is toegevoegd aan je favorieten.

Amsterdamsche kerkbode; officieel orgaan van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), jrg 7, 1893, no 323, 09-04-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Biadz. 4 Amsterdamsche Kerkbode.

«■//■/y///'#////'////////////'/AW/r//^///////#////##///////^«////////////////////"/'/"'"""'""""''

continueering van den Director en van den Penningmeester.

i. Do generale Synode heeft alzoo de besluiten beiderzijds aanvaard en door de onbeperkto volmacht aan hare leden door de Classen en Provinciën gegeven, is dus mandaat van al de ter Generale Synode vertegenwoordigde Kerken aan Deputaten tot de Zending, om:

1. Sn«l, vrij en krachtig te handelen.

2 De methode van de Zendingscommissie der Christolijko Gereformeerde Kerk te volgen ook inzake Midden-Java.

Deputaten moeten dus dr. Scheurer uitzenden, en mogen dit niet ander? doen dan voorheen genoemde Zendingscommissie zou hebben gedaan.

"Wat theoretische beschouwingen betreft over ambt, uitzending, macht van Deputaten, enz. willen Deputaten niet op de besluiten der e. k. Synode vooroitloopen.

Deputaten achten hiermede alle oorzaak van vrees, ergernis, wantrouwen of verslapping te hebben weggenomen, en vertrouwen dus, dat hun uitnoodiging aan de Kerken om, naar het verblijdend voorbeeld door sommige reeds gegeven, hun gebed en hun inzamelingen ton spoedigste en ten ernstigste te schenken voor de uitzending van den Zendeling-Arts der Gereformeerde Kerken in Nederland naar Midden-Java.

Geve de Heere, dat er een zaaien en een maaien in zegeningen zij, tot hoil van zielen en tot eere Zijns Naams!

Namens Deputaten:

M. van Minnen, Praeses.

F. Lion Cachet, Assesor.

L van der Talk, , g ^ J. H. Fei'inga, *

J. H Donner, Zendings-Director.

Voor het feit, dat broederen Deputaten eenig licht hebben pogen te ontsteken over de overwegingen, waardoor zij geleid worden in de zaak van Dr. Scheurer, zijn wij natuurlijk dankbaar.

Dat zij dachten daarbij alleen te doen te hebben met de bedenkingen van eenige bladen of personen, is, zoo wij ons niet vergissen, niet geheel juist, daar wij meenen dat althans enkele kerken officieel bezwaren in dienzelfden geest hebben geopperd.

Of zij evenwel geslaagd zijn in hun toeleg om alle ongerustheid weg te nemen, staat o. i. nog niet zoo vast, daar de hoofdpunten van bezwaar in dit stuk niet worden aangeroerd-

Wij laten daar, dat door hen een beroep gedaan wordt, niet cp wat door de Generale Synode vastgesteld is, maar op wat beiderzijds in de nog afzonderlijk vergaderde Synoden verhandeld werd. Op dat eerste komt het echter aan, en het andere kan alleen als toelichting daarvan dienen om de bedoeling en den zin der woorden toe te lichten.

Maar onvolledig is het stuk zeer zeker, daar er niets in voorkomt om de aanstelling te rechtvaardigen van een Zendeling-arts; waarover immers ook door de voormalige Christelijke Gereformeerde kerk nooit eenige instructie aan haar Deputaten werd verstrekt.

Zelfs blijkt nu nog niet eens, wat, naar der Deputaten meening, Dr. Scheurer zijn zal: een arts in den dienst der Zending, of een Zendeling die tevens ook geneeskundige hulp zal bewijzen.

Die onzekerheid heeft het meest de ongerustheid gaande gemaakt. Eene zekere onregelmatigheid in de manier van uitzending ware allicht later nog te herstellen; iets dergelijks zal wellicht toch nog moeten geschieden met betrekking tot hen, die door de

j Nederlandsche Gereformeerde Zendingsveree- \ \ niging werden uitgezonden.

ï Maar hier gaat het om geheel iets anders; i ; om eene vraag die de geheele positie van Dr. ! 5 Scheurer beheerscht; wordt hij Dienaar des j $ Woords, men zende naar den regel daarvoor i j gesteld; wordt hij Arts, men onderwerpe eerst ! 5 aan de Kerken de vraag, of zij zich gerech- j $ tigd mogen achten tot zulk een stap. Ook i j voor Dr. Scheurer hangt daaraan zooveel. S ^ Voor dezen broeder zelf is het toch van belang, ; $ dat hij duidelijk zijn positie geteekend zie; ! ^ en wete wat hij nu eigenlijk is naar de schat- $ 5 ting der kerken, en welk velband er tusschen $ ! hem en die kerken bestaat. ;

y S

^ Voorts zij de vraag geoorloofd, of het goed ^ J is om onder de benaming van theoretische \ ^ beschouwingen op zij te schuiven, wat te i | berde gebracht is aangaande ambt, uitzending, ^ $ macht van deputaten enz ;

! 't Is mogelijk dat wij ons vergissen, maar ) J in die aanduiding schemert o. i. iets door, \ S alsof die vragen als van minder gewicht wor- $ ! den beschouwd, en wèl goed voor bespreking ! J in een kransje, waar men zich met redeneeren ! ^ bezig houdt, maar niet voor mannen, bij wie $ ! het op handelen aankomt.

j Dat mag toch niet, waar het vragen geldt, $ i die niet, als zaken van orde alleen, op ver- $ J schillende wijzen misschien beantwoord kun- : J nen worden, zonder dat daardoor eenigen $ S grondregel geweld wordt aangedaan; maar S | de vragen hierbij ter sprake gebracht, raken ; j de grondslagen van ons kerkelijk leven, gelijk 5 j die in de Schrift zijn aangegeven.

! Daarom betreuren wij dit, wijl ook wij het 5 ! wenschelijk achten, dat niets de geestdrift $ i d oove in eene zaak zoo heilig en heerlijk als $ ! de zending; en dat misverstand hierin gee- 5 ! nerlei verdeeldheid en] verkeerdheid opko- $ | men doe. $

Op de begrooting van de Kerkelijke Kas \ is dan voor het loopende jaar het tekort ge- ; raamd moeten worden op ruim f 8000.

Een ieder zie dat cijfer wel onder de oogen $ en geve zich rekenschap van een toestand $ ais ons daardoor wordt geteekend. Het on- $ rustbarende er van moet een ieder in het $ oog vallen ; juist wijl, naar hetgene wij de $ vorige maal herinnerden, alles'besnoeid is wat ! daarvoor vatbaar was ; alleen het broodnoodige $ bleef. $

Be Kerkelijke Kas heeft een goed werk 5 gedaan, door de gemeente met nadruk voor $ te houden, waar eigenlijk de oorzaak schuilt J van dezen ongezonden toestand.

Daartoe heeft zij in den brief, waaruit al $ deze mededeelingen genomen zijn, een over- J zicht gegeven, van wat aan vaste inschrijvingen 5 door de gemeente wordt bijeengebracht-.

Op die inschrijvingen toch komt het voor- ^ namelijk aan; daarin is als 't ware het been- 5 dergestel van het geheel der ontvangsten. i

Aanstonds in 1887 was het bedrag daarvan £ zeer hoog, ruim veertig duizend gulden; dat $ dit dalen zou was toen reeds te begrijpen, ; aangezien menigeen zichzelven misschien | een zwaarder bedrag heeft opgelegd, dan 5 waartoe hij in staat was; dus was het $ niet zoo verontrustend, dat het in 1888 tot 5 tusschen de vijf en zesendertig duizend daalde. ^

Zelfs kon het nog verstaan, dat in 1889 een nieuwe daling kwam tot ruim tweeendertig duizend, aangezien allerlei andere behoeften zich meer en meer openbaarden, waarvoor uit dezelfde buidels het noodige moest worden verschaft.

Doch dan had het daarbij ook moeten blijven ; meer terugnemen van het bedrag voor den kerkedienst bestemd mocht niet, wijl men daardoor den kerkedienst zelf het noodige dreigde te ontnemen, en alzoo de zorge te onthouden aan den stam, waardoor de uitspruitsels moeten worden in 't leven gehouden en gevoed.

En toch is dat niet geschied, daar het bedrag in 1890 daalde tot eenendertig duizend, in 1891 tot ruim negenentwintig duizend en in 1892 tot ongeveer achtentwintig duizend gulden.

Dat er door vertrek en overlijden wijzigingen in de cijfers der inschrijvingen voorkomen, is natuurlijk. Maar daar staat dan toch tegenover, dat anderen weêr herwaarts komen; en vooral, dat gedurig uit de Kerk zelve de plaatsvervangers voor de wegvallenden opkomen.

Wel kunnen onder dezen er sommigen zijn, die niet over veel geld te beschikken hebben; maar dat kan toch niet de eenige reden zijn, waarom op de lijst der contribuanten niet eens de helft der ten Avondmaal toegelaten broeders en zusters voorkomt.

Toch staan op die lijst maar 2944, niet eens drie duizend namen; het moesten er wel tweemaal zooveel zijn, indien niemand achterbleef van allen, wien de Heere de mogelijkheid daartoe ontsloot en daardoor de roeping oplegde.

Hun bijdragen zonden dan misschien wel niet zoo groot zijn, doch dat behoeft ook niet; van wie slechts over kleine inkomsten te beschikken heeft, mag geen groot bedrag worden verwacht; maar door esne wekelijksche bijdrage van 5 of 10 ets. geeft men toeh ook zijn één of twee rijksdaalders per jaar; daarop rekenende worden vele dergelijke contributies dan ook wekelijks opgehaald.

Ongeveer dertien honderd leden hebben 4 zich op die wijs reeds'verbonden: 569 voor eene bijdrage tot en met f 3 en 798 voor eene boven f 3 tot en met f 5.

Kuim dertien honderd leden dragen tusschen de ƒ 5 en ƒ 20 bij: 978 boven ƒ 5 tot en met /' 10 en 399 boven ƒ 10 tot en met f 20.

De overige twee honderd contribuanten verbonden zich voor - f 20 en meer: 127 tusschen f 20 en f 30; 16 tusschen ƒ 30 en f 40; 27 tusschen f 40 en ƒ 50; 7 tusschen /' 50 j en f 75; 14 tusschen f 75 en ƒ 100; terwijl 9 meer dan f 100 bijdragen.

Of hierbij geen wijzigingen mogelijk zijn; of allen naar de maat van hun vermogen bijdragen, blijve aan een ieder ter beoordeeling over. Naast wie boven 't vermogen geven — en die ontbreken niet, — staan allicht anderen, die beneden hun vermogen blijven.

Het bedrag van de inkomst van ééne week of van 2 pGt. van het inkomen van een jaar is steeds als maatstaf aanbevolen; het kan zeker wel niet te hoog worden geacht voor