is toegevoegd aan je favorieten.

Nil desperandum Deo duce; orgaan van het Studenten-corps aan de Vrije Universiteit, jrg 1, 1902, no 1, 15-07-1902

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de een, »als hoogleeraar een onnatuurlijken dood gestorvens, wegens conflict met de Gereformeerde beginselen nu (geestigheid der geschiedenis 1) zitting neemt in een commissie tot herziening en wijziging van een art. der Geref. belijdenis, toch zeker overeenkomstig de Geref. beginselen 1

Maar gedane zaken nemen geen keer. En ook nu is nog wel. een man te vinden, zonder dat 't curatorium dien met een lantaarn behoeft te zoeken, geschikt en geneigd de jurid. fac. te versterken. Want gebeurt dat niet, dan verkwijnt ze. Dan zal (om dat te voorspellen is geen profetische gave noodig) de plotselinge en verblijdende rijzing van 't aantal juridische studenten niet blijvend zijn. Dan zullen ze toch niet vinden wat ze zoeken. De openbare Universiteit mijdend, uit vrees voor 't gif, daar in de spijzen vaak mee opgedischt, zouden ze hier van honger omkomen. En dan nog liever wat bedorven, giftig brood, waartegen een sterke constitutie misschien bestand is, dan geen brood.

Nog één woord ter voorkoming van misverstand. Prof. Fabius doet, bij veel ander werk, als professor nog meer dan menig collega. Van hem kan en mag niet meer gevraagd. Maar hij alleen kan het niet bolwerken. Hij moet verlangen naar iemand naast zich.

En laat dan dat afschrikwekkende prop. examen ook tot de geschiedenis gaan behooren. De toegang tot de universiteit worde niet daardoor belemmerd.

Een Universiteit is een licht.

En dat zet men niet onder de korenmaat 1

Een Jurist.

Welkom.

Het leven is onjnogelijk zonder idealen. De dood is het ideaallooze, het eeuwig vertwijfelen is de hel.

Het streven naar het ideaal is de stuwkracht van ons leven.

Daarom het ideaal ver en groot, grootsch en heerlijk. En ons leven zal rijk zijn en forsch, machtig en vol.

Het leven van den Christen is daarom zoo rijk en hij zoo'n groot en blijmoedig idealist, omdat hij het grootste en schitterendste ideaal zich stelde en weet zeker het te omhelzen.

Zijn ideaal is Christus de koning der onsterfelijke glorie, die het koninkrijk, dat sheerscht over alles < Zijnen Vader overgeeft, zoodat God alles is in allen.

En het eeuwig aanbiddend bezitten van dit hooge ideaal is het eeuwige leven, de gelukzaligheid

En rijk is het leven reeds hier. Want, in onze droeve maatschappij klinkt het paradoxaal, maar het paradoxale is het goddelijke ; want voor ons is het leven hier het werken aan de verwezenlijking van dit »God alles in allen». En zoo hebben wij »op alle terrein < ons ideaal het hoogst gesteld boven aller menschen ideaal en is ook onze levenskracht het weelderigst, immers de kracht des H. Geestes ons voortstuwend in gewijde energie.

Ik hoor een lach en ik zie een traan. Daar is weer het paradoxale.

Het verre ideaal brengt ook den grooten afstand aan het licht, waarop wij er nog van verwijderd zijn; het verhevene openbaart onze kleinheid; de kracht des Geestes vervult zich slechts in onze zwakheid. Het paradoxale der eeuwige blijdschap in het dal van aardsche ellende en weedom; »droevig zijnde, doch altijd blijdes.

Nooit het ideaal loslaten 1

Dat ware zelfmoord. Alles prijsgeven, opofferen, wegdoen, dat nooit. Het vasthouden met al onze kracht, het najagen met al onze energie: o deden wij het slechts meer. Zoo dikwijls ontglipt ons het ideaal omdat wij het niet genoeg omklemden in de omarming onzer liefde.

Als wij niet letten op het touw, dat ons verbindt met de sleepboot die ons beweging mededeelt, stranden we op het oeverzand.

Onze band met het ideaal eischt nagezien te worden.

Er heerschte malaise aan het einde van den vorigen cursus in onze studentenwereld.

Nu keert gij vernieuwd terug. Nu is het de tijd van het nieuwe betere begin. Laten wij er op letten, dat we niet plaats nemen in den verkeerden trein ; hij mocht eens niet stoppen als we er uit wilden. Het begin is van groot en ernstig belang.

Niet in de roes van het feesten ons verliezen en ons verheugen met eene doode musch, meenende dat nu, in die dagen van opgewonden vreugde het ware studentenleven en de echte studentengeest tot ons zijn wedergekeerd. De inzinking zou er te dieper om worden.

Een fuif kan toch de grond niet zijn, waarop uw studentenleven groeit en wast 1 Het klinkt mij als blasphemie, zoo iets hier te zeggen.

Wij studenten hebben als ideaal God te dienen in het leven waarvoor wij ons bereiden door onze studie.

Is ons dat waarheid ? Dan met vurige kracht op het ideaal aan gestreefd.

En dan vervloek ik allen die mijn ideaal belachen en nederhalen en door het slijk sleuren.

En dan slinger ik van mij allen, die als lood aan mijne

! vleugelen hangen, de vleugelen die mij opvoeren naar mijn zonnig I ideaal. Allen. En wie zijn dat ?

Die mij remmen met hunne praatjes, met hunne raadgevingen, hunne aanmerkingen over mijn vaart, over mijn loop, over mijne houding in de loopbaan.

Die mij den slechten raad geven al mijne kracht in eens te verspillen, zoodat ik aamechtig neer zou zijgen ver van het doel.

Die mij bedillen omdat ik de kunstmiddeltjes aanwend, die het leven mij biedt om beter te bereiken en te genieten mijn ideaal, al kost het wat tijd in het begin.

Die grommen en brommen, omdat ik niet als zij, met gebogen hoofd en moeizamen tred wensch voorwaarts te treden.

Die den luister van mijn ideaal omnevelen met de kleinzieligheid der menschen en de moeite der toestanden.

Die mij al te jolig zijn en mij voorstellen altijd maar weer rondedansjes te doen onderweg.

De eeuwige vossers en de eeuwige fuivers, de eeuwige kniezers en de eeuwige Jan-pleziers. Die nooit werken en die altijd werken, die nooit vin zich zien en die nooit vooruit zien, de college hengst en de hiaten-lijder.

Ik schud ze af. En toch zie ik eene groote groep nietwaar, die met ernst strevend naar het hooge ideaal alles, ook de vroolijkheid, ook den vrijen tijd aan het bei eiken ervan dienstbaar maakt. Wacht even, ik ga mee. En leve ons echte studentenleven in den nieuwen cursus.

Amici. De herfst geeft nieuwe vruchten ook aan onzen kring. Ha, ha, mijne novieten! Weest welkom. Jongens, kijkt uit je oogen, wat je studenten zijn en wat.... niet 1

Novieten zijn er in ons midden. Een nieuw jaar voor ons, het eerste voor hen. Met groote verwachtingen zijn ze hier gekomen ; met hooggespannen verwachtingen van ons leven ons rijke leven van Gereformeerde studenten. Ik weet, dat er zoo ook vroeger aan gekomen zijn en, ik schaam mij, zij zijn diep teleurgesteld. Dat schrijnt mij door de ziel. Laat het nu niet gebeuren. Wij willen trachten hunne stoutste verbeelding te overtreffen.

Als er onder hen zijn, die in zich bergen eene groote hoeveelheid latente streefkracht naar het ideaal, laten ze dan in onzen kring dit potentieele in volle actie kunnen omzetten, laten we hun geen rem zijn en geen doofpot, geen domper en geen dwangbuis, maar eene opwekking en een licht, eene hulp en eene banierdrager.

Ons aller wacht in het leven een zware taak. Voor alle dingen is noodig geloof en levenskracht. Laten we in elkaar die twee dooden en dooven, maar kweeken en sterken. Dan: Nos iungit amicitia. G.

Mislukt!

Mislukt is ze opnieuw, de poging om bijeen te brengen wat bijeenhoorde: de Theologische School en de theologische faculteit onzer Universiteit.

Toejuiching verdient de maatregel door onze redactie gevolgd, om tijdens de zaak aanhangig was, niet meer dan een historische vermelding in ons blad toe te laten, en voor alle critische beschouwing haar kolommen gesloten te houden. Mede aan dien maatregel schrijf ik de kalmte toe, die steeds bleef heerschen in onze studentenwereld, en die inderdaad gunstig afstak tegen" de opgewondenheid, die, naar we hoorden, in andere, niet dichter bij de zaak betrokken kringen, wel den boventoon voerde.

Maar nu de zaak dan beslist is, nu zou het onverschilligheid en laakbare laksheid zijn, te doen alsof dat alles geheel buiten onze belangstelling, buiien ons gemoed was omgegaan.

En dat is toch allerminst het geval I

Er is zelfs tweeërlei: we treuren en we zijn weer zoo jammerlijk gedésillusioneerd.

We betreuren den afloop. Ik kan wel zeggen : er is geen onzer die niet gaarne aan de nu reeds zoo lang hangende kwestie een einde had gezien èn om de onnutte krachtsverspilling door tweeërlei inrichting, èn om (ai mij, het tot een stembusleuze verlaagde, »den vrede der kerken.«

Mislukt! zoo zal het dan weer een paar jaar zijn tweeërlei opleiding met zijn ongelukkige nasleep van: deze van Paulus, gene van Apollos, waarbij het: »van Christus < dreigt op den achtergrond geschoven te worden.

Weer een roepen van: »het recht der kerken* ter eenre, van : »de vrijheid van de wetenschap* ter andre zijde, verwarde ondertonen, die door hun forsch geweld de melodie: > tot eer des Heeren« dreigen te overstemmen.

Maar betreuren we den afloop, we zijn ook gedésillusioneerd door de wijze waarop de zaken zijn geloopen en behandeld.

Ons idealisme, dat nog droomt van lijnen trekken, recht door zee, stoot zich zoo dikwijls het hoofd aan de harde realiteit: schipperen en laveeren is het leven.