is toegevoegd aan je favorieten.

Gereformeerd vredesorgaan; maandblad van de Geref. Vereen. voor Daadwerkelijke Vredesactie, jrg 8, 1938-1939, no 2, 01-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar is hier geen sprake van extra-nobele bedoeling en extra afschuw, maar van niets anders dan van dwaze denkbeelden en gruwelijke dwalingen. Dwalingen, die ons volk in de diepste ellende zouden kunnen storten als het luisterde; *) hoogmoedige, ongehoorzame gedachten, die juist te voorschijn kunnen roepen, wat de lieden, die er zichzelf op verhovaardigen, zeggen te willen keren!

Als Israëls profeten optraden tegen de valse profetie hebben zij nimmer de nobele bedoelingen en de vredelievendheid der valse profeten geprezen of zich tegenover hen verontschuldigd, alsof zij minder vredelievend zouden zijn.

Daarom moeten wij de dingen bij hun werkelijke naam noemen.

Daarom moet het goddeloze van deze lieden, die tegen Schrift en historie in hun idealistische waan volhouden, in het volle licht worden gesteld. Dit zal misschien nog tot bekering kunnen leiden. En in elk geval ontvangen zij het antwoord, dat zij verdienen."

Zie zo. Daar kunnen deze goddeloze mensen 't voorlopig mee doen.

Gelukkig zijn er nog „Standaard"redacteuren met de moed van Israëls profeten!

Mr. de Geer toont zich niet erg dankbaar voor de lof hem door „De Standaard" toegezwaaid; de kleine aanmerking had hij toch op de koop toe kunnen nemen. In bovengenoemd Weekblad van 21 Mei 1938 reageert Z.Exc. aldus op de slotalinea van het „Standaard"artikel :

„Hier is inderdaad verschil. Tot zulk een, voor mijn besef farizese houding, kan ik mij niet opwerken. En ik kan dan ook op dit punt geen beterschap beloven. Deze dwalende christenen moeten m i. bestreden worden, niet door hen te excommuniceren en wegens hun „goddeloosheid" buiten de legerplaats te werpen, maar door hen zakelijk te weerleggen. Aan het eerste kan slechts behoefte gevoeld worden bij gemis aan voldoende vertrouwen in de kracht van eigen argumenten."

En verder: „Wie zeker is van zijn standpunt, kan de bedoeling van zijn tegenstander erkennen, zonder vrees te koesteren daardoor zichzelf te kleineren. Wie die vrees wèl koestert, blijkt bedenkelijk ver te zijn geraakt onder de suggestie van de tegenpartij".

We behoeven hieraan niet veel toe te voegen. Laten we nog even de feiten spreken. „De Standaard" is van oordeel dat „het goddeloze van deze lieden" in het volle licht moet worden gesteld. Misschien zou dat tot bekering kunnen leiden. We hebben jaar in, jaar uit, gewacht dat het blad dit zou doen. Tevergeefs. O ja, er wordt door het blad veel en geregeld gefulmineerd tegen de „mannen van Kerk en Vrede", waaronder het ons dan ook begrijpt, maar geargumenteerd? Tot op de huidige dag zoeken we daarnaar te vergeefs. Iedere maand gaat een exemplaar van ons blad, waarin nogal eens tegenover „De Standaard" geargumenteerd wordt opgetrokken, naar haar redactiebureau, maar nimmer wordt daarop ook maar met één woord gereageerd. Nu moeten onze mensen, die immers zo hoogmoedig zijn, niet denken dat „De Standaard" dat nalaat uit zwakheid! O neen, ze heeft daarmee haar „nobele" bedoelingen.

Onze lezers zullen zich herinneren dat v. Bruggen de redactie eens wees op een pertinente onjuistheid in één harer driestarren, welke onjuistheid die redactie volstandig weigerde te corrigeren. Zie Geref. Vredesorgaan No. 9, Januari 1936. En wat reden had „De Standaard" om niet te reppen over het „ingezonden" van v. Bruggen? Zij deelde tenslotte mede: „wij achten het bestaan van een z.g. gereformeerde vredesactie veel te vreselijk om daarvan den volke kond te doen".

*) Is het niet alsof we hier de spreker uit Joh. 11 : 48 zgn „principiele" argumenten horen uitspreken ? (d. G.)

Hoeden af voor zulk een noblesse en zóveel zelfbeheersing !

Toch klinkt ons dat zinnetje omtrent hopelijke bekering in dit verband wel ietwat vals in de oren. „De Standaard"-redactie heeft nooit een ernstige poging gedaan om ons van ongelijk te overtuigen. We tarten haar aan te tonen dat dit wel het geval was. Zelden heeft ze de naam van onze vereniging genoemd en wanneer ze dat deed ging het in één adem met „de mensen van Kerk en Vrede". Wij schamen ons dat gezelschap niet, maar deze wijze van doen is niet eerlijk. „De Standaard" kan en moet weten dat wij een belijnder standpunt innemen dan „Kerk en Vrede". Is bestrijding op die wijze soms wat gemakkelijker? Bij „Kerk en Vrede' zijn immers vrijzinnige leden. Dat maakt de goe gemeente kopschuw, en . . . spaart argumentatie, nietwaar?

We willen „De Standaard"-redactie niet kwalificeren met de groepsaanduiding „goddeloze lieden". Ons komt een dergelijk hooghartig oordeel niet toe, en de christelijke liefde doet ons onderstellen dat deze aanduiding onjuist zou zijn. Maar wel zijn de slotwoorden van de besproken driestar zó zeer in strijd met oprechtheid, waarheid en liefde, dat wij niet aarzelen te spreken van goddeloze woorden. Met verlangen zien we uit naar het tijdstip dat de redactie zich zal opwerken tot de zedelijke hoogte waarop het haar mogelijk wordt een eerlijke, zakelijke gedachtenwisseling te voeren met op een bepaald punt andersdenkende en -gevoelende mede-christenen.

We zullen er ons oprecht in verheugen.

H. d. G.

Onze nationale plichttotzelfverdediging.

Het „Friesch Dagblad" (A. R.) van 4 Juni 1.1. bespreekt ons artikel onder bovenstaande titel, geplaatst in ons Mei-nr.

Wij maakten daarin een principieel onderscheid tussen Israël als vofe des Heren en ons volk, en wezen er op, dat wij in een eventuele oorlog strijden voor onze zaak en daarin niet worden dienstknechten Gods, althans die pretentie niet mogen voeren, maar dat we slechts werktuigen Gods zijn.

Genoemd blad is het daarmee niet eens. Het schrijft:

„Dit is dus de tegenstelling: Israël streed op Gods bevel voor Gods zaak; wij — in de 80-jarige oorlog b.v. — voor onze zaak en niet in 's Heren dienst.

Groen van Prinsterer zegt van Willem van Oranje: „De Heer zelf heeft hem geroepen tot het goede werk dat voorbereid was, opdat hij er in wandelen zou". Graaf Jan schreef hem: „deze zaak en dit werk zijn niet van de mensen, maar uit God; gij hebt er u niet uit u zeiven in gemengd; de Almachtige heeft u geroepen, gegrepen, als ware 't bij de haren gesleept; gij hebt in uw arbeid de zichtbare proeven van de hulp, de genade, en de wonderdadige kracht des Heren gehad".

En de dichter van het Wilhelmus legt den Prins de bede in de mond:

Dat ik toch vroom mag blijven,

Uw dienaar, t' allen stond . . .

Maar de interkerkelijk gereformeerde antimilitairisten zeggen: geen dienaar was de Prins; een werktuig als Stalin, Hitier en Mussolini."

Enige aantekeningen mogen hierop volgen. Om met het laatste te beginnen, wij hebben niet gezegd wat redacteur de heer H. A.(lgra) ons hier toedicht. Het is een gevolgtrekking van hem.

Wij schreven: „Wij, Nederlands volk, mogen ons nooit aanmatigen de pretentie te voeren voor Gods zaak te strijden". Dat is toch wel iets anders, nietwaar? Willem van Oranje twijfelde zelf aan zijn strijd en stelde zich de vraag of hij mocht voortgaan. Zijn broer Jan tracht hem dan te overtuigen dat hij van Gods-