is toegevoegd aan je favorieten.

Amsterdamsche kerkbode; officieel orgaan van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), jrg 7, 1893, no 325, 23-04-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van eene degelijke opleiding te hebben getrokken, dan aanvankelijk gedacht werd. En omgekeerd kweeken die soort theologische scholen, waar praetische vorming hoofdzaak is, wel Dienaren, die allerlei Christelijken arbeid ter hand nemen; maar zij boezemen hun [geen liefde in voor de theologie, en laten het zelfstandig denken onontwikkeld. Het voorbeeld van Engeland, Schotland, Amerika, waar de meeste predikanten in zulk een practischeil geest worden opgeleid,-leert, hoe de waarheid er slechts oppervlakkig gekend wordt en de dwaling er gemakkelijk ingang vindt. De prediking verarmt er door, is volstrekt geen prediking van het Woord, maar eene aangename en stichtelijke toespraak, en de gemeente wordt er niet door opgebouwd in de genade en kennis van haren Heere en Zaligmaker.

De Gereformeerde kerken hebben dit stelsel, hoewel het bekend was en bestond, dan ook te allen tijde met bewustheid en beslistheid bestieden. En zij hebben door hare wetenschappelijke inrichtingen, hetzij deze dan een meer seminaristisch of universitair karakter droegen, een stel predikanten gekweekt, die in den strijd tegen allerlei opkomende dwalingen en ketterijen volkomen voor hun taak berekend bleken en de gemeente hebben opgebouwd en bevestigd, in haar allerheiligst geloof. Op dit voetspoor hebben dan ook onze Gereformeerde kerken ten vorigen jare verklaard, dat het bezitten'van eene eigen Inrichting in niets tekort mocht doen, „aan den eisch van wetenschappelijke ontwikkeling

Eindelijk sluit eene wetenschappelijke opleiding voor de Dienaren des Woords niet uit, dat mannen, die op lateren leeftijd oprechten lust ontvangen om den Heere in zijn Evangelie te dienen, op eene andere wijze en langs een anderen weg tot het ambt komen. Wie dit ontkent, miskent liet beginsel van vrije studie, en vergeet bovendien, dat voor dezulken in de Gereformeerde Kerken altijd de weg over art. 8 der D. K. O., en die van opleiding bij een predikant, openstond. Maar hun getal, dat niet hooger dan op een twee- of drietal per jaar te schatten is, blijft althans in den gewonen, normalen toestand der kerken veel te klein, om daarvoor eene afzonderlijke inrichting in stand te houden. Hovendien zou zulk eene aparte opleidingsschool het ernstig gevaar meebrengen, dat zij juist door haar afzonderlijk bestaan tal van mannen opwekte, en lokte naar het ambt. die daarvoor noch roeping noch gave ontvangen hadden.

Maar niet alleen is het licht, de bewijzen te ontzenuwen, die voor het behoud en het nut van eene tweeërlei opleiding aangevoerd worden. Er kleven aan dit stelsel nog andere bezwaren en gevaren, die het geheel onaannemelijk maken.

Het grootste bezwaar bestaat wel daarin, dat er aan de beide scholen en alzoo ook in de kerken een tweeërlei theologische richting opkomt en bestendigd wordt, waardoor de eenheid der gemeente wordt geschaad en de liefde en vrede wordt geweerd. Verscheidenheid van inzicht is goed; eenvormigheid is ook in de kerk en de theologie geen rijkdom maar armoede; maar verschil van richting werkt schadelijk in de kerk van Christus. Gemeenten en predikanten worden er door in partijen verdeeld. In plaats van samen te arbeiden aan één werk: de uitbreiding van het Koninkrijk der hemelen, gaan ze tegenover elkander staan, raken onderling aan het disputeeren en theologiseeren, en verteren elkanders kraeht. Zeer licht kruipt op die wijze de dwaling en ketterij in Jezus' gemeente in. Onwillekeurig toch zal de ééne school eene vrijere, de andere eene strengere richting gaan vertegenwoordigen. En zooals de geschiedenis leert, en nog onlangs de droeve uitkomsten aan de theologische, let wel, kerkelijke scholen in Zwitserland en Schotland getoond hebben, zal de vrijere richting dan altijd de jeugdiger krachten tot zich trekken, die straks in de gemeente tegen de meer behoudende richting positie gaan nemen, en verzwakking van het geloof voorbereiden. Maar ook, indien dit gevaar niet aanstonds zich mocht voordoen, komt er toch tusschen de beide scholen weldra eene onaangename en verderfelijke concurrentie. De zucht om de meerdere te zijn

1

'***************************************************************.

\ of ook het grootst aantal discipelen te lokken, ^ komt, in strijd met de eischen van gehalte en ^ degelijkheid. De ééne school wordt die van de ^ mingegoeden, van de gevorderden in leeftijd, van 5 de zwakkeren in aanleg; terwijl de andere school ^ haar eere gaat stellen in haai' hoogere eischen J en meerdere degelijkheid. En ook iangs dezen J weg wordt het verschil in de gemeente inge^ dragen, en deze zelve verdeeld, straks verscheurd. 5 Maar een dubbele opleiding splitst ook en verJ snippert de kracht. Dit geldt zoowel intellectueel ^ als financieel. En in beiderlei opzicht zijp de 5 Gereformeerde kerken niet zoo rijk, dat zij zich de 5 weelde van een tweetal scholen mogen en kunnen J veroorloven. De kosten, die eene school voor de J opleiding van predikanten, niet enkel om haar 5 in te richten, maar om ze, gelijk het behoort, 5 in stand te houden, na zich sleept, zijn niet ge^ ring. Er is jaarlijks voor elke school nu reeds ^ het vierde van eene tonne gouds noodig. En als 5 men dan bedenkt, dat de Gereformeerde kerken 5 over het algemeen niet rijk zijn; bedenkt dat er ^ nog zooveel is te doen; en dat scholen en slich^ tingen van allerlei aard onze hulp en onder5 steuning vragen; zou het dan toch niet onver5 antwoordelijk zijn, om gansch onnoodig en alleen J ter wille van een lievelingsdenkbeeld, meer dan J de dubbele kosten te maken, en jaarlijks een 5 50.000 gulden uit te geven, waar men met een 5 25.000 kon volstaan? En evenzoo staat het onder ^ de Gereformeerden met de wetenschappelijke J krachten. Ze hebben alle beschikbare krachten 5 noodig, om op theologisch terrein eenigermate 5 aan hunne roeping te beantwoorden. Ze zijn ^ niet rijk genoeg, om op den duur ook weten| schappelijk een tweetal scholen en een dubbel ! stel van hoogleeraren er op na te houden, die ; precies hetzelfde werk verrichten. Ook hier j kunnen dus de krachten en gaven beter besteed j en voor andere, even dringende, werkzaamheden j aangewend worden.

5 Alleen dan — wij stemmen het toe — zou | een tweetal inrichtingen gewenscht zijn, indien het ! getal studenten straks in de vier-, vijfhonderd ! liep. Maar ook dat is niet het geval. Thans > tellen beide scholen samen niet meer dan een ! 130 theologische studenten. En dit getnl is niet ! alleen met het oog op de behoeften der kerken | geheel voldoende, maar juist dit totaal is ook j noodig, om de studenten onder elkander die vor| ming te doen vinden, welke in dezelfde mate ! lot hunne ontwikkeling bijdraagt als het onder! wijs der Hoogleeraren en het verkeer in de | school. Alleen onder een dergelijk aantal vinden | de studenten de noodige wrijving van gedachten, I eene genoegzame keuze voor den omgang, en ! eene voldoande gelegenheid om zich veelzijdig te j ontwikkelen. En terwijl twee inrichtingen zich I jarenlang behelpen moeten, en aan hulpmiddelen ' voor studie (bibliotheken) gebrek lijden, kan dit ! alles aan ééne inrichting van stonde aan in een S beteren toestand worden gebracht.

I Eindelijk geldt tegen de bestendiging van eene ! tweeërlei opleiding ook nog dit bezwaar, dat zij ! weibezien geheel in strijd is met het beginsel en | het doel van de vereeniging, welke de GereforI meerde kerken in 1892 gesloten hebben. Beginsel I toch was de eenheid des geloofs en der belij; denis. En doel was niet uitwendige samenvoe\ ging, maar innerlijke, geestelijke ineensmelting. ! Eene tweeërlei opleiding nu werkt dit doel zoo ! krachtig mogelijk tegen; zij bestendigt de twee; heid, doet de verschillende herkomst en geschie| denis der kerken voortleven, en verhindert de I volle, hartelijke samensmelting.

Om alle deze redenen is er niet wel twijfel | mogelijk, of gedeeldheid van opleiding moet ten | hoogste schadelijk en gevaarlijk worden gekeurd. | Er rest slechts één conclusie: Eenheid van op! leiding is in ieder opzicht gewenscht en noodzai kelijk.

\ II. Hoedanig behoort die opleiding te zij ii ï

Indien nu de opleiding voor de Dienaren des ! Woords in de Gereformeerde kerken in den regel I één en eenerlei behoort te wezen, dan komt in ; de tweede plaats de vraag aan de orde: Welke | en hoedanig moet deze dan zijn? Nog moeilijker

r************************************************************

en ernstiger dan de eerste, is deze tweede vraaj Ze hangt met de diepste beginselen saam, en i niet dan uit die beginselen zelve te beantwoorder

Tweeërlei belangen zijn bij dit ingewikkeld vraagstuk betrokken: die van de Kerk en va; de Wetenschap. En alleen een eerlijke en trouw behartiging van beider belangen kan ons eei juist en duidelijk antwoord aan de hand doen. j

De belangen der kerk zijn bij deze vraag ge moeid in dubbelen zin. In de eerste plaats hang de welstand en bloei der kerk middellijkerwijz af van de Dienaren die haar leiden, en dus vai de school waar deze gevormd zijn. De genieent heeft Godvruchtige en degelijke mannen val noode, onberispelijk, wakker, bekwaam om t leeren. Aan de opleiding dezer Dienaren is du den kerken zeer veel gelegen. Haar eigen wel stand, de bediening dés Woords, de zorg de zielen, de uitbreiding van Gods rijk en de eer van Zijnen Naam hangen met deze opleiding tei nauwste samen Ook heeft de kerk bij de school waar de Godgeleerdheid beoefend wordt en har Dienaren gevormd worden, nog een ander belang De theologie is namelijk eene heilige wetenschap Zij ontleent haar beginsel, voorwerp en doel nie aan de natuur, maar aan de genade; ze komt in haar tegenwoordigen vorm, niet uit het ge vallen creatuur, maar uit de herschepping voor. Haar beginsel is de Heilige Schrift, het Woon onzes Gods. Die Schrift nu is niet uilsluitend maar dan toch in de eerste plaats aan de ge meente van Christus gegeven. Haar zijn d< Woorden Gods toebetrouwd. Zij is de pilaar ei vastigheid der waarheid. Zij is door den Gees des Heeren geroepen en bekwaam, om dat Woon Gods te bewaren en te prediken; geestelijk ui te leggen en te belijden; te handhaven en ti verdedigen. Zij heeft het Goddelijk jus docendi, he rechl en den plicht om te leeren, om de ge dachten Gods te stellen tegenover de wijsheid dei wereld, en ook als profetesse van den Naair des Heeren te getuigen. Het beginsel, door d< vereenigde kerken aanvaard, is dus in dezen zii eer te eng dan te ruim. Er is voor de kerk een< inrichting noodig, daargelaten nu hoe die ontsta ten eerste ter opleiding harer Dienaren, en ten tweede ter vervulling harer profetische roeping Meer echter volgt uit het beginsel der kerk, als instituut, dan ook niet. Indien er alzoo van elders geen andere belangen in het spel kwamen, zou de kerk als zoodanig met eene theologische school desnoods kunnen volstaan; ze zou reeds hierdoor in staat zijn gesteld, om als ecclesia instituta, ten volle aan hare roeping te beantwoorden. Uit de kerken, als eclesiae institutae, d.i. als zichtbaar geïnstitueerd, kan toch nooit de noodzakelijkheid worden afgeleid, dat de theologie ook in den meet eigenlijken zin als wetenschap onder de weteja schappen optrede, en als een eigen faculteit in den kring der universitaire wetenschappen hare plaats inneme. Uit de niet slechts zichtbare, maar ook geïnstitueerde, kerk laat zich niet anders en niets meer afleiden, dan dat er eene theologische school beschikbaar moet -zijn, die gelegenheid biede voor de opleiding van hare leeraren, en voor het vervullen van die profetische roeping, die onze geloofsbelijdenis in het ambt der Doctoren op het oog had.

Maar indien we verder tot den wortel der beginselen teruggaan, treedt de theologie nog met heel andere eischen op dan de kerk, vermits ze ook in verband komt te staan met het geheel onzer menschelijke kennis.

Want wel is de Godgeleerdheid eene bijzondere, eene heilige wetenschap, als in beginsel, voorwerp en doel van de andere wetenschappen onderscheiden. Maar beide hebben ze toch haar laatsten grond en hare diepste eenheid in God en in Zijne Souvereiniteit. God is de Schepper van beide terreinen, van natuur en genade. Uit Hem zijn alle wetenschappen. En samen hebben ze ook één doel: de eere van Zijn Naam. Ze hebben alle tezamen, ofschoon elk op eigen wijze, de gedachten Gods op te sporen en te vertolken, die Hij in natuur en Schrift neergelegd heeft.

Voorts is de Heilige Schrift wel allereerst het beginsel der theologie, en ter bewaring, prediking en verdediging aan de kerk toebetrouwd. Maai