is toegevoegd aan je favorieten.

Amsterdamsche kerkbode; officieel orgaan van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), jrg 10, 1896, no 499, 23-08-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE BLAD

van de AMSTERÖSMSCHE KERKBODE van 23 Augustus Nd. 499.

Aan de leden der Gereformeerde Kerk ie Amsterdam B

Geliefde Broeders en Zusters!

Toen in Juni van het jaar 1892 de vereeniging van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland en de Nederduitsch Gereformeerde Kerken, een feit was geworden, werd door de Generale Synode der nu vereenigde Kerken, in hare zitting van 17 Juni, o. a. uitgesproken: »dat de Vereeniging der beide Kerkengroepen eerst dan ten volle beslag zal hebben erlangd, zoo ook de ineensmelting der plaatselijke Kerken tot stand is g ekomen."

Maar even beslist en duidelijk sprak genoemde Synode het volgende uit: xHierbij echter dient groote omzichtigheid gebezigd, om geen onoverkomelijke moeielijkheden voor de toekomst te scheppen, en blijft alle dwang van zelf uitgesloten."

Dat het de Generale Synode met bovengenoemde zaken ernst was, en alle gedachte van eene dwingende macht in deze aangelegenheid te oefenen (eene macht die zij trouwens in het geheel niet bezit of bezitten mag) verre van haar bleef, blijkt wel uit het advies dat zij gaf aan de Kerken, die nog niet tot plaatselijke ineensmelting konden komen.

Zij beval namelijk zulke Kerken aan : ten lo. elkanders tucht te erkennen; 2o. geene leden van elkander zonder wederzijdsche bewilliging over te nemen; 3o. in aangelegenheden van gemeenschappelijken aard naar elkanders kerkeraadsvergaderingen te deputeeren; 4o. te beproeven, althans enkele malen, eene gemeenschappelijke godsdienstoefening te houden ; 5o. over en weer hare dienaren des Woords nu en dan te laten optreden in elkanders diensten; en ten 6o, in alle zaken tegenover derden elkander te steunen en bij te staan.

Volgens deze wenken en adviezen hebben beide de Kerkeraden alhier terstond gehandeld.

Van het houden eener gemeenschappelijke godsdienstoefening kon natuurlijk in eene groote Kerk als de onze, met vele kerkgebouwen, geen sprake zijn.

Maar het deputeeren naar elkanders Kerkeraadsvergaderingen had vrij geregeld plaats, en ook het optreden van de dienaren des Woords in elkanders diensten. Ook de overige punten hebben de Kerkeraden, zooveel de omstandigheden toelaten, (van weerszijden) in toepassing gebracht. Zooveel mogelijk is er door de beide Kerkeraden naar gestreefd, om de eenheid in belijdenis en kerkregeering te laten uitkomen, wat het geestelijke betreft, door denzelfden regel te volgen bij de toelating tot het H. Avondmaal van hen, die uit andere kerkgenootschappen komen en bij de Gereformeerde Kerk zich wenschen aan te sluiten, en voorts in al zulke aangelegenheden die al de Gereformeerde Kerken in 't gemeen betreffen, of die eene maatschappelijke zijde hebben, o. a. door op de jaarlijksche audiëntie bij H. M de Koningin-weduwe Eegentes te Amsterdam, de beide Kerken door ééne gemeenschappelijke commissie te doen vertegenwoordigen, en zoo voor onze hooge Overheid onze eenheid in belijdenis en kerkelijk leven te belijden.

Dat hiermede echter niet het einddoel bereikt is, gevoelt ieder die den eisch van Gods Woord verstaat, volgens welken eisch de geloovigen hunne eenheid openbaren moeten, in de wereld, opdat de wereld erkenne dat Jezus door den Vader gezonden is. Dit blijkt ook uit al de brieven der Apostelen, die aan bepaalde kerken of gemeenten gezonden zijn. Al die brieven duiden aan, dat er te Corinthe en elders niet twee of drie kerken naast elkander bestonden, maar dat er slechts was ééne Kerk op ééne plaats, terwijl die brieven zeiven tal van vermaningen zelfs aan de ééne gemeente tot onderlinge eenheid bevatten, en dat alle geloovigen zich benaarstigen moeten om te behouden de eenigheid des geestes, door den band des vredes, en verdeeldheid voorstellen, als een bewijs van vleeschelijkheid, een zondigen toestand, waartegen dringend gewaarschuwd wordt, en die ernstig wordt bestraft.

En dat de Gereformeerde Kerken, met name in ons Vaderland, van den beginne der Reformatie af, het ook alzoo verstaan hebben, blijkt uit de historie en de praktijk.

Bij eenig nadenken over deze dingen zal het voor ieder wel duidelijk zijn, dat de tegenwoordige verhouding van twee of drie Gereformeerde kerken in ééne plaats niet de gewenschte, allerminst de geordende toestand is, zooals dio door Gods Woord en de daarop gegronde regelen en daaruit geputte beginselen van het Kerkelijk leven onder de Gereformeerden geëischt wordt.

Wel is het denkbaar, dat twee genabuurde Kerken in combinatie leven, b.v. gezamenlijk één Dienaar des Woords hebben; ook is het denkbaar, dat in eene plaats twee Gereformeerde Kerken zijn, wanneer zij namelijk eene verschillende taal spreken, zooals b.v. in ons land, de Nederduitsche en de Waalsche of Fransche Kerken. Maar waar die noodzakelijkheid niet bestaat, is, ten allen tijde, de eenheid der plaatselijke Kerk, door de Vaderen gehandhaafd.

De bewering, als zou de tijd voor de plaatselijke ineensmelting nog niet gekomen zijn, wijl de gemeenten er niet rijp voor zijn, kan niet gelden, omdat hier geen sprake is van ineensmelting van verschillende belijdenissen of verschillende stelsels van kerkregeering, maar ineensmelting van Kerken, die dezelfde belijdenis en dezelfde kerkregeering hebben, en die elkander wederzijds erkennen als wettige openbaring van het lichaam van Christus.

Hierbij dient ook in aanmerking genomen dat Kerken die sinds jaren een eigen leven geleid hebben, eene eigene geschiedenis hebben, en eigenaardige gewoonten onderhielden, niet nader tot elkaar zullen komen door het bestaande onveranderd te laten voortbestaan, maar veeleer verder van elkander zullen verwijderd worden, en als gevolg daarvan dan ook het verdragen en elkander waardeeren hoe langer hoe moeielijker, en de onderscheidingen steeds scherper zullen worden.

Door deze overtuiging geleid, hebben de Kerkeraden van weerszijden, zonder de vraag te stellen of te beantwoorden wie van beide aan de bestaande toestanden de meeste schuld heeft, maar uitgaande van het feit der vereeniging op den grondslag van belijdenis en kerkenordening, dan ook, sinds geruimen tijd, pogingen in het werk gesteld die, onder Gods zegen, tot ineensmelting der kerken, te dezer plaatse, konden leiden.

Dat men- daarbij ernstig en bedachtzaam is te werk gegaan kunnen wij U verzekeren en blijkt daarenboven uit den