreven, dat de uitspraak van de ^ Synode niet maar negatief was, doch ook positief. Ik schreef ondermeer: „Ze (de uitspraak) betekent óók, dat waardig zijn tot de Geref. Kerken te behoren zij, die het militarisme van de oorlog in elke vorm aanvaarden. In elke vorm". Ik heb dat dan nader uitgewerkt door heel realistisch te zeggen, wat de oorlogsvoering van de oorlogsvoerders eist.

Ds. V. is van oordeel, dat ik me daarmede aan infaam geschrijf schuldig heb gemaakt. Of neen, de redenering van Ds. V. is ietwat wonderlijk. Het is ■ nog geen infaam gesehrijf. Het wordt 't pas. als ik wat ik schreef, niet corrigeer. Da nis 't opeens: „infame schrijverij". Ik zal Ds. V. niet in het onzekere laten. Wat ik geschreven heb handhaaf ik tot de leestekens toe! En nu is dan plotseling wat ik geschreven heb, infaam. Ik zal bewijzen, dat het waar is wat ik schreef. Een groot deel van de Geref. Predikanten en van de leden der Geref. Kerken varklaart de „verdedigingsoorlog" voor heilig, hoewel die verdedigingsoorlog even beestachtig wordt gevoerd als de „aanvalsoorlog".

Eén onzer medewerkers schreef in ons blad zeer juist: aanvalsoorlog is massaslachting; verdedigingsoorlog is contra-massaslachting.

. Men kan niet eens meer zeggen, dat dit het verschil tussen de verdedigingsoorlog en de aanvalsoorlog is, dat de eerste het antwoord is op de laatste, want de huidige oorlogsvoering is zo, dat de Staat die de verdedigingsoorlog zal hebben te voeren 't van beslissende betekenis voor de oorlogsvoering acht, den aanvaller vóór te zijn door zélf aan te vallen. Tastbaar en zichtbaar is het verschil tussen aanvaller en verdediger in geen geval.

Het zal door rechtspraak moeten worden uitgemaakt, en bij ontstentenis van deze zal de historie na enkele mensengeslachten misschien er in slagen de knopen te ontwarren, en vast te stellen wie de schuldige is.

Dat zelfde grote deel, althans een groot deel van de Geref: Predikanten, van de Gereformeerden, is ook van oordeel, dat de onderdanen onder alle omstandigheden hebben oorlog te voeren als de Overheid het beveelt, want de verantwoordelijkheid rust op de Overheid en niet op den onderdaan. Ten bewijze moge dienen, dat „De Standaard" enige tijd geleden de stelling poneerde (in verband met vragen uit de kring der lezers of het niet de plicht was der Italiaanse christenen, te weigeren tegen Abessinië oorlog te voeren) dat de Ital. christenen verplicht waren het gebod der Italiaanse Overheid te gehoorzamen. De verantwoordelijkheid immers rustte op de Overheid. De christenen moesten dus mee

vechten tegen den Negus! Had men persé gewetensbezwaar, ja, dan moest men weigeren, maar ook alle straf geduldig ondergaan, die de Overheid daarop mocht stellen. Dat was de stelling van „De Standaard", welke stelling, als ik me niet vergis, volkomen de opvatting dekt van Gereformeerden en Gereformeerde instanties.

De massa der Gereformeerden onder leiding van kerkelijke en politieke voormannen is ook bereid, als men toch oorlog moet voeren, dat te doen met alle beestachtigheden, die een verworden gebruik van de wetenschap vermag op te leveren. Duys heeft vast en zeker naar het hart der doorsnee-gereformeerden gesproken toen hij schamperde, dat men den vijand niet met een „eierlepeltje" kan tegentreden!

Toen voor enige tijd Colijn in de 2e Kamer de aanschaffing van bommenwerpers verdedigde, was 't niet een lid der „christelijke" partijen die bedenkingen had, doch de Vrijzinnig-Democraat Joekes, die van oordeel was, dat het niet een zuiver defensieve daad was indien de Regering zich op „bommenwerpen" ging voorbereiden. Colijn heeft toen geantwoord:

le. we schaffen geen bommenwerpers aan om vijandelijkheden te openen;

2e. valt de vijand ons aan, dan zullen wij dien vijand echter ook met onze luchtmacht kennis laten maken;

3e. met le is niet gezegd, dat we nooit aanvallend zullen mogen optreden indien dit om tactische of om strategische redenen gewenst mocht zijn. In heel veel gevallen is de aanval de beste soort van verdediging: de eerste klap blijft een daalder waard!

Deze taal van Colijn is den doorsnee-Gereformeerde uit 't hart gegrepen, en veelal de hoogste wijsheid, omdat .... Colijn 't heeft gezegd! Deze opvatting van de oorlog is ongetwijfeld de opvatting van hen die de Generale Synode vórmden en daar namens de Geref. Kerken een uitspraak hebben gedaan.

Resumerende:

de meerderheid der Gereformeerden is bereid de verdedigingsoorlog te voeren;

zij is ook bereid op bevel van de Overheid elke oorlog te voeren;

zij is evenzeer bereid daartoe elk middel te gebruiken dat een doelmatige oorlogsvoering ter beschikking staat.

Ik mag op grond van het bovenstaande volledig handhaven wat ik schreef: „tot de Geref. Kerken mogen behoren zij, die het militarisme van de oorlog in elke vorm aanvaarden".

Wanneer Ds. V. nu zegt, dat dit infame schrijverij is, dan stel ik deze beschuldiging ontkennende, daar tegenover het vreselijke, betreurenswaardige feit, dat de Generale Synode door haar uitspraak over het antimilitarisme in elke vorm, de infamiteit (van dc

oorlog) tot dogma heeft verheven!

# #

*

Ds. V. geeft ook nog een nabetrachting.

„Waar uw schat is aldaar zal uw hart zijn".

Het is voor Ds. V. de vraag waarin men zijn schat ziet; waaraan men met zijn hart verbonden is; wat men liefheeft; „de Kerk met hare belijdenis of de organisatie met haar dwaling, die van deze belijdenis afwijkt". . Dat is toch wat buitengewoon kinderlijk gedacht!

Als we de keuze hadden tussen de Kerk met de belijdenis, èn de organisatie met haar dwaling, zou natuurlijk ieder kiezen vóór de kerk met haar belijdenis en tegen de organisatie met haar dwaling. Niemand kiest welbewust voor een dwaling.

Wij voor ons zijn echter dan ook heilig overtuigd, dat 't naar de eis van het Evangelie van Jezus Chris-