is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 1, 1902, no 4, 12-01-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eltheto.

In het nummer van 12 Dec. trof mij het bericht der redactie aan de abonné's, dat wegens den benarden financiëelen toestand de abonnementsprijs tot f 2,— verhoogd moest worden. Dit bracht mij tot de vraag, of het niet overweging zou verdienen het blad in eenigszins gewijzigden vorm uit te geven. Een speciaal Utrechtsch blad kan bezwaarlijk buiten Utrecht veel belangstelling vinden. Wanneer Eltheto er echter toe kon besluiten het blad tot een algemeen Christelijk studentenweekblad te maken, met aan iedere academie hetzij eene redactie, hetzij correspondenten, dan zou het eenerzij ds aan invloed en belang winnen en anderzijds zou de fïnanciëele toestand verbeteren.

Eltheto neme het mij niet kwalijk, indien mijn bemoeien met haar aangelegenheden mogelijk te onbescheiden was 'en in dat geval vraag ik bij voorbaat daarvoor vergiffenis), maar deze kleine opmerking moest mij naar aanleiding van het redactiebericht van het hart. H.

C r i t i e k.

Critiek is altijd zeer subjectief.

Dit bleek mij nog onlangs, toen ik de beide beoordeelingen van den Kamper almanak, die in ons Nilnummer van 1 j Januari voorkwamen, onder de oogen kreeg. De heer G. L. noemt „goed gedicht" wat Sava als „gewoon leelijk" brandmerkt. De Heer Sava acht „den goeden smaak uit het oog verliezend" wat de heer G. H. als „voortreffelijke karakterteekening en tableaux-beschrijving" qualifïceert En toen ik bovengenoemd nummer van ons blad verder door las, viel het me op, hoe de heer Cor als defensor van eene opgerichte N. C. S. V. afdeeling van onze V. U. optrad, terwijl, de heer A. C. H. zijn „antipatie" en „grieven" tegen de oprichting van deze afdeeling ons blootlegt.

Over het verschil van opvatling der beide eerst genoemde heeren kan ik niet oordeelen, aangezien ik den almanak van het Kamper Studentencorps nog niet te lezen kon krijgen; over dat der heeren Cor en A. C. H. kan ik wel oordeelen, maar ik zal dat oordeel voor me zelf houden, daar de heer Cor. mij anders wel eens zou kunnen toeroepen: non tali auxilio, ik kan het alleen wel af.

Zie, daar verraad ik nu met een mijn standpunt door te laten doorschemeren, dat ik aan de zijde van den heer Cor. sta en dus mijn oordeel zijne tegenpartij treft. Maar — verder wil ik dan ook niet gaan met mijne critiek, die natuurlijk subjectief is.

In zijn stuk over „Lichaamsoefening" schrijft de heer Geelkerken in boven aangehaald nummer van „Nil": „er moet veel gedaan. Het bestaande moet herzien." Ook al weer critiek, critiek op onze, nu tot eenheid gekomene, studentenwereld. En dan . . . volgt er een pleidooi, voor een zich wat meer dan tot nog toe wijden aan de ontwikkeling van onze physieke krachten. Dit nu is alles goed en wel. Maar aan de uitnoodiging van den heer Geelkerken voor 29 Januari moet iedereen gevolg geven. „Laat niemand wegblijven" zoo heet het. Ook de „stijve" niet.

Dit nu acht ik al te bont redeneeren. Dit is pressen. Waarom zal men het iemand, die zoo stijf is als een stok, kwalijk nemen, als hij er voor bedankt om ook maar te beproeven met apenvlugheid zich te slingeren om een rekstok of reuzenzwaaien uit te voeren aan een paar ringen(l) ? „Niemand mag wegblijven." Ook de principiéelef!; tegenstander van gymnastische toeren niet, die in al dat in bochten zich wringen van den athleet, niets anders ziet dan een zich verlagen tot dierlijk peil; die misschien nog met Darwin van een aap wil afstammen, maar nooit aap wil worden, die de „arena" van Zetten minstens even heidensch vindt als de arena van oud-Rome. Laat toch zulke menschen vrij. Zeg niet tot dezulken, dat ook zij zich moeten aansluiten aan die club der toekomst op straffe van haar een vitium originis te geven. Zijn ze „stijf", laat ze stijf; ze zijn immers ongeschikt, juist om dat ze stijf zijn. Zijn ze „deftig", laat ze deftig, ze zouden Uw club nog misschien onteeren in Uw oogen, door met glacé-handschoenen aan, te willen mastklimmen. Dat ge opwekt tot staling van physieke kracht is goed, maar wek dan alleen hen op, die aanleg hebben tot luchtsprongenmakerij en acrobatenkunsten. Ieder zijn zin. Laat Uw onmeedoogend vonnis toch niet treffen hen, die het niet met U eens zijn, die wel Uwe critiek deelen: „er moet veel gedaan, het bestaande moet herzien," maar niet allereerst die herziening over physiek terrein willen doen gaan. Dat is mijn oordeel — maar critiek is altijd zeer subjectief.

„Er moet veel gedaan. Het bestaande moet herzien". Ik wou graag op iets anders wijzen. We zijn jong en dies vroolijk van aard. En als er iets in het jong en vroolijk studentengemoed omgaat, moet het zich uiten. Uiten in het woord, meest nog in het gezongen woo;d, in het lied. En het lied onder ons eischt wel wat herziening. De voortijd verhaalde van barden onder ons met een rijke copia canticorum. Wij die al oud beginnen te worden, hebben ze zelfs nog gekend. Sinds hun verdwijning zingen we haast niet meer. Ja, enkele welbekende deunen, maar dat is dan ook het al. De zang gaat er uit. En

E wat nog het ergste is: ons nieuwe Corps heeft nog geen eigen

E lied.

Een ding heeft toch de man met acrobaten-aspiraties voor:

E hij kan z'n vriendjes uitnoodigen, om eens bij zich te komen en

E dan een athletenclub oprichten. Iemand echter, die den zang

E onder ons wil verbeteren, die naar een Corpslied uitziet, kan

E helaas! niet zeggen: laten we eens wat gaan dichten of compo-

1 neeren. Maar wat hij wel kan is: opwekken, 0111 in die leemte

E eens te voorzien. En dan wekt ondergeteekende niet op hen, die

E voor dichtkunst of zang niets gevoelen. Hij zegt niet: „laat nie-

E mand wegblijven", ook de kreupelrijmsamenflanser niet, ook de

E pagiderive op het terrein van maatgezang niet; maar hij wekt op

E alleen hen, die wel eens in hun hart iets waar-poetisch voelen trillen of

E musicaal zijn aangelegd. Hij dwingt geen oningewijden, geen

| „stijven" op dit gebied.

De zang moet verbeterd. Ons corps moet een eigen lied

E hebben. Dat is iets van mijn critiek op onze Studentenwereld.

= Doch — critiek is altijd zeer subjectief.

I JEBEN.

E (') Hier maakt de gymnastisch technische kennis van den schrijver een bok-

| kensprong • een reuzenzwaai aan ... de ringen was tot nu toe iets ongehoords. I Eed.

I

1 V- f.fvt;.-*;, •'•' ' ■'*

[ ft. C. endt y. C 5 V

Het bericht van de oprichting eener afdeeling van de N.

? C. S. V. heeft den heer A. C. H. (want de onderteekening A. H.

1 C. zal wel een drukfout zijn, zooals ik er in het laatste nummer

I een honderd een en zestig aantrof) terstond tegen haar in het

5 krijt doen treden. Hij verklaart antipathiek tegenover haar te

S staan, ja, die antipathie moet zelfs zoo sterk mogelijk uitgespro-

= ken. En dat om drieërlei reden. Aan de afdeeling kleeft een

- vitium originis. De oprichters rakelen noodeloos oude quaesties Ë weer op en negeeren daarbij al wat er vroeger over geschreven : is. De gezamenlijke actie wordt er door verlamd. Bezien wij | die aanklachten eens nader.

Vooraf echter eene opmerking. De heer A. C. H. eindigt

i met er op te wijzen, dat wij de nu verkregen organisatie dienst-

1 baar moeten maken aan het heil van onze studentenwereld en

E Voegt er bij, dat dat ons aller eerbied eischt en geen tijd over

I laat voor iets anders. Ai mij! wat sta ik dan schuldig, want niet

^ alleen van nog een paar studentenvereenigingen ben ik lid, maai

I zelfs ook, horribile dict u! van de k-'esvereeniging, die geheel bui-

1 ten de studentenwereld ligt. Waarschijnlijk zal de heer A. C. H.

Ê het wel niet zoo bedoeld hebben, want dan zou niemand onzer,

1 ook hij zelf niet, zijn plicht doen. Het zal mij echter hoogst

£ aangenaam zijn, wanneer hij een volgend maal duidelijk en voor

" ieder verstaanbaar schrijft. Voor het oogenblik blijven wij in het

E duister aangaande de eigenlijke bedoeling van de slottiiade.

Zien wij nu of de aldeeling werkelijk een vitium originis

Ë ten haren laste heeft. De heer A. C. H. voert tot staving van

E zijn aanklacht aan, dat de vergadering, waar de afdeeling opge-

= richt is, daartoe incompetent was. Wat de „heerlijke, hoog ge-

Ë loofde: eenheid" en het „solidariteitsgevoel" er mede te maken

E hebben, is mij niet duidelijk- Het corps heeft zich toch met eene

i N. C. S. V. afdeeling net zoo min te bemoeien als bijv. met

i V. U. S. A. De vergadering dan was incompetent, omdat alleen

E zij waren uitgenoodigd, die met de N. C. S. V. sympathiseerden

E en voorstanders waren van eene afdeeling aan de V. U. Dat lijkt

E mij zeer logisch. Had de heer A. C. H. soms gewild, dat de

E tegenstanders uitgenoodigd waren? Van exclusivisme kan men hier

: bezwaarlijk spreken. Dat had men kunnen doen, wanneer slechts

- een paar onzer, zonder iemand anders er in te kennen of eemge Ë ruchtbaarheid aan de zaak te geven, eene afdeeling opgericht hadË den. Maar waar, zooals geschied is, er wekeTi van te voren over E de zaak gesproken is en er ad valvas academicas eene oproeping = tot bijwoning der constitueerende vergadeiing is aangeplakt, daar I heerscht toch geen exclusivisme.

Het tweede bezwaar is, dat het zoo wanhopig is telkens

1 weer over te doen, wat reeds als afgedaan moest worden be-

ï schouw De heer A. C. H. schijnt niet te weten, dat de reden,

Ë waarom de afdeeling die aan de V. U. bestond indertijd is opge-

E heven, is vervallen. Er is dus geen oude quaestie weei opgera-

= keld, noch iets dat afgedaan was weer overgedaan, maar alleen is,

B waar de reden tot scheiding weggevallen was, de band weer ge-

Ë legd tusschen N. C. S. V. en V. U., die trouwens nooit geheel

= was verbroken. De zomerconferenties te Laren zijn altijd door

Ë studenten der V. U. bezocht en ook in het jongenskampement zijn

E wij geen vreemdelingen. Ook schijnt het den heer A. C. H. on-

- bekend te zijn, dat van den studentenbond voor de zending, die E op initiatief van en op denzelfden basis als de N. C. S.^ V. is opE gericht, sedert den zomer van 1901 lid is de heer . . . . B. J. Essei, \ juist dezelfde dien hij tegen de afdeeling aanvoert, wat reden geeft E te vermoeden, dat de meening van den heer Esser sedert October E 1899, toen hij het aangehaalde stukje (groot drie kwait kolom, = dus ieen uitvoerig verslag van zijn wedervaren) schreef, eenigszins = gewifzigd is. Verder kan ik den heer A. C. H. gerust stellen E door de mededeeling, dat ik 's heeren Rullmans stukken over = de N. C. S. V. gelezen heb en niet alleen die, maar ook wat de Ë H. H. van Lonkhuyzen, Scharten, e. a. er over geschreven heb= ben. Dat ik nu daarom geroepen zou zijn aan een ieder en een