is toegevoegd aan je favorieten.

Gereformeerd vredesorgaan; maandblad van de Geref. Vereen. voor Daadwerkelijke Vredesactie, jrg 7, 1937-1938, no 8, 01-12-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, door eerlijk zaken te doen, niet machtig genoeg is om U te redden ten spijt van de gemene middelen van Uw concurrent?!

Zo zoudt gij spreken!

En als hij aan dit woord geen gehoor mocht geven, dan zoudt gij als Ambtsdrager, als Dienaar en Verkondiger van het Evangelie, Uw plicht hebben te doen en op hebben te treden tegen het kerkeraadslid dat met zijn duistere practijken dat Evangelie afbreuk deed.

En nu zijt Gij geen Prediker.

Maar Gij zijt toch ambtsdrager. En wel in deze ruime zin dat Gij staat in het ambt der gelovigen, en dat U dus, evenals de heer v. Houten, evenals schrijver dezes, Evangelieverkondiger in leer en leven hebt te zijn. En nu komen we weer bij de oorlogsvraag.

U acht evenals wij de moderne oorlog en zijn gruwelen in lijnrechte strijd met de eisen van het Evangelie. Maar, zegt Gij, er is geen internationale rechtshandhaver; niet gebruik maken van die gruwelen in uiterste instantie (U noemt dit: weerloosheid) maakt de slechtste staten tot heer en meester in deze wereld. Goed! Maar:

Wat prevaleert?

Als Gij te kiezen hebt tussen lijnrecht in strijd handelen met de eisen van het Evangelie, of ondergaan en het terrein vrij geven aan de slechtere elementen, mag dan zélfs ook maar één seconde door U overwogen worden: dan maar met bloedend hart in strijd handelen met het Evangelie? Neen toch?

Maar wat dunkt U: Zou Christus niet machtig zijn om de staten, die de oorlog prijsgeven omdat die in lijnrechte strijd met de eisen van het Evangelie is, zo wonderbaarlijk mogelijk uit te redden, opdat heel het volkerenleven aanschouwe de waarheid van het Godswoord: In de onderhouding van Gods geboden ligt groot loon ?

Dacht U dat we zo rustig getuigen konden tegen oorlog en oorlogsvoorbereiding, als we dit geloof niet in ons hadden?

Dit begrijpen we niet in U !

Hoe kunt Gij menen dat we niet als persoon, maar wel als gemeenschap ons mogen bedienen bij gebrek aan iets anders, van middelen die in lijnrechte strijd zijn met het Evangelie ? Het is dan ook onze oprechte overtuiging, dat de fout in Uw redenering schuilt. En wij kunnen niet rusten voor en aleer we U tot de erkenning daarvan hebben mogen brengen!

Gij hoort aan onze kant!

Eens hebt Gij gezegd, dat de wereld bouwt aan een groot lijkenhuis niet een vreugde alsof 't een feestgebouw gold. Maar meent U dan dat Nederland, mede dank zij Uw hulp, mee mag bouwen aan dat lijkenhuis?

Gij draagt, als Kamerlid, meer verantwoordelijkheid dan de vele Nederlanders, die niet in de Volksvertegenwoordiging zitten.

Wat wij II bidden mogen,

laat ons toch samen zoeken naar ons beider taak in deze vreselijke tijd. We kunnen er toch geen vrede mee hebben, dat Gij Uw opvatting hebt en wij de onze?

Als we 't op zon voornaam punt eens zijn, dat de gruwelen van de moderne oorlog in lijnrechte strijd zijn met de eisen van het Evangelie, dan moeten we ook verder naar de eenheid in het beleven en het belijden van dat Evangelie zoeken, ten koste van alles!

Het is onze innige overtuiging, dat Gij bij ons behoort. De politiek laten we er buiten. Ik beweer helemaal niet, dat Gij lid moest zijn van de C. D. U. Maar wél behoort Gij bij ons, die oorlog verwerpen als in strijd met het Evangelie, en die daarom de volle consequenties willen aanvaarden. Zelfs al zou ondergang het gevolg zijn. Want dat is niet het vreselijkste. Het vreselijkste is, dat het Evangelie van Jezus Christus smaadheid wordt aangedaan, ook als wij om ons bestaan te bekken en te redden, in uiterste noodzaak ons bedienen willen van wat we in onze beste ogenblikken weten te zijn in lijnrechte strijd met de eisen van dat Evangelie.

Laat deze open brief Uw hart bewegen tot een ernstig onderzoek of mogelijk in Uw houding ten deze niet een fout schuilt. En wees er van verzekerd, dat wij van onze kant gaarne bereid zijn ons door U te

Iq+öti lorpri

De Bilt, 9-12-'37. H. L. VAN BRUGGEN.

En de hand onzes Gods was over ons...

Ezra 8 : 31b.

Ezra 8 verhaalt ons van de terugkeer uit Babel naar het land der vaderen, waartoe koning Artahsasta toestemming had gegeven.

Ezra had tegenover dezen koning gesproken van de goedheid Gods: De hand onzes Gods is ten goede over allen die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen die Hem verlaten (Ezra 8 : 22b).

Zó was het woord van dezen Godsman.

En nu de daad!

Het komt juist op het beléven van onze belijdenis aan!

# *

#

De weg die Ezra zal gaan, met het volk, naar het land der vaderen, is zeer onveilig. Overal loeren vijanden.

Naar de mens gesproken, was Ezra aan de vele levens, die aan zijn zorg waren toevertrouwd, verplicht aan den koning te vragen hem een heir en ruiters mee te geven, om hem te beschermen tegen den vijand

op de weg. Doch Ezra schaamt zich daarvoor (vers 22). Hij herinnert zich tegen den koning te hebben geroemd over de hand zijns Gods, ten goede over allen die Hem zoeken. En zou hij nu bij den koning zijn ongeloof demonstreren door militair geleide te vragen?

Hij doet 't niet. Hij vertrouwt op God. Op God alleen. Niet op een heir en ruiters èn op God, maar op God alléén!

* *

*

En nu de uitkomst?

Vers 31 : Alzo verreisden wij van de rivier Ahava op de twaalfde der eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem, en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijands en desgenen die ons lagen leide op de weg!

God beschaamt niet die op Hem bouwen!

Worde deze geest over onze Christenheid vaardig, opdat de vermilitairisering van ons volk, dat is de ontkerstening van ons leven, in zijn schrikkelijke gang worde gestuit!

H. L. v. BRUGGEN.