is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 1, 1902, no 14, 01-07-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 5 —

Dat is te bejammeren.

En dubbel moet daarom toegejuicht wat van dien kant dan blijkt voor dat streven althans iets te gevoelen.

Ik aarzel niet daaronder te noemen de bovengemelde uitgave van een en kalender, waarvan men ons een proefschild ter recensie toezond.

We moeten eindelijk eens voor goed afdoen met de ellendige schilden, waarmee ons Christenvolk telkens wordt opgeknapt.

Schetterkleurige voorstellingen uit liijbelsche of kerkelijke geschiedenis, die vaak karikaturen geven in plaats van afbeeldingen, die absoluut ook niet de gewenschte uitwerking hebben, omdat ze eerder den lachlust opwekken, dan de aandacht bepalen bij de ernstige momenten, die meestal worden afgebeeld.

Waarom geeft men niet een figurenteekening, eenige stylish bloemen, dan al dat geknoei, dat men natuurlijk toch, aangemerkt den geringen prijs, die men steeds wil vragen, nooit voor beter werk kan doen plaats maken.

Genoeg, in onzen geest werkte de uitgave Van der Land echter nog niet. De ontwerper, de heer H. C. Koch Jr. streve in 't vervolg meer naar levendigheid van kleuren. De thans gebruikte zullen op menig behang door overeenstemming van tint niet genoeg op den voorgrond treden.

Over het verdere van deze uitgave kunnen we thans nog niet spreken, daar we dat nog niet zagen. Uit de gegevens, die we er echter reeds van hebben, laat zich echter de profetie wel opmaken, dat niemand den aankoop ervan zal behoeven te betreuren. Uit Dr. Kuyper's werken zijn zeker zeer schoone motto's voor een kalender te verzamelen, en de hand, die ze zal bijeenlezen, weet als misschien geen andere, van alle deelen van den uitgestrekten akker de volste aren samen te zoeken.

D.

Onverdiend.

Toen voor eenige weken de «Handelingen der twee en zestigste vergadering van de curatoren der Theologische School van de Gereformeerde kerken in Nederland« uitkwam en dit van welwillende zijde mij ter lezing werd aangeboden trof ik in het i Verslag van den toestand der School gedurende den cursus 1901/2® namens het college van Hoogleeraren door den Ab-actis daarvan, Prof. M. Noordtzij, voorgelezen, ook een vermelding aan van de studenten onzer Academie. En nu niet in een voor hen zeer aangenaam verband. Wat toch stond er te lezen :

»Voor sommige studenten was, in verband met het feit dat »ook door sommige studenten van de Vrije Universiteit vroeg »en druk wordt gesproken, de verzoeking zóó groot dat een

* 10-tal van het 3e studiejaar reeds een enkele maal voor »gingen vóór er consent toe verleend was en een ander 8-tal

* van t laatste studiejaar te veel beurten had waargenomen.

Nietwaar? we hadden eervoller kunnen vermeld. Bij alle kerkeraden, aan wie toezending van deze Handelingen geschied staan zoo de theologen aan onze Universiteit geboekt als overtreders van een synodaal besluit, die zelfs anderen op die paden van ongehoorzaamheid meelokken.

Want wel schijnt »sommige studenten« te beperken, maar toch wekt het in zijn onbepaaldheid verdenking tegen allen.

Dat nu is niet aangenaam.

Maar hier is het bovendien nog onverdiend 1

Hier wordt in een officieel verslag; een: »feite genoemd, wat, voorzoover mijn kennis en die mijner vrienden met wie ik er over sprak, reikt, in de verste verte geen feit is.

Bij het college van Hoogleeraren te Kampen bestaat daaromtrent een misverstand.

Laat ik mogen beproeven het uit den weg te ruimen, en aan te toonen dat er bij ons niet vroeg (blijkens het verband : te vroeg) gesproken wordt. Over het »druk« spreken handelen we hier niet, omdat het synodaal besluit (1899 Groninger Acta art. 52) de bepaling daarvan aan de Hoogleeraren overlaat, zoodat daarvoor aan beide inrichtingen misschien wel eendere, maar toch niet dezelfde wetten gelden. Over het al of niet te vroeg spreken oordeelt eenzelfde besluit.

En dan is in de studentenwereld juist één geval bekend gedurende de laatste twee jaar dat een student heeft gesproken voor hem daartoe verlof was verleend.

Dat kan toch zeker niet aangevoerd als een, ook maar eenigzintse verontschuldiging dat in Kampen in één jaar niet minder dan tien studenten aan eenzelfde overtreding zich schuldig maakten.

Dat kan toch zeker niet genoemd: »sommige studenten.»

Nog iets I Zelfs wordt in den regel aan onzen studenten het consent nog later gegeven dan te Kampen. Althans naar ik meen is men daar tot spreken gerechtigd na het semi-candidaats, dat gewoonlijk vóór de groote vacantie wordt afgelegd.

Aan de Vrije Universiteit daarentegen heeft gewoonlijk het eerste preekvoorstel, waarop uitreiking van het consent volgt, eerst na de vacantie plaats. Slechts dit jaar werd aan vier studenten onmiddellijk voor de groote vacantie, dus op denzelfden tijd

als in Kampen, reeds het consent uitgereikt. Van deze trad er, tot nog toe, nog slechts één voor een gemeente op.

Van »vroeg spreken* kan dus wel geen sprake zijn.

Slechts door een misverstand kon het college van Hoogleeraren zoo melden.

Hoe jammer dat nu zulk een misverstand met al het aplomb der officialiteit zich bij alle kerkeraden komt aanmelden.

Ons blijft nu niets dan te vertrouwen op de achterhalende kracht der waarheid. A.

Corpslied.

In het sNil «-nummer van 1 Februari 1902 wekte Jeben de zanglustxgen in ons Corps op, om in oogenblikken van inspiratie eens de lier te grijpen en een Corpslied te vervaardigen. Nu heeft de beste en meest intieme vriend, dien Jeben op dezen aardbodem bezit, in een zanglustige bui zijn krachten eens beproefd. Hij laat u hier een proeve van een Corpslied volgen. Uwe clementie, o Corpsleden, roept hij allerminst in. Keurt het gerust af, zoo het door u afkeurenswaardig bevonden wordt. Een lied van ons Corps moet de sympathie van al onze Corpsleden hebben. Mag het uwe goedkeuring wegdragen, dan zal ondergeteekende zich gevleid gevoelen. Zoo niet — hij zal er niet over treuren — maar zich gelukkig achten in staat te zijn geweest door zijn voorbeeld betere poëten in ons Corps tot navolging te hebben aangewakkerd.

Zijn proeve luidt dan als volgt:

Geen band zoo sterk, zoo vast, zoo hecht

Als die van trouwe Corpsgenooten,

Om éénen standaard saamvergaard,

Door éénen broederband omsloten.

Geen lied zoo krachtig en vol gloed Als welt uit ons gemoed.

Die band zoo sterk, zoo vast, zoo hecht

Is die van trouwe broederharten.

Die standaard, waar ons oog op staart,

Doet ons den spot des vijands tarten;

Het is het vaandel van Calvijn,

Wiens geestlijk kroost wij zijn 1

Dat lied, dat onze borst ontsnelt,

Het zingt den roem der Alma Mater,

Zoo vaak de vriendschap ons vereent,

Bij blijden dronk en feestgeschater.

Dat lang de Academie bloei'

En dat ze leve en groei' I

Komt, broeders, 't vaandel dan omvat 1 »Wilt wanhoop uit uw harten weren:

Als God ons leidt, dan gaat het goed,«

Dan kan geen tegenstand ons deren.

Vest op die zinspreuk dan uw oog En houdt ons vaandel hoog!

S. S.

Ingezonden Stukken.

Geachtc Redactie!

Onze keukenmeiden hebben, buiten haar eigenschappen, die ieder zonder bezwaar goed kan noemen, de saaie gewoonte eiken brief, 't zij aan vrijer, familie, of iemand anders gericht, te beginnen met: >Hiermede vat ik de pen opc, omdat schrijven voor ze een buitengemeen lastig werkje is. Tot mijn leedwezen weet ook ik op dit oogenblik geen andere wijze van aanvang, want ik heb veel, tenminste velerlei, te zeggen, en — het meeste daarvan behelst critiek, door velen, jammer, voor 't makkelijkste werk: afbreken doen joden en sjouwerlui; bouwen »vernuftelingen c — Nu zal ik maar achtereenvolgens, zooals 't mij voor de aandacht komt, neerschrijven. In ons vorig nummer is gesproken over de beteekenis van ons orgaan, wat een student zich zoo al mag onderwinden te schrijven. M. i. moet het leven van onze studentenwereld zich niet in de eerste plaats uiten in een krant. Clubs en Corpsvergadering zijn aangewezen als de eerste en voornaamste plaatsen, waar onderling verkeer, direct en ongedwongen, ons onze krachten leert kennen en kweeken. De krant is voor onderwerpen, die goed moeten doorzien en aan de vergetelheid ontrukt worden. Bovendien, telt men het aantal der college-loopende studenten, van hen allen, zijn ze zoo bedreven in 't schrijven en rijk in denkbeelden als men wil, kan ons blad de inzendingen in zijn kolommen niet opnemen. De verschillende nummers vereenigd, zouden boekdeelen vormen, die ons archief