is toegevoegd aan je favorieten.

Amsterdamsche kerkbode; officieel orgaan van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), jrg 8, 1894, no 375, 08-04-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bladz.

eenigen invloed naar buiten en eindigen in het moeras van de secte.

Daarvoor beware ons de Heere !

VAN SCHELVEN.

Naar behoefte. II.

Moet, wanneer de diakonie reeds in den bestaanden nood te kort scliiet, desniettegenstaande de verantwoordelijkheid voor het lot van nog meer behoeftigen worden aanvaard, terwijl men weet dat het deel van vele armen daardoor zal worden verminderd ?

Deze vraag hadden wij gesteld, en wij toonden in ons vorig artikel aan dat een diakonie, die op dien grond de verzorging van nog meer armen niet op zich neemt, van onbarmhartigheid niet kan beschuldigd worden, en dat daartegen niet baat een beroep op de woorden van Jacobus, waarin hij hot doode geloof vergelijkt met een liefde naar den vorm schoon en voorkomend, maar in haar wezen dood omdat zij zonder werken is.

Toch beweren wij niet dat de aangehaalde tekst (Jac. 2 : 15, 16) ten aanzien van het gemeentelijke werk der barmhartigheid niets tot ons te zeggen zou hebben.

Ten eerste wat de diakonie betreft.

In sommige diakoniën toch bestaat het verderfelijk stelsel van het zoogenaamde „potjes maken". Men heeft verleerd te bouwen op een God, naar wiens "Woord het meel van de kruik niet werd verteerd en de olie van de flesch niet ontbrak (1 Kon. 17). Men is gaan zorgen voor den dag van morgen, in plaats van te denken aan het woord van onzen Verlosser: „Indien nu God het gras des velds, dat heden is en morgen in den oven geworpen wordt, alz'o bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleeden, gij kleingeloovigen ?" (Matth. 6 : 30)

Yan daar dat men in diakonale reglementen soms de bepaling vindt dat gelegateerde kapitalen boven een zeker, soms zeer gering, bedrag niet aan de armen mogen worden uitgedeeld, maar moeten worden belegd, zoodat alleen de rente mag gebruikt worden tot leniging der nooden; en toch had Gods Woord gesproken: „Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige: want Hij heeft gezegd : Ik zal u niet begeven, en ik zal u niet verlaten." (Hebr. 13:5)

Maar riet alleen tegen verkeerde diakonale praktijken ligt in het woord van Jacobus een waarschuwing verscholen. Het staat niet zoo, dat, wanneer de gemeente kan zeggen: „onze diakonie plaatst geen legaten op het groothoek, en deelt uit naarmate dat er inkomt," de gemeente daarmee steeds vrij uitgaat. Neen, het „gaat heen en wordt warm", vermaant ook iederen broeder en iedere zuster afzonderlijk, maar spreekt bovendien nog tot de gemeente in haar geheel.

Zoo kan bijv een afkeurenswaardige toestand van onverschilligheid in de gemeente oorzaak zijn dat de diakonie uitgaven moet doen die hij meerder leven in de gemeente hadden uitgespaard kunnen worden, waardoor het vrijgekomen geld zou kunnen besteed worden voor chaar die waarlijk weduwen zijn," of, in het algemeen, voor hen die in waarheid van alle hulp verstoken zijn

~Wg doelen hiermee in de eerste plaats op het in vele gevallen ontbreken van de noodige liefde tot hen, met wie de Heer ons in nauwere betrekking geplaatst heeft. Voor dezulken moet buiten de diakonie om gezorgd worden, en tegen hem die moedwillig of uit onverschilligheid de zorg voor die behoeftigen op anderer schouders laat rusten, roept Paulus waarschuwend uit: „die heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongeloovigo." Door zulk verzuim wordt „de gemeente bezwaard," en de Heere Christus, het Hoofd zijner gemeente, wist dat zij reeds genoeg te zorgen zou hebben voor wie geheel alleen in de wereld zouden staan.

Maar in de tweede plaats hebben wij het oog op de belangrijke uitgaven die de verpleging van weezen van de diakonie vordert, en waarop met een weinig meer krachtsinspanning veel zou kunnen worden uitgespaard, wanneer nl. ieder in

!j zijn eigen kring bereid gevonden werd, desgevraagd

; ae zorg van een ouaerioos Kinu op zien te nemen 5 in plaats van het naar de Diakonie te laten ^ gaan. Ditzelfde zou men kunnen opmerken met 5 betrekking tot de verzorging der „ouden van 5 dagen." Doch wij stippen dit alles slechts in 5 het voorbygaan aan, ons voorbehoudende hierop 5 later, zoo de Heere wil en wij leven, ter gele5 ner tijd uitvoeriger terug te komen.

5 Wij wenschten thans alleen, deze dingen te i plaatsen onder het licht van Jac. 2 : 15 en 16, t en te vragen: zou het kunnen zijn, dat ook onze 5 gemeente, — misschien voor een deel omdat al deze ^ dingen niet werden doorgedacht, voor een deel ^ omdat zij tot nu toe nog te zeer door andere ^ zorgen werd in beslag genomen, — het te veel op 5 de diakonie laat „aankomen", dat zij daardoor de $ diakonie zonder volstrekte noodzakelijkheid 5 dwingt om aan verarmde broeders of zusters ge5 vraagde ondersteuning te weigeren, terwijl bij 5 iets meerder leven, iets warmer liefde bij sommi5 gen of velen voor nog meerdere verarmde mede^ broeders of zusters spijs tot verzadiging en 5 kleeding tot verwarming zou te vinden zijn'? 5 En ten slotte moge er op gewezen worden,hoe ^ tot ieder lid der gemeente ook in het geven aan J de diakonie nog eens bizond rlijk in Jacobus' 5 woorden de roepstem uitgaat om naar vermogen 5 aan te brejigen; een ieder het zijne; het pen5 ningsk9 der weduwe naast het goud of het zils ver van den rijke.

^ W. H. DE SA VORSTIN LOHMAN.

Donderdag 29 Maart 11. hield de Kinder-Zendingvereeniging in de buurten T, U, V, W en ZZ in de Schotsche Zendingkerk haar vijfde jaarvergadering.

De eere-voorzitter, Ds N. A. de Gaay Fortman, opende na psalmgezang, bijbellezing en gebed, met een korte toespraak, deze samenkomst, die door eenige honderden kinderen met hunne ouders en verdere belangstellenden werd bijgewoond, en het geheele kerkgebouw tot het laatste plaatsje vulden.

Ds J. P. Tazelaar, van Weesp, hield een toespraak, waarin hij met treffende en soms aangrijpende voorbeelden den grooten nood van de

5 heidenwereld in het licht stelde.

$ Uit het verslag van den secretaris bleek, dat 5 de vereeniging voortdurend in bloei toeneemt, en 5 thans 871 leden en circa 800 begunstigers telt. ^ De penningmee-ter deelde mede, dat de ont$ vangsten f 1373.09 X hebben bedragen, terwijl J de uilgaven f 1317.28 beliepen, waarvan ƒ50.— 5 aan den zendeling-arts Dr J. G. Scheurer waren $ ter hand gesteld, terwijl staande de vergadering $ ƒ 900.— in ontvangst werden genomen door den $ heer W. Hovy, ten behoeve van de Nederl. Geref. $ Zendingvereeniging, die hiervoor zijnen hartelijken $ dank uitsprak en tevens mededeeling deed, dat $ de rekening van den penningmeester, die door 5 ZEd. en den heer Gerner was nagezien in vol5 maakte orde was bevonden.

$ Aan de leden, die hun 16de jaar hebben bereikt, $ werd ter herinnering het bekende werk van J Ds Dijkstra, „Om de Wereld", ten geschenke ge5 geven, terwijl bovendien aan ieder lid een kleine $ versnapering werd uitgereikt. $ Een kinder-zangkoor, onder leiding van den $ heer van der Duijn, zong eenige zendingsliederen, 5 en na psalmgezang en gebed werd de vergadering I door Ds N. A. de Gaay Fortman gesloten. $ Na afloop vergaderden op de bovenzaal nog eenige J afgevaardigden en genoodigden, waar nog menig 5 goed woord gesproken werd en duidelijk bleek $ hoe goed en hoe lieflijk het is, dat broeders 5 samenwonen.

$ Moge 's Heeren zegen verder op dezeVereeni$ ging rusten en zij voortdurend deelen in de gunst $ des Heeren en de liefde der broeders en zusters, s (Ingezonden).

| De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Beroepen te: $ Waddingsveen, F. de Jager Sz., te Nijega e. a. 5 Sneek A, J. van Haeringen, te Werkendam A

Bellingwolde, H. T. Hoeksema, te Zevenhuizen c. a.

Schoonebeelc, T. Bouma, te Doorn.

Exmorra c. a., J, Hania, te Oosterbiorum.

Bedankt voor:

Axel A, J. Qommer, te Grijpskerke.

Nijkerk op de Veluwe, H. Hoekstra, te Kollum. Zetten c. a., Dr. H. H. Kuyper, te Baam. Nieuwendam, J. Dijk, van Öud-Loosdrecht. Lopik, A. van Apeldoorn, Scherpenzeel.

VOOB- KIITDEB,EN.

De lbode (les Heeren.

In het jaar 1859 had er op het eiland Borneo, dat een onzer O.-Indische bezittingen is, een schrikkelijke gebeurtenis plaats Vele zendelingen,

die daar het Evangelie verkondigden, werden door

de heidenen vermoord. Enkele ontkwamen echter. Tot deze behoorde ook de zendeling Beijer, die later in Nederland kwam. Uit zijn levensge¬

schiedenis kunt gij zien, hoe moeielijk het leven

is van de mannen die uitgaan om den Heidenen het Woord Gods te prediken,

Toen ik, zoo verhaalt hij, mijn werk begon, had ik nog twee broeders in mijne nabijheid;

doch weldra was ik omgoven van 2000 in duisternis gevangen heidenen, van ieder verwijderd, met wie ik nog eenigzins raad zou hebben kunnen

nemen. Gedurende den eersten dag, waarop ik

met het inlandsch hoofd in onderhandeling trad, leide hij mij, uit vijandschap tegen mijn werk,

den ganschea dag rond, eer ik eene geschikte

piek vond, waar ik mg zoude kunnen vestigen. In Maart 1851, hief ik den bijl op, om, in een

der ondoordringbare wouden, wemelende van

slangen en ongedierten, den eerste boomstam te vellen. Vaak verkeerde ik in levensgevaar. Voor de tweede maal van giftig gedierte last geleden

hebbende, was ik drie dagen krank; maar de:

Heere liod heelde den anders doodeliiken beet,

naar zijne belofte: „zoo gij iets doodelijks eet

of drmkt, het zal u niet schaden.

Het genoemde opperhoofd had mij misleid. Ik i i i ; .1. ••

was door een waierpias omriagu- i/ocu myii Helper bracht mij op het drooge. Weldra was het land genoegzaam opgehoogd, zoodat ik in Mei mijne woning voltooid had en met matten

beleggen kon. Op den eerstkomenden Zondag noodiede ik de heidenen tot mij. Ook vijftien

jongens lieten zich onder het getal vinden, dat aan deze roepstem gehoor gaf. De Heere had mij niet te vergeefs gezonden. Ik richtte eene school op, zette de lieden aan het werk, b. kwam

eeu ruimer gebouw, hield alle dagen met de werk¬

lieden huis-godsdienst, plantte boomen, sloeg eene

brug over het water en leide een tuintje aan, waarin ik onder anderen arrowroot kweekte

Toen begon ik aan den bouw eener kerk te

denken, welke ik ook met een gemeente van 70

zielen mocht inwnden; terwiil miine school door

100 kinderen bezocht werd. Zoo ging ik voort, tot ik door geweld die plaats moest verlaten.

Doch de Heere is mijn Herder gewet st, ook toen ik in grooten nood verkeerde, en als door een

wonder ontkomen ben.

Een zendeling heeft met vele zwarigheden te

kamnsn. Hii is herder en raadgever. Daar de

eene inboorling den andere niet vertrouwt, komen ze spoedig tot den zendeling, om voorlichting en

bestuur in hunne dagelijkscne aangeiegenneaen Aangezocht om lichaamskwalen te verdrijven

ziet hii zich vaak de gelegeuheid geopend, om

met het het oog op, en in de kracht van den

grooten ueneesmeester uer zieien, geestelijke kwalen te bestrijden.

Eenmaal kwam een Dajakker tot mij. Zijn

broeder liad hem ziek in het rijstveld vinden

liggen cn tot hem gezegd: „Kom mede naar den zendeling, die reeds zoo vele menschen gered heeft." De kranke toonde zich eerst onwillig, maar zich eindelijk latende overhalen, besloot hij

mijne hulp te vragen. Op de vraag wat hem deerde, gaf hij ten antwoord: „booze menschen hebben mij vergeven, en de Satan wil mij niet helpen, om weer beter te worden." Ik mocht dezen man dag aan dag bij den oorsprong der