is toegevoegd aan je favorieten.

Amsterdamsche kerkbode; officieel orgaan van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), jrg 7, 1893, no 333, 18-06-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sloterdijk en Halfweg maakton elk een grensregeling. Wijl de Kerk van Halfweg tot een andere Classe behoort, zullen beide concepten gebracht worden in de Particuliere 8yncde.

De Pracses sluit te 6)^ uur met dankzegging de vergadering.

Amsterdam, 18 Juni 1893.

Binnen korten tijd is nu voor de derde maal eene ledige plaats gemaakt in de rij der Ouderlingen.

Onze broeder Pieter de Bruijne, overleed 11. Zondag na eene langdurige ongesteldheid.

Met dezen broeder valt weêr een der broederen weg, die door Gods genade in 1886 meê mocht arbeiden aan de vrijmaking deiKerk van het juk der hierarchie.

Dit alleen ware reeds voldoende om zijns met dank aan den Heere te gedenken; maar daar benevens mag ook herdacht veel stillen, trouwen arbeid in den dienst der Kerk.

Trooste de Heere de bedroefde familie!

Het rapport over de opleiding van de Dienaren des Woords heeft heel wat stof reeds doen opwaaien.

Onbegrijpelijk is de heftigheid, waarmede aanstonds van zekere zijde de aanval tegen zijn inhoud is ondernomen.

Of de bewoordingen daarbij gebezigd en de veronderstellingen daarbij geuit steeds den toets der Christelijke eischen hebben kunnen doorstaan, laten wij liefst aan de beoordeeling van anderen over.

Gelukkig was daar aan den anderen kant genoegzame beheerscbing van zichzelven om niet in een repliek in denzelfden toon te vervallen.

Zachtkens aan komt, en zal ook in breeder kringen meer en meer komen, onbevangenheid van oordeel en eenheid van zin.

Met groote woorden kan wel een indruk gewekt en zelfs een tijd lang bestendigd, maar om eene duurzame vrucht te kweeken is noodig deugdelijkheid van redeneering en kracht van bewijs.

Daar is tijd voor noodig; maar wij verwachten, dat dan ook zal blijken de holheid van menig groot woord, dat gehoord is ; en met name hoe ongegrond de aanklacht is, dat de deputaten voor deze zaak zijn gegaan buiten den kring hunner bevoegdheid.

Die bevoegdheid toch wordt alleen bepaald door het mandaat, dat de Generale Synode van 1892 aan deze deputaten gaf.

Welnu, tot op dezen oogenblik is men er nog niet in geslaagd uit de bewoordingen van dat mandaat en uit de overleggingen waarvan het de vrucht was, de gegrondheid van zulk beweren te bewijzen.

Wèl zijn pogingen daartoe aangewend; breed is de reeks van allerlei citaten uit Acta van Synoden, die in weekblad en brochure wordt uitgestald: maar toch mag geconstateerd, dat de poging niet is geslaagd.

De bijlagen bij het rapport gevoegd, als voorbeeld van de wijze, waarop de daarin uitgesproken denkbeelden kunnen worden uitgevoerd, spreken in dit opzicht dan ook zoo duidelijk.

r/#///#////#//#/#//'////MWV!*********** *************************

5 Zelfs vraagt men met verbazing, welken bril $ I de broederen dan toch mogen hebben opgezet J >1 om te lezen, wat zij beweren daarin gevonden 5 ; te hebben. !

5 Dat bedenkingen zouden geopperd over de 5 ^ mogelijkheid van Kampen als plaats van $ 5 vestiging der school te verlaten om allerlei ; ; voordeelen, die men aan die plaats verbonden ! i acht; dat men niet reeds nu eene beslissing $ | als de voorgeslagene wenschelijk zou keuren; J $ en dergelijke dingen meer; dat was wel 5 ^ eenigszins te denken.

$ Maar niemand kon verwachten, dat men 5 ! zeggen zou: er is met zulk een voorslag ! J geen eigene inrichting der kerken meer; ; 5 want daarop komt de aanklacht neder, i Geen eigen inrichting ; en dat, waar naar 5 $ bijlage A al de hoogleeraren der Theologische $ $ school staan onder de Generale Synode, die j $ ze aanstelt, schorst of ontslaat.

$ Geen eigen inrichting; en dat terwijl zij 5 ; heeft een eigen groep hoogleeraren, die ook wel 5 ! mee lessen geven in dienst van eene andere > | stichting, maar toch de hoogleeraren zijn ; | door de kerken bepaald voor hare eigene 5 ^ school aangewezen. $

j Geen eigen inrichting; hoe is toch moge- 5 | lijk, dat men dat beweert en elkander na- ; i spreekt, terwijl toch door duizenden gelezen 5 j is kunnen worden wat in het Concept staat! > $ Eer hadden wij kunnen verstaan, dat onder ; ! de liefhebbers der universitaire opleiding der- ! ! gelijke bedenking ware gerezen, daar volgens ; $ het Concept het recht van beslissing over de j I schorsing en het ontslag van de hoogleeraren, ! ! ook voor zoover zij verbonden zijn aan de Vrije j i Universiteit, ten laatste berust bij de Gene- ! $ rale Synode der Gereformeerde Kerken. 5 't, Bleef zelfs nog eene open vraag, of de ; $ voorgeslagen plannen van dien kant wel op ! i zoo volledige instemming hadden mogen ! ! rekenen; van die zijde heeft men echter tot ; $ dusver wijselijk zich daarover nog maar niet ! 5 uitgelaten. :

? Wat men ook tegen het rapport inbrenge, j | dat mag men er niet tegen inbrengen. I Die beschuldiging diende eigenlijk terug- : ; genomen te worden door de broederen, die j ; haar hebben uitgesproken.

5 Dan ware misschien nog eenigermate goed j $ te maken, wat nu schijnt bedorven te zijn ; j 5 immers is er wantrouwen gezaaid aangaande ; 5 elkanders oprechtheid en eerlijkheid en goede \ | trouw.

$ Daardoor heeft men scheuren gereten, waar ; 5 aanvankelijk eenige verbinding scheen ge5 komen te zijn.

$ Men is de kerken weer gaan verdeelen in $ de twee groepen, die er vóór 1892 waren ; \ ! men heeft ze tegenover elkander geplaatst, ^ alsof ze eigenlijk elk een eigen onderscheiden 5 leven hadden en voor een eigen lievelingsS zaakje het harnas hadden aan te gorden. | Wij zijn één in belijdenis en kerkenorde; 5 naar dien eisch hebben wij te leven; en on5 geoorloofd is het ook maar laten doorschemeren | der gedachte, alsof wij dat samenleven maar $ weêr eens zouden kunnen eindigen.

J Tot ons leedwezen deinsde men daarvoor 5 zelfs niet terug.

$ Niemands willekeur bracht ons bijéén,

1 maar het bevel des Heeren; die herinnering ;

2

verzwakke niet; eer worde alles met zorge gemeden wat tot verslapping van dat besef zou kunnen leiden.

VAN SCHELVEN.

L)e Gereformeerde Kerken in Nederland.

Tweetal: te

Mijdrecht, J. Koning, te Leiderdorp en W. Verhoef, te Baambrugge, candidaten aan de Vrije Universiteit.

Beroepen: te

Mijdrecht, J. Koning te Leiderdorp, Cand. aan do Vrije Universiteit.

Putten op de Veluwe, H. Kuik, te Stcouwijk A. -

Leeuwarden, A, A. v. d. Sluys, te EnkhuizeD.

Landsmeer, W. de Jonge, te De Lier.

Langerak, G. Dalhuijsen te Heinkenszand.

Aangenomen: naar

Putten A, door H. Kuik, te Steenwijk.

Scheernda, D. Vrieling te Appelscha.

Bedankt: voor

Leiden A, P. Biesterveld, te Rotterdam A. —

iSieuwdorp, (gem. 's Heer-Arendskerke), F. Moet, te Opperdoes.

Meliskerke, L. van Dellen, te Nieuwe Pekel-A.

Asperen, J. van Haeringen, te Werkendam.

Bodegraven, J. Breukelaar, te Nijmegen.

Sondel en Oude-Mirdum, J. J. Steinliart, te Knijpe.

VOOR KINDEREN.

Psalm XCI.

Toen Rusland in 1812 door den inval der Franschen bedreigd werd, was iedereen bevreesd, behalve vorst Galitzin. Zijne vrienden waren meer dan verwonderd, want men wist zijne trouw aan het land was toch beproefd en sterk

In die omstandigheden dacht do vorst, dat h :t zijne plicht was, den keizer de oorzaak aan te wijzen, waardoor hij zelf zoo gerust bleef. Hij verzocht om een onderhoud, hetwelk hem toegestaan werd. Het aanrukken van den vijand was natuurlijk het eerste onderwerp van het gesprek ; daarop, als daarmede in nauw verband staande, de gedachte en het plan van vorst Galitzin. De keizer vroeg hem, hoe hij te midden van den algemeenen angst zoo rustig en bedaard bleef. De vorst haalde nu een Bijbeltje uit den zak en hield het den keizer voor. Terwijl dezo het wilde aannemen, viel het op den grond en bleef bij Psalm 91 openliggen.

„Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen, Ik zal tot den Heere zeggen: Mijno toevlucht en mijn Burg, mijn God, op welken ik vertrouw !"

O dat uwe Majesteit dit toevluchtsoord mocht zoeken!" zeide de prins, nadat hij de woorden van den psalm gelezen had.

Daarna scheidden zij van elkander.

Er werd nu een algemeene bededag uitgeschreven. De geestelijke, die voor den keizer zou preeken, nam den 91sten psalm tot tekst. De keizer hierdoor getroffen, vroeg aan prins Galitzin of hij het voorval, dat bij hun laatst onderhoud had plaats gevonden, aan den prediker medegedeeld had. Nu verzekerde de vorst hem, dat hij niemand er iets van verteld had

Korten tijd daarna, terwijl de keizer eenige vrije oogenblikken had en behoefte aan versterking gevoelde, liet hij zijn kapelaan ontbieden, opdat deze hem iets uit den Bijbel zou voorlezon.

Hij kwam en begon den 91sten Psalm te lezen. „Wacht even", viel de keizer hem in de rede, "wie heeft u gezegd dezen te lezen ?"

God", autwoordde de kapelaan.

^Wat bedoelt gij ?" zeide Alexander. De kapelaan vervolgde: