is toegevoegd aan je favorieten.

Amsterdamsche kerkbode; officieel orgaan van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), jrg 9, 1895, no 439, 30-06-1895

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen het jaarverslag aan de orde werd gesteld maakten zes en dertig leden der vereeniging, ter vergadering tegenwoordig, van hun recht gebruik om een voorstel in te dienen tot het benoemen van eene commissie van enquete, in zake het onderwijs van den hoogleeraar Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die volgens de onderteekenaars van het stuk, door hetgeen van zijne hand kwam, vooral in het dagblad De Nederlander, de vraag deed rijzen of van art. 2 der statuten niet werd afgeweken. De tolk van deze broeders was ds Langhout, die een uitvoerig stuk voorlas waarin vele bezwaren werden genoemd en met citaten uit des hoogleeraars stukken werden gestaafd. Na eene zeer ernstige discussie, waarbij gewezen werd op de beteekenis van zulk een commissie, die met directeuren en curatoren heeft saam te te werken en nadat ook Prof. Lohman zich voor hare benoeming heeft verklaard, wordt het voorstel aangenomen. De b.b. Prof. dr. Bavinck, -1. van Alphen, A. G. van Deth, G. H. A. Grosheide en L. de Vries worden voorgedragen en bij stemming tot leden der commissie van enquête aangewezen.

Wegens gebrek aan tijd, 't is inmiddels half één geworden, blijven de bespreking van het referaat van Prof. Geesink en de voordracht van Dr. den Houter achterwege en gaat de vergadering over tot de stemmingen. Herkozen worden de heeren S. J. Seefat en T. van Eeghen, terwijl voor het nazien van de rekening, worden benoemd de b.b. Krap van 's Hage en H. A. Höweler van Amsterdam. De morgen-vergadering werd door ds. van der Linden met dankzegging gesloten.

De pauze duurde maar kort en velen kregen met moeite voor geld en goede woorden een bete en een dronk, want op zooveel menschen was niet gerekend.

Toch kwamen de leden en begunstigers en zeker ook andere belangstellenden goedsmoeds tot de meeting, die te twee uur werd geopend. Hoe warm het was en hoe vol! Prof. Fabius lichtte de twee eerste zijner zoo juist gestelde stellingen op degelijke wijze toe.

We laten het tweetal hier volgen:

I.

'legen de Volkssouvereinitcit. Het gevoelen, door den thans fungeerenden Minister van Binnenlandsche Zaken vroeger geuit omtrent de verhouding van de synodale organisatie van 18'6/52 tot de Kerken, welke zich daaronder bevonden, heeft meer aanspraak op instemming dan de door hem als lid der Tweede Kamer met blijdschap uitgesproken meening, „dat de Kroon in ons staatsstelsel nu reeds, en nog meer in het vervolg, is veeleer een ornament dan het fundament." (Vereenigde Zitting van de Staten-Generaal van 1 Aug. 1894.)

II.

Tegen Absolutisme en Clericalisme. De door Prof. Dr. J. P. N. Land te Leiden gegeven „vingerwijzing", dat volgens Spinoza de Staat, wien het toch slechts om het vreedzaam en eendrachtig samenwerken zijner onderdanen te doen is, gelijkelijk heeft te beschermen, wie het tweeledig beginsel te aanvaarden: God liefhebben boven alles en uwen naaste als uzelven, (Inleiding op liet Godgeleerd-staatkundig vertoog, vert. door W. Meijer, bl. 32), is meer geschikt om Spinoza's absolutisme en clericalisme aan het oog te onttrekken, dan „om het boek beter te verstaan", waarin dit on-Nederlandsche stelsel wordt bepleit.

De lezing der stellingen doet reeds vermoeden dat het referaat van den hoogleeraar heel wat zou te denken geven. Maar ook wat in jaren ons niet mocht gebeuren, ik meen dat het voor tien jaar in den Haag de laatste maal was, toen Prof. W. M. Gunning tegen Prof. Fabius optrad, had nu plaats. Uit de dichte rijen stond een tegenspreker op. De heer Meijer, zijn woonplaats werd niet genoemd, ontkende bescheiden en beslist tegenover Prof. Fabius dat het stelsel van Spinoza clericalistisch zou zijn.

! In het dispuut dat nu volgde en waaraan de ï Professoren Rutgers en Geesink en de verdediger ! deelnamen, bleek nu dat de joodsche wijsgeer ! der zeventiende eeuw, hoezeer ook zich als een ! vijand van het clericalisme aandienend, nochtans | wijl hij eiken geopenbaarden godsdienst bestrijdt en | aan den Staat de macht toekent om in den | natuurlijken godsdienst te oordeelen, het grofste 5 clericalisme huldigt.

; De opponenten werden door den Voorzitter 5 bedankt en de meeting wordt gesloten, opdat de ! leden zich nog eenige oogenblikken zouden bezig5 houden met huishoudelijke zaken, die 's morgens $ onafgedaan bleven. Weldra behoorde de vijf| tiende Jaarvergadering tot het verleden. God geve ! zijn zegen over al wat beraden en besloten werd.

; De heer F. Oberman, predikant van het her5 vormd genootschap te Leiden, zond een overdruk $ van eenige stukken, die in het „Leidsche Predik| beurtenblad" voorkwamen, thans in den vorm $ eener brochure in het licht, om de vraag naar $ de verhouding van de organisatie van 1816 tot ! de vroegere gereformeerde kerk te beantwoorden. | De gereformeerden moeten zich verheugen | over elke getuigenis, dat de geloovigen wijst op ! hun God en Koning, wien zij ook als gemeente i moeten belijden. Daaruit toch moet, waar Gods 5 werk in de harten gevonden wordt, ook gebed, | onderzoek en arbeid, om Christus als het Lam » in zijn kerk te volgen, noodzakelijk voortkomen. I En het kan niet anders of samenbrenging van | Gods volks en scheiding van afgoden moet daar| van in het einde door de genade en trouw des ! Heeren de vrucht zijn.

$ Maar ook alle bespreking van het kerkelijk 5 vraagstuk, die van eenigen ernst of eerlijken zin J getuigt, moeten wij toejuichen, omdat het stilzwiji gen bij zooveel ellende en in zoo gewichtigen tijd, 5 wel het ergste van alles moet heeten. Dat onaan| doenlijke stilzwijgen doet u huiveren als in den | grafkelder, waar de dood spottend uw stem i terugkaatst, maar geen woord uit het roerlooze | stof u geeft; — of het mocht de worm zijn, die | tikt om u te laten hooren, dat hij hier meester J is. Dit stilzwijgen is de smadelijkste hoon voor 5 den Christus, die, naar het heet, zoovele dienst5 knechten heeft, maar dan dienaars, die „leuk" | zijn voor hun Heer, niet opkomen voor zijn zaak $ en recht, maar „goed kameraad" zijn met zijn 5 vijand ; een hoon voor Christus, waar de politiek, $ en het sociale vraagstuk, en de werkmansza.sk \ allen in vuur en aan het woord brengt, maar de | zaak van Gods Zoon en Zijne gemeente blauw ! blauw gelaten wordt.

| Verheugen doet ons ook elke voetstap die in | dezen op historisch terrein gezet wordt. Zeker, | er kan een beoefenen der historie zijn zonder S dat het om het licht Gods te doen is, een hu5 manistische, een zoogenaamd neutrale beoefening | der historie ; en dat is nooit de historiebeoefe| ning, waardoor zich de calvinist als dienstknecht 5 en kind van God, als discipel van den Heere | Jezus Christus kenmerkt. Maar zelfs voor het | natuurlijk rechtsgevoel, voor de natuurlijke rede ^ moet het licht der historie den karakterloozen 5 kerkelijken warwinkel van de 19e eeuw te schande $ maken. En waar een geest des ontwakens J werkt, daar is beoefening der historie noodig, ^ om niet in het geknoei van de independistische 5 makelaars naar den smaak van Daatje of Naatje ! $ te vervallen, of zooals de tegenwoordige „chris- j J telijke gereformeerden", en die innerlijk met hen { J overeenstemmen, in een genootschap in plaats j 5 van in een kerk met zijn spot naar bed te gaan. i En als dan één der predikanten, die zich inet | een beroep op Dr. Kohlbrugge als de eigenlijke j en eenige predikanten van Nederland beschouwen j en aandienen, het woord neemt, om over het j kerkelijk vraagstuk en nog wel uit een historisch gezichtspunt te spreken, dan zien we hierin een bijzonder geval, daar tot heden die kring van mannen noch over de organisatie der kerk, noch over de historie zich uitte, maar alleen van Dr. Kohlbrugge af rekenend, niet verder zag dan eigen kringetje,£en noch van een kerkelijk positienemen, noch van organisatie iets wilde weten, j

Daarom waardeeren wij de brochure van Ds. Oberman. Zij bedoelt blijkbaar het vuur in den kerkelijken kring te dooven, waar het rookt en opvlammen kon. Maar zij zal meewerken om juist dat vuur aan te blazen.

Het gedeelte uit de predicatie van Dr. Kohlbrugge over de bekeering tot den Heere heeft natuurlijk de sympathie van de gereformeerden, al heeft het met de zaak in quaestie, namelijk de wederoprichting der gereformeerde kerk naar den regel harer belijdenis, niet het allergeringste uit te staan ; ja, al misbruikt Ds. Oberman die schoone woorden, om zich van de zaak en taak, waartoe de Heere hem roept, af te maken.

Meer waarde heeft dan ook het historisch gedeelte van zijn boekje, dat noodzakelijk tot nadenken moet stemmen en de oogen kan openen voor de zonde der synodale organisatie, waartegen het getuigenis van elk waar belijder wel ontwaken moet. Fouten mogen daarbij aan den schrijver vergeven worden. Bv. als hij schrijft, dat oudtijds boven den kerkeraad de classe stond, — terwijl juist de classe al haar bevoegdheid en taak alleen van de kerkeraden ontving. Zoo ook als hij beweert, dat de classicale vergadering bestond uit de predikanten, benevens een gelijk getal ouderlingen, — terwijl de classicale vergadering bestond uit de kerken, de kerkeraden, vertegenwoordigd door hun afgevaardigden Of nog eens, als hy zegt, dat de visitatoren zoolang in dienst bleven als zij goed vonden, — terwijl juist die dienst telkens hij vernieuwing moest worden opgedragen indien de classe hen wilde houden. Erger wordt het, wanneer de schrijver zegt, dat de classicale vergadering in onderscheidene aangelegenheden der gemeente een beslissende stem had, - terwijl juist de kerkenorde vóór alles bepaalde, dat geen enkele gemeente over eene andere eenige heerschappij had. Zoo zijn er tal van fouten, die bewijzen, dat de schrijver de gereformeerde kerken nog slechts op een afstand kent. Hij verstaat die kerken niet; gelijk overtuigend blijkt uit zijn opvatting, dat de presbyteriale kerkregeering haar kenmerk hierin heeft, dat er ouderlingen in het kerkbestuur zitten; — terwijl die presbyteriale praktijk niets anders is als de regeering der kerken enkel door de kerkeraden, de éénige schriftmatige corporatie van het éénige door den Heiligen Geest aan Christus' kerk gegeven opzienersambt.

Maar afgezien van dat alles kunnen de, zij het ook ten deele foutieve, historische mededeelingen van Ds. Oberman nog velen doen zien, hoe schandelijk de gereformeerde kerken door de uitvinding, invoering en verdediging der synodale organisatie behandeld zijn.

Ging nu Ds. Oberman maar op die lijn door !

Maar ziet, daar maakt hij plotseling halt, hij trekt, na zijn protest, weer heel heel gemoedelijk bij die reglementaire organisatie onder dak, en dan komt hij weer met geweer naar buiten, om u te vertellen, dat die reglementaire inrichting de gereformeerde kerk is; met hare belijdenis, en — lach niet! — de handhaving dier belijdenis bovendien.

Men moet, — we spreken uit ondervinding, „hervormd predikant" zijn, om zulk een toer te kunnen uitvoeren. Zwart wit te noemen, en zelf te gelooven, dat het waar is.

Maar in ernst, laat dan Ds Oberman in Leiden als dienaar van Christus de belijdenis eens handhaven. Hij doet het immets niet, want hij laat de ongeloovigen op den kansel en aan de sacramenten komen.

Is dat handhaven ?

Zóó deed Dr. Kohlbrugge niet. Die deed anders !

Waarom handhaaft Ds. Oberman dan de belijdenis niet?

Moet hij Gode niet meer gehoorzaam zijn dan den menschen?

(IIoll. Kerkbl.) S.