is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 1, 1902, no 11, 15-05-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B IJ VOEGSEL. |

INHOUD: Aan Q. N. Doezelaar, door J. — Nil nimis, door | K. — Hoe lang nog? door Ceves. — Politiek en Religie, door | N. — Correspondentie H. de Cock: Een brief aan een Leidsch | I-I. de C. lid, door Agricola. | E

Aan Q. N. Doezelaar.

Met genoegen las ik je stuk in 't vorige Nil-nummer, Zoo |

vind ik al dadelijk je officieele adres eenig leuk. Wel waren er §

onder de amici, die achten dat deze zinspeling op mijn nestorschap §

den naam van geestigheid niet dragen kon, wegens volslagen gemis |

aan fijne humor, en ook niet onder de April-grappen kon gerekend, |

omdat zij daarvoor juist een maand te laat was en daarom bij =

de gewone Artigkeiten onder dak moest worden gebracht, maar stoor |

je daaraan maar niet. |

Ik zou wel eens willen weten welke schrijver niet bloot jj

stond aan dergelijke critiek. =

Je prijst mij, dat ik de wacht hield bij 't beginsel — wat f

ik natuurlijk zeer waardeer — maar beweert tevens, dat ik je |

totaal verkeerd begreep — wat mij al weêr uit den aard der §

zaak zeer spijt. |

Toch voer ik hier als verschooning aan, dat misverstand |

een gewoon dagelijksch artikel is in de saamleving en dat boven- |

dien mijn misverstand, wat 't voorvoegsel aangaat, allicht familie |

onder ons vindt, in misplaatste vragen, mislukte geestigheden, \

miskende stukken, misnoegde schrijvers, enz. §

Doch je recht vriendschappelijke toon in je schrijven geeft |

mij ook vrijmoedigheid op te merken, dat de oppositie tegen wat 1

door velen principieele zaken worden geacht, als 't behoud van |

Deo duce in 't kopstuk van het blad enz., steeds van dezelfde |

zijde kwam, zoodat ge wel zult moeten toestemmen, dat 't een |

arme schildwacht toch heusch niet kwalijk te nemen is, wanneer |

hij, weer aan dien kant onraad bespeurend, wat te vroeg losbrandt. |

Intusschen doet 't mij innig leed, dat ik een trouwe vriend |

voor een vijand heb aangezien. |

Te meer smart mij dit om de vreeselijke gevolgen, die dit |

„spelen met vuur" na zich slepen kan. |

Toch heb ik mij over die gevolgen ook weer niet te onge- |

rust gemaakt, omdat een zekere hr. X. in hetzelfde nummer, waarin I

je schrijven aan mij voorkomt, op Hajo's vraag „Wat nu?" op |

luchthartigeu toon antwoordt: Nu onze statuten in orde zijn, Hajo! =

gaan we eerst onze statuten wijzigen, dan zullen ouze reglementen =

ook wel moeten gewijzigd. Misschien zijn er dan wel weer menschen, §

die geen lid kunnen blijven en een tweede organisatie oprichten, enz. =

Zie, dit stelt mij omtrent die gevolgen eenigszins gerust, =

omdat, naar 't gerucht gaat, de hr. Q. N. Doezelaar en X. elkaar f

niet zoo geheel vreemd zijn, waaruit als vanzelf volgt, dat je voor- =

stelling van de gevolgen mijner daad wel wat overdreven is. |

Daarenboven als 't bespreken van 't „reformata" en „refor- |

matorum" gelijk stond met 't „spelen met vuur," is 't toch zeker Ê

niet te onbescheiden van me, als ik je vraag: waarom gij er dan i

mede begonnen zijt? |

Ge stond immers toch voor 't fait accompli van het corps f

besluit en van het reeds gedrukt zijn der bullen. |

Waarom moest, om een bloot formeele kwestie, oppositie |

gevoerd tegen den Senaat, die toch zeker ook wel op goede |

gronden uitvoering gaf aan hetgeen 't corps besloot. =

Ik ben nu echter, dank zij je schrijven, voldoende ingelicht |

en beloof je plechtig, dat ik over dat gevaarlijke zaakje (?) verder =

zwijgen zal. \

„Gaan rakelen in de asch van een pas gebluschten broeder- §

twist" is ver van mijn bedoelen. I

Er is buiten de studentenwereld aan de V. U. al zooveel Ë

beroering onder de broederen, dat we werkelijk geen corps en blad |

noodig hebben, om ons te leeren hoe we straks in 't werkelijke |

leven elkaar in het haar zullen zitten. |

't Slot van je stuk las ik met genoegen. |

Ik voorspel je bepaald een schitterend succes als je 'op deze f wijze voortgaat je vernuft te laten spelen.

Slechts raad ik je, wat minder van je schijnbaar weelderige |

phantasie te vergen, want hoe je overeenkomst tusschen mijn stijl \

en de voorlaatste alinea van je stuk kunt vinden, is mij van al |

het raadselachtige in je epistel nog 't raadselachtigst. |

Vale t.t. J. |

iiiiii(iiiin«iiiiiiiii<iift||H||i|ll,l>llllll<lll,ll,ll,lllllllllllllllllill|M|||,|i||lllllllll,,lllllllllllllllllllllllil>lll,llllllllllll<1 -

N i 1 n i m i s! I

A heeft zich overwerkt, B lijdt aan zijn zenuwen, C is onlekker naar huis gegaan, D mag in zooveel maanden niet werken, enz.

En onder de eerste-jaars-menschen zijn 't geen rarae aves meer, die halverwege 't jaar voor hun vereeniging bedanken of vrijstelling vragen voor werkzaamheden.

,,'t Examen" drukt hen als een nachtmerrie en alle sociale plichten worden verzuimd.

Niet het minst aan den omgang is 't verkieselijke te danken van 't student zijn boven 't autodidactisme,

En 't lichaam, de trouwste en meest onmisbare arbeider van onzen geest, stelt, als al de arbeiders tegenwoordig, ook zijne eischen, waarmee valt te rekenen.

K.

llllliaillllllllllllllllllllllllltlllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllillllllllHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIillllllil

Hoe lang nog?

Als 't bericht in 't laatste Nilnummer waarheid bevat, dan vieren de „Ursianen" weldra feest en is de tijd niet verre meer, dat 't daverend applaus des toeschouwers de kroon zetten zal op de bovenmenschelijke toeren der student-gymnasten. Welk een ontwikkeling van krachten, wat vooruitgang in zoo korten tijd. Een schoone periode voor de Gymnastiekvereeniging. Zoo geheel overeenkomstig den geest onzer dagen, alles flink en vlug.

Doch ook aan schrille contrasten ontbreekt 't niet. Wordt ons in „Ursus" 't beeld van krachtsontwikkeling en vooruitgang vertoond, ook dat van stilstand en traagheid kunnen wij gadeslaan. Nog steeds zitten de „stijven" met slappe handen ter neer en doen niets van zich hoeren. Welk een tegenstelling met „Ursus," die met forschen greep de hand aan den arbeid sloeg. En toch kan 't zoo niet langer voortgaan. Er moet leven komen, de dorre natuur moet meer uitbotten. Er moet gezien worden wat er in den schoot dier aarde verborgen is.

Op dan o, stijven, ontwaakt. Veel is er voor u te doen. Waar gij dan aarzelt u lendenen te buigen, en uw spieren de noodige lenigheid te verschaffen, gymnastiseer daar met uw geest, met uw talent. Ons corps heeft ook u noodig, niet uw lichaamskracht, want in „Ursus" hebben wij in tijden van nood voldoende bescherming, maar de kracht van uwen geest, uw poëtisch talent, Hoe lang nog moeten wij wachten eer wij in een eigen Corpslied ons gemoedsleven uiting kunnen geven. Waar is de dichterhand onder ons, die met vaardigen pen ons „lijflied" zal neerschrijven? Onze ziel smacht er naar. En voorwaar Jebens Zangkoor zal gereed staan om ook na drie maanden feest te vieren, feest te vieren door het zingen van dat lied. Wie zal de stoutheid hebben de luit ter hand te nemen en een corpsleven in muzentaal te tokkelen? Of zou er dan geen enkele dichterlijke geest onder ons vertoeven? Neen, dat is onmogelijk. Welaan dan, de nood dringt, de hand aan 't werk. 't „Sempre Avanti," zij ook in dit opzicht onze leuze. Reeds worden de verschillende levens uitingen van ons Corps in Nil's kolommen aan de vergetelheid ontrukt in schoon en roerend proza, maar laat dan ook dat leven zelf vereenigd worden in een heuglijk, zielsverheffend lied. Dat 't weldra weerklinke uit eiken mond, zoodat anderen verbaasd 't met de woorden van da Costa moeten uitroepen:

Kan het zijn dat de lier, die sints lang niet meer ruischte,

Die sints lang tot geen harten in dichtmuzijk sprak,

Weer op eens van verrukking en hemellust bruischte,

En in stroomenae galmen het stilzwijgen brak ?

Ceves.

Illllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllilllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllfllllllltllllllllll

Politiek en Religie.

Waarom, zoo vroeg voor eenigen tijd 't Handelsblad, zijn I

wij zoo achterlijk met onze wetgeving? =

En ietwat paradoxaal luidde 't antwoord: dat ligt aan onze I

Hollandsche degelijkheid. |

Waarom wordt door sommigen onzer minder gepraesteerd, |

dan men zou verwachten? Van wege te grooten ijver, meen ik. |

Hoe vaak hoort men in den laatsten tijd: =

In der liberalen, nu vereenzaamd, kamp klonk het steeds: „Geen godsdienst in de politiek. De rede alleen geeft hier voldoende leiding."

En de uiterste fractie der linkerzijde week met haar „godsdienst is privaatzaak" niet af van de door de „Oomes" beleden leer.

Daartegenover staan de Christelijke partijen. Hoezeer uiteengaande in zoo menig punt, hebben zij toch gemeen de hoofdbeginselen, 't geloof in God en Christus, in zonde, onsterfelijkheid en oordeel. En dat algemeene, dat hen verbond, was de grondslag voor de coalitie bij de stembus van 1901, de bodem, waarop de huidige Christelijke regeering rust. Ook in de politiek, in de regeering zou weer gerekend worden met Gods geopenbaarden wil.

Ontegenzeggelijk was dit juist gezien en de Christenen in 't land verheugen zich dat nu zekere eendracht kwam, waar vroeger maar al te veel werd gekibbeld en gestreden.

Waar we vroeger de Roomsche geestelijkheid schier niet kenden, was er nu samenwerking. En bij 't zien van hun ijver, ontblootten wij soms onwillekeurig voor hen het hoofd.

De vereeniging van Roomsche studenten aan de Gemeentelijke Universiteit zond bij gelegenheid van haar vijfjarig feest een uitnoodiging aan ons corps en onze afgevaardigden woonden de plechtigheden en gastmalen toen gehouden, bij.