is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 1, 1902, no 9, 15-04-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 3

M.t*>fci-i'>w*vi n:l i i i i i l;ili!i!iii!iiiH:liHi!liHi;iiiiiiwwinitMii»tifwii»iiiM«»i;iiii!«i!i:titf|;,i j i

de uiterste nagalm van het laatste woord, gesproken tot de amici, j

toen we scheidden: „plezierige vacantie." En tot op dit oogenblik g

is het mij als hoorde ik in den geest over gansch ons vaderland |

bekende stemmen, die uit verre verten en van meer nabij ons E toeroepen: „plezierige vacantie."

Och de scheidingsure is nog niet zoo ver achter ons (we |

hebben doorgewerkt tot Witte Donderdag) en al ligt de studenten- E

wereld aan de V. U. thans uiteen, door de sympathie der zielen |

blijft ze toch weer verbonden en de over groote afstanden uitge- E

rekte communicaticbanden brengen des te zuiverder iedere trilling |

over. O eenheid van streven, gelijkheid van leven, sympathie der |

zielen, geestesgemeenschap, op duizend mijlen afstands werkt gij j

krachtiger, doet ge u soms meer gevoelen dan wanneer alle g

subiecten in enger kring vereenigd zijn. Tegenover het „uit het g

oog, uit het hart" staat met gelijk recht van waarheid het „ont- |

beeren doet waardeeren." De onderbreking der baan geeft de j electrische vonk en in haar de lichtzee!

Daarom neem ik den weggestorven toon weer op en leg |

hem vast in onvergankelijken druk; en deze phonograaf roept in §

zooveelstemmig koor een antwoord u toe op de stemmen van | heinde en ver: „plezierige vacantie!"

We hebben doorgezet tot Witten Donderdag! maar als 1

iemand ooit verlangd het embryo van een college te kennen, dan \

had hij hier den schoonsten kans. Beschrijven in zijne quantita- E

tieve kleinheid en qualitatieve volkomenheid, in zijne potentieële g

volheid, doch actueele leege-dopperigheid, laat het zich niet. Het g

oneindig-kleine zoowel als het oneindig-groote ontglipt der be- g

perkte menschelijke waarneming! |

De goede en schoone traditie getrouw heeft een klein |

getal der weinige achtergeblevenen in gezellig en intiem saamzijn E

de ceremoniën gepleegd, waarmee de duisternis van het uiteengaan :

en de dageraad der vrijheid worden vereerd en begroet. Helaas, g

te klagen valt ook hier over achteruitgang en verbastering der E

aloude zeden, over nalatigheid en plichtsverzuim waar het geldt E

de goede, ja schitterende overlevering der ouden. Zij waren g

menschen; volgt hen dus niet blindelings na; verbetert ze, vult ze |

aan, doch behoudt wat zij ons voortreffelijks nalieten! g

Paschen en Paaschvacantie. Het komt mij voor dat iedere |

vacantietijd zijn eigenaardig doel en cachet heeft. Met Kerstmis §

wordt het huiselijke, intieme familieleven gekoesterd, gebruikt en g

genoten; in de groote vacantie drinken we in uit de krachtbron j

der vol ontwikkelde natuur, staan we in den gloed en de hitte der E

zon, in het volle, verblindend uitgegoten licht, dreunt de fiere |

polsslag van het leven der natuur; en gloed en licht en leven |

stroomen in ons óver, opdat ook wij zouden staan in volle |

energie, in hernieuwing van kracht, in rijkdom en weelde van g

leven. Maar met Paschen komen we op uit den sleur uit de don- g

kerheid, uit het pessimisme; dan rijzen we tot het licht, tot ont- E

waken, tot idealen. Nog niet de volle ontplooiing, maar loswik- g

keling, beweeking, uitbotting. Teeder is Paschen en rein, ideaal! |

Het modernisme heeft dit gezegd en ontzemiwd. S

Ontzenuwd, gedood, in phrasen verkeerd! Want waar het I

niet daalde in de diepte van de beteekenis van Paschen daar 1

kwam het ook niet tot het helder zien van het vergezicht, dat g

zich op de hoogte der bergen ontrolt voor het oog des geloofs, g

Maar laten wij, uit reactie, dan ook niet halverwege blijv:n staan, =

maar laten we geloovend en belijdend, dat Christus ons leven is, g

in den vollen, rijken zin van het aloude Christelijk Paasch-evan- g

gelie, nu ook niet deinzen om de eenheid te zien en te voelen, |

waar we opjubelen in de tonen der muziek, waar wij zien het |

leven der natuur om te ontwaken, waar wij voelen het frissche g

leven ook in ons. E

Vergeet het vooral nooit in de Paaschvacantie: hoe dichter 1

gij staat bij de natuur, hoe meer gij tot het volk behoort, hoe |

moeilijker gij dit op zult geven, hoe onbevredigder het u zal laten J

het niet te vinden. G. |

TrnrnMiMMmwmMrMmmmMmmmwmimmwmmmmmmmiimmmmmmmi |

„Studentencorps" j

In het verslag van de laatste corpsvergadering werd niet |

gesproken van een punt, dat m. i. wel waard is ook door Nil g

Desperandum Deo Duce aan de ingesteldheid te worden ontrukt: E

de discussie over de corpsbullen. Op de uitgereikte diploma's noemt g

de Senaat zich tweemaal „Senatus Corporis Studiosorum Refor- g

matorum," en zulks ingevolge een vroeger corpsbesluit, waarbij de E

bewoordingen van het diploma vastgesteld werden. Op een teer g

punt is hier de bul in strijd met de statuten van het corps. Toch g

is hier o-een reden om den Senaat ernstig aan te vallen; te minder E

waar hij de bul door de corpsvergadering heeft laten goedkeuren. ;

Ik constateer slechts: 5

io dat de Senaat een voorstel in strijd met de statuten g

heeft doen aannemen door de corpsvergadering en uitgevoerd;

20 dat de Senaat hierin te goeder trouw was; wat be- |

wezen wórdt door de discussie op de laatste corpsvergadering, |

aan het slot van welke discussie de loco-Rectoi de ongrondwet- + * :_.1_ ^"U ^4- inp»/=»i*rlp hesluit erkende en betreurde;

HL'11CIU. V ctil 11CL ^ -

30. dat bij beter-met name by schriftelijke-voorbereidmg j

het ondoordachte corpsbesluit tot vaststelling van den inhoud ^dei |

diploma's stellig anders ware uitgevallen. F. |

I lil I■ | I I H H .H I «II llll-Jlllll.4-11144- l-l

Vertroosting-

Daarbuiten kust de jeugdige lentezon met volle uitgieting van gulden liefdestroomen het ontwakend aardrijk. Hoe innig, hoe teer streelt zij de ontluikende knopjes en de zich fijn ontplooiende bladertjes, en met volle teugen drinken zij dezen levensdrank. Het voorjaarsgroen prijkt in het nieuwe kleed ... jeugdig frisch ... de lucht in sereen blauw overweldigt uw verrukten blik met haar bekoorlijke luchtvelden in eindeloos perspectief.

De vogels kwinkeleeren en 't is of zij met hun glashelderen klank 't lied der natuur accompagneeren, dat in zachte melodie de schepping doortrilt.

Dit alles 't voorspel van het heerlijk zomerleven.... het zonneleven.

Dit alles de profetie van rijker ontwikkeling... de belofte van grootscher pracht.

De eerste toon van een nieuw natuurstuk maar tegelijk

de echo van een zoet verleden

* *

*

Daarbinnen... wat?... geen juichtoon klinkt mij tegen? Geen medejubelen?... geen meegenieten?... O, hoe donker! Alles in rouwvloers gehuld . . . stille weemoed laat haar scherpe druppelen vallen in 't gewonde hart... O, hoe pijnlijk!... Die smart! . .. dat knagend gevoel daar in je borst! .. . die terneergeslagen, die strakke blik .. . die trage gang!

Weenen om gemis ... lijden door verlies ... stil, ... alleen lijden .. . neen, toch niet alleen . . . naar buiten, die vogels ze zullen meeweenen, die boomen ze zullen hunne kruinen buigen, die velden zullen medetreuren . .. maar welke stem vol zoete bekoring trotseert het dof gekreun? Welke toovermacht verandert 't droef geween in blij gelach ? .... neen, hier kan geen droefheid heerschen. 't Is immers al vreugde om me heen. Het drijft me voort. . . onweerstaanbaar met schalkschen blik zien ze naar mij die snelpennige luchtbewoners, alsof ze wilden vragen: „ge treurt ?"

Ook die zon stuwt weg die wazige golven . . . die walmen van smart. En ziet 't is ook daarbinnen een ontluiken . . . een nieuw leven wordt geboren en in de eerste windselen wordt 't gekoesterd door de lieflijke warmte van den lentegloed.

„Hier duften Krauter Balsam aus;

„hier sproszt den Wunden ... Heil"—

. . . De vertroosting der natuur! .

* *

*

Een woelige warrelende menigte. Een gezellig lachen . . . een druk gepraat. . . een haastig heen en weer loopen .. . een vluchtig „Bonjour!" en een innige handendruk .. . 't banaal gedoe van „de lui." Och. wat gaan die andere menschen je ook aan, ieder heeft zijn eigen leven, zijn eigen vreugden zijn eigen smart.

Zoo weinigen weten ware sympathie te koesteren . .. zoo weinigen kunnen ze geven, men wordt dikwijls zoo verkeerd begrepen en waar men gaarne liefde geeft, daar blijkt dikwerf de hoogte van stugge warsheid en ongevoeligheid onoverkomelijk.

Zelf wordt uw hart gekrenkt... ge dreigt onder te gaan in een zee van smart. . . maar uw uitgestoken hand wordt nog gegrepen door menschen . . . door vrienden . . . 't zijn onze intimi, 't Hart kan zich uitstorten... 't overkropt gemoed kan zich uiten ... en de hartsgeheimen kan men veilig toevertrouwen aan de zorg van een vriendenhart. Heerlijke verzachting na den pijnlijken indruk van de doornen des levens . . . onschatbare kleinodiën gelegd in 's menschen hart.

Onschatbaar voorrecht. .. het bezit van ware vrienden ... Het geeft een rijk genieten zulk samenzijn . .. ook al worden weinig woorden gewiselid.

Dat wederzijdsch aanschouwen van zieleleven . . . het geeft kracht. . het houdt staande.

Die vrienden... ze brengen u in 't leven terug... de realiteit van 't leven wordt minder hard door hun woord, vriendentaai de genezing voor 't krank gemoed. De last wordt weggenomen ... ze dragen mee en het gaan wordt lichter ... den weg te bewandelen valt niet meer zwaar.

De smart moet wijken voor den gullen lach, geen onnatuurlijk kwijnen bevangt den geest, maar mannelijk dragen wordt het streven.

Nieuwe idealen werken bezielend in het nieuwe leven; de levensgrond ligt vast onder de voeten, door geen schok bewogen. Een worstelend ontkomen . . . een juichtoon 't zegevierend eindaccoord van 't levensdrama.

„/« de nood wordt een broeder geboren."

... De vertroosting van den mensch!

* *

*

Troost schenkt gij, heerlijke natuur, hof van geneugte! In uw paleis geuren de bloemen van vertroosting mij tegen . . . Maar geur is zoet, verkwikkend en van heilige kalmte komt over mij in het voorschrijden uwer bontkleurige galerijen. Evenwel volkomen vrede vind ik niet bij u.