is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 1, 1902, no 11, 15-05-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een afdeeling van de N. C. S. V. werd weer opgericht aan de V. IJ. Ja zij stelde zich in contact met die aan de Gemeentelijke Universiteit, Om gemeenschappelijk te vergaderen en bijbelkringen te organiseeren.

Wij leven tegenwoordig zoo gemoedelijk, zoo ,,in pais en vree". Uitmuntend! Ik behoor niet tot hen die dit laken. Daar is een band, die alle Christelijke belijders verbindt, die bindt ook waar verschil van nationaliteit, stand, ontwikkeling en dogma's de menschen afscheidt, in coteriën deelt. En waar 't geloof steeds meer door de volkeren wordt verlaten en de Christenbelijder zich alleen vóelt kan 't besef van dien band hem troosten en bemoedigen. Maar wij gelooven toch ook in één waarheid, in de waarheid. Wij gelooven toch, dat Gods openbaring het zuiverst is begrepen en weergegeven door hen, die zich Gerefomeerden noemen. Laten we daaraan vasthouden!

In de politiek gaan we samen uit opportunisme. Is de regeering niet geheel zooals wij ze wenschten, er bleek reeds meermalen verschil van inzicht tusschen sommige leden van het Kabinet en leden van de Kamermeerderheid, waarop het steunt, een verschil, dat verhindert met stevigen tred in de verlangde richting te gaan, hier geldt het: „beter wat dan niets."

Maar in de religie blijve toch steeds isolement onze kracht! En daar ligt het gevaar, waarop ik de aandacht wilde vestigen. Dat samenwerken brengt zoo licht tot een inschikkelijkheid, die opschikken wordt, een prijsgeven van 't scherpe en belijnde in eigen standpunt. Men wil elkaar niet kwetsen, liever den vrede bewaren.

Een uiting van een vriend, die werkt aan een Gereformeerde Zondagsschool voor havelooze kinderen, liet mij in eens het gevaar zien. Een kind, dat daar onderwijs genoot, had men laten gaan. De Ouders klaagden er namelijk over dat het kind, dat ook de Roomsche catechisatie bezocht, aan 't verwarren ging. En nu was 't, meende hij, beter, dat 't kind goed onderlegd werd in den Roomschen Christelijken godsdienst, dan dat het door de Gereformeerde leer in de war werd gebracht. — Voor die verwaring hebben toch de Hervormers niet gevreesd! En de Roomsche kerk bleef dezelfde. De catechismus is nog niet teruggekomen op hare verklaring: „en alzoo is de Mis in den grond niet anders, dan eene verloochening der eenige offerande en des lijdens van Jezus Christus en eene vervloekte afgoderij." En van den Heiligen Stoel wordt nog jaar aan jaar aflaat afgekondigd, tegen bezoek van deze en die kerken, zooveel maal per dag, terwijl het toch Christus alleen is, die de zonden vergeeft.

Laten we ons wachten, om niet genoegelijk en vredig af te drijven tot een algemeen Christendom „boven geloofsverdeeldheid."

Laat ons wakende zijn en niet verslappen!

N.

iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiimmimimHiiiiiimimiMiimmmmiiii

Correspondentie Unie H. de C.

Brief aan een Leidsch H. de C.-lid.

Amice fr.

Zooals ge weet, is het Corps van Studenten aan de V. U. zoo welwillend geweest om een gedeelte van de plaatsruimte van z'n blad beschikbaar te stellen voor de Unie „Hendrik de Cock." En daar ge, als ik me niet vergis, op onze laatste Unie-vergadering tegenwoordig waart, is het U evenzeer bekend dat onze Unie dit blijk van vriendschap en waardeering op hoogen prijs stelde en niet geaarzeld heeft het aanbod met dankbaarheid aan te nemen. En om nu voldoenden waarborg te bezitten, dat alles ook in dezen ordelijk zou toegaan en dat er inderdaad van de aangeboden gelegenheid tot schrijven zou worden gebruik gemaakt, heeft de vergadering een commissie van drie menschen benoemd, die dit werk dan ook bereidwillig op zich genomen hebben en het tot dusverre uitvoeren op een wijze, die lof verdient.

Doch als we nu maar alles op hen alleen laten aankomen, geloof ik toch dat we verkeerd doen, en ik meen me zelfs nog eer goed te herinneren, dat op diezelfde vergadering de wenschelijkheid is uitgesproken, dat ook andere leden onzer Afdeeling hun steun zouden verleenen.

Dit besef nu, maar niet het minst ook het feit, dat ik reeds meermalen ben lastig gevallen om ook eens iets te schrijven, hebben mij op het denkbeeld gebracht om, in geval de censuur m'n brieven doorlaat, U van tijd tot tijd zoo'n beetje op de hoogte te houden van wat er in de Amsterdamsche Studentenwereld zooal omgaat.

Een mensch weet toch maar nooit waar hij nog toe komen kan! Want wie had kunnen denken, toen in 1886 eenige Studenten van „Afgescheiden" huize zich aaneensloten om bij elkaar te zoeken, wat ze in geen Corps of Bond konden vinden, dat „H. d. C." het nog eens zoover zou brengen, dat ze, al is het dan ook maar voor een klein deel, er een krant op na zou kunnen houden!

Inderdaad, amice, we mogen dankbaar zijn. Ik heb zelfs in den laatsten tijd meer dan eens de vooronderstelling hooren uit-

| spreken dat „H. d. C." nu voor goed van haar bestaan kon

§ verzekerd zijn. En nu ben ik beèlemaal niet iemand, om andere

| menschen hunne illusies te benemen, maar een optimisme voeden,

| dat totaal geen rekening houdt met de teekenen der tijden, mag

| ik ook niet. Daarom plaats ik dan Ook als mijn meening tegenover

| die mijner amici., deze, dat >,H. d. C." maar geen al te groote

| verwachtingen van de toekomst moet koesteren. En deze opinie is

I gegrond op de volgende overwegingen. Allereerst moeten we altoos

| in het oog houden, dat van het Gereformeerde deel onzes volks

| voor eerst nog wel zal blijven gelden, wat Paulus eens schreef

| met betrekking tot de Gemeente van Corinthe: „niet vele mach-

| tigen, niet vele edelen", zoodat het aantal Gereformeerden, dat

| aan onze Universiteiten komt studeeren altijd betrekkelijk

| gering zal blijven. En als we dan bedenken, dat we op

| Theologen volstrekt niet te rekenen hebben, zoo tenminste de

| Gereformeerde Theologen van onze Rijks-Universiteiten niet

§ meer dan tot nu toe toonen, dat ook zij iets voelen voor eene

| organisatie van Gereformeerde studenten — tusschen twee haakjes:

| de naam onzer Unie zal toch geen beletsel zijn. De Heeren weten

| toch wel dat deze slechts daarop wijst dat de actie van zonen

Ê der „Scheiding" is uitgegaan — en verder, dat het aantal Juristen

| en Litteratoren, dat toch al niet bijster groot is, waarschijnlijk nog

| verminderen zal, zoo straks misschien de graden van de V. U.

| worden erkend en het getal Professoren wordt uitgebreid, dan

| komen we tot de conclusie dat er niet veel meer dan medici en

| natuurphilosophen overblijven. En als dan in de toekomst de thans

| aan de V. U. nog geheel ontbrekende faculteiten worden gesticht,

| dan gaat het wellicht met „H. d. C." als met de nikkertjes uit

| het Prentenboek, waarvan er geen een overschoot. Maar zoover

| zijn we nog niet. Vooreerst kunnen we nog wel rustig doorwerken.

| En komt het eens zoover dat we in Nederland een Universiteit

| krijgen, waar alle wetenschappen naar den eisch der Gerefor-

| meerde Beginselen worden gedoceerd, dan geven we met alle

| pleizier onze Organisatie prijs en we kunnen de voldoening smaken

| dat we naar de mate onzer krachten wegbereiders zijn geweest.

I Na groete ook aan uwe amici, als steeds

1 t. t.

| Agricola.

E iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiimiiiiiiiiiiiiiiliiiiiiiiiiiiiiiHlIiiiiiiiiiiiiiiiHiiiiiiiiiiiiiiiifiiiiiiii

f Advertentie n.

E mimi 1111111111111111 minimin nu

I Verschenen aflevering 7 van:

| CALVIJN'S JEUGD,

I Jongelingsjaren, Omzwervingen, Bekeering,

I en Eerste optreden als Reformator,

i toeschreven door

I E. DOUMERGUE,

| Hoogleeraar te Montauban,

\ vertaald door

ï Ds. W. F. A. WINCKEL.

I Dit werk verschijnt in 15 afleveringen van 32

I pagina's. De prijs is per aflevering ƒ0.35, zoodat

1 het geheele werk voor de inteekenaars niet meer

I zal kosten dan f 5.25.

Per vijf afleveringen wordt over f 1-75 beschikt.

! De uitgever,

\ Amsterdam, W. KIRCHNER.

| Rozengracht 55.