is toegevoegd aan je favorieten.

Amsterdamsche kerkbode; officieel orgaan van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende), jrg 19, 1905, no 939, 29-01-1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bladz.

de woorden: »en diegenen, die te voren in dienst van Ouderlingschap en Diakenschap geweest zijn" in art. 10; de woorden »en scholen uit de 3de vraag 2den zin van art. 41; de woorden »en schoolmeesters" in art. 44" (Acta, bijlage C, blz. 116—119).

Naar aanleiding van dit schrijven werd ter Synode voorgesteld : »De Synode benoeme deputaten, die in last hebben, de volgende Synode te dienen van advies in zake de wijziging van de artikelen, waartegen Dr H. Franssen bezwaren heeft ingebracht, en van andere artikelen, waartegen naar hun oordeel dergelijke bezwaren zijn in te brengen. Dit concept van wijziging zal een half jaar tevoren ter kennis van de Kerken gebracht worden" (Acta, art. 22, blz. 13).

De Synode nam dit voorstel aan, en heeft toen in eene latere zitting »tot revisie van eenige artikelen der Kerkenordening" als deputaten benoemd : Prof. Dr H. Bavinck, Prof. Dr F. L. Rutgers en Dr J. Hania (Acta, art. 39, blz. 23).

Zich van deze opdracht kwijtende, hebben voornoemde deputaten de eer het volgende concept van wijzigingen aan te bieden. Zij laten daarbij echter, ter nadere verklaring van de wijze waarop zij hunne taak hehben opgevat, deze opmerkingen voorafgaan :

1°. hunne bedoeling is niet geweest, eene revisie voor te stellen van de geheele Kerkenordening, ten einde alle artikelen zóó te maken, als men thans eene Kerkordening zou opstellen, wanneer er nog geene was. Op ééne synode zou er — tenzij ze zeer lang bijeen was — geen voldoende tijd zijn, om het geheele kerkelijke leven in al zijnen omvang te behandelen, en over alle daarop betrekking hebbende vraagstukken eene beslissing te nemen. Bovendien is er over vele punten, die bij eene alles omvattende regeling aan de orde zouden komen, thans in onze Kerken nog geene «communis opinio"; althans niet in die mate, dat het raadzaam zijn zou, daarover nu reeds eene beslissing te willen uitlokken.

En voorts, wat eigenlijk op zichzelf reeds afdoende is: deputaten hadden zich te houden aan het hun gegeven mandaat; waarbij hun uitdrukkelijk was opgedragen, wijzigingen te ontwerpen, niet voor eene revisie der geheele Kerkenordening, maar slechts voor eene revisie van die artikelen, waartegen als bezwaar was in te brengen, dat zij niet meer pasten op het kerkelijk leven van den tegenwoordigen tijd.

2°. daartoe hebben zij zich zooveel mogelijk aangesloten, aan hetgeen historisch gegeven was en aan hetgeen in het kerkelijk leven zelf reeds sedert lang vrij algemeen was aangenomen. En daarom hebben zij laten rusten, wat in onze Kerken nog zeer uiteenloopend beoordeeld wordt; en wat dus thans niet zou kunnen beslist worden zonder verdeeldheid in de hand te werken, en alzoo de goede orde eerder te verstoren dan te bevorderen.

3°. hunne voorstellen hebben dus bepaaldelijk ten doel:

a. uit de oude Kerkenordening, gelijk die met eenige kleine wijzigingen in 1892 bij de vereeniging der Gereformeerde Kerken behouden is, weg te laten, of daaraan toe te voegen, of daarin te wijzigen, al wat feitelijk reeds sedert lang algemeen vervallen of bijgevoegd of gewijzigd is;

b. bepalingen, die blijkens de ervaring gedurig misverstaan worden, door redactie-verandering te verduidelijken;

c. zoo min mogelijk generale bepalingen te maken; zoodat deze alleenlijk inhouden, wat tot handhaving van orde en recht volstrekt noodig heeft, algemeen geregeld te worden; terwijl de regeling van al het andere aan de vrijheid der Kerken en aan het leven zelf blijft overgelaten;

d. bij voorgestelde wijzigingen zich in stijl en woordenkeus zooveel mogelijk aan te sluiten aan de oude kerkelijke taal; en eindelijk

e. ter voorkoming van verwarring bij de aanhaling van artikelen, hun aantal en cijfers

d\p> hAhnnrlAn.

Met inachtneming van deze opmerkingen £

meenden zij het volgende concept aan de Kerken te moeten aanbieden; daarbij de bede voegende, dat de Heilige Geest de Kerken èn vóór èn op de Synode te Utrecht bij de behandeling dezer zaak moge leiden.

Uit naam van de deputaten voornoemd, J. HANIA,

Rapporteur.

Steenwijk, 15 December 1904.

Concept van gewijzigde Kerkenordening.

Art. I blijft onveranderd.

Van de Diensten.

Art. II blijft onveranderd.

Art. III blijft onveranderd.

Art. IV. De wettelijke beroeping dergenen, die tevoren in den dienst niet geweest zijn, zoowel in de steden als ten platten lande bestaat :

ten eerste, in de verkiezing; dewelke na voorgaande gebeden geschieden zal door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is; en van de kerkelijke ordinantie, dat alleen diegenen voor het eerst tot den Dienst des Woords kunnen beroepen worden, die door de Classe, waarin zij wonen, praeparatoir geëxamineerd zijn; en voorts in Kerken met niet meer dan twee Dienaren ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest;

ten andere, in de examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens; dewelke staan zal bij de Classe, aan welke de beroeping ter approbatie is voor te stellen, en geschieden zal ten overstaan van de gedeputeerden der particuliere Synode of eenige derzelven;

ten derde, in de approbatie en goedkeuring van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats; wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen in de Kerk verkondigd zijnde, geene hindernis daartegen komt;

ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente; dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebeden oplegging der handen van den Dienaar, die de bevestiging doet (of eenige anderen, waar meer Dienaren zijn), toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde.

Art. V. Nopens die Dienaars, die nu alreeds in den Dienst des Woords zijnde tot eene andere gemeente beroepen worden, zal desgelijks zoodanige beroeping geschieden, zoowel in de steden als ten plattenlande, door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de generale kerkelijke ordinantiën over de beroepbaarheid van hen, die buiten de Nederlandsche Gereformeerde Kerken gediend hebben, en over het meer dan eenmaal beroepen van denzelfden Dienaar in dezelfde vacature; in Kerken met niet meer dan twee Dienaren ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen eonsulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest; en voorts in alle Kerken met approbatie van de Classe, aan welke de voorzeide beroepenen vertoonen zullen goede kerkelijke attestatie van leer en leven, en met approbatie van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen haar voorgesteld zijnde, geene hindernis daartegen komt; waarna de beroepenen met voorgaande stipulatiën en gebeden zullen bevestigd worden, naar het Formulier daarvan zijnde.

Art. VI blijft onveranderd.

Art. VII. Niemand zal tot den Dienst des Woords beroepen worden, zonder dat men hem in eene zekere plaats stelle, ten ware dat hij gezonden worde om hier of daar kerken te vergaderen.

Art. VIII. Men zal geen schoolmeesters, handwerkslieden of anderen, die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt toelaten, tenzy dat men verzekerd zij van hunne singuliere gaven, god¬

zaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid. Zoo wanneer dan zoodanige personen zich tot den dienst presenteeren, zal de classe hen (indien het de particuliere Synode goedvindt) eerst examineeren, en naardat zij hen in het examen bevindt, he ■ een tijdlang laten in 't privé proponeeren, en dan voorts met hen handelen, zooals zij oordeelen zal stichtelijk te wezen, volgens de generale regeling, daarvoor door de Kerken vastgesteld.

Art. IX blijft onveranderd.

Art. X. Een dienaar, eens wettelijk beroepen zijnde, mag de gemeente, aan welke hij verbonden is, niet verlaten, om elders eene beroeping op te volgen, zonder bewilliging des Kerkeraads met de Diakenen, en met voorweten van de Classe, gelijk ook geene andere Kerk hem zal mogen ontvangen, eer hij wettelijk getuigenis zijns afscheids van de Kerk en Classe, waar hij gediend heeft, vertoond hebbe.

Art. XI. Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, en hen niet uit hun dienst te ontslaan zonder kennis en approbatie van de Classe en van Deputaten der particuliere Synode.

Art. XII blijft onveranderd.

Art. XIII blijft onveranderd.

Art. XIV blijft onveranderd.

Art. XV. Het zal niemand geoorloofd zijn, den dienst zijner Kerk onderlatende, of in geenen vasten dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken buiten consent en autoriteit der Synode of Classe. Gelijk ook niemand in eene andere Kerk eenige predikatie zal mogen doen, of Sacramenteu bedienen, zonder bewilliging des Kerkeraads van die Kerk.

Art. XVI blijft onveranderd.

Art. XVII blijft onveranderd.

Art. XVIII blijft onveranderd,

Art. XIX. De gemeenten zullen, voor zooveel noodig, arbeiden, dat er studenten in de Theologie zijn, die door haar onderhouden worden.

Art XX. In de Kerken, waar personen zijn, die volgens art. 8 bekwaam zijn geoordeeld, om tot den Dienst des Woords te worden voorbereid, zal men tot hunne oefening het gebruik der propositiën kunnen instellen.

Art. XXI blijft onveranderd.

Art. XXII. De Ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkeraads en der Diakenen verkozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is; bij -welke regeling het naar de gelegenheid van iedere Kerk vrij zal zijn, van tevoren de gemeenteleden in staat te stellen op geschikte personen de aandacht te vestigen, en voorts vrij zal zijn, voor de verkiezing zelve zooveel Ouderlingen, als er van noode zijn, aan de gemeente voor te stellen, om van diezelve (ten ware dat er eenig beletsel voorviel) geapprobeerd en goed gekend zijnde, met openbare gebeden en stipulatiën bevestigd te worden, of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde.

Art. XXIII blijft onveranderd.

Art. XXIV blijft onveranderd.

Art. XXV blijft onveranderd.

Art. XXVI blijft onveranderd.

Art. XXVII. De Ouderlingen en de Diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen, en alle jaar zal een evenredig deel aftreden. De aftredenden zullen door anderen vervangen worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van eenige Kerk, bij de uitvoering van artt. 22 en 24, eene herkiezing raadzaam maakten.

Art. XXVIII blijft onveranderd.

Van de kerkelijke samenkomsten.

Art. XXIX blijft onveranderd.

Art. XXX blijft onveranderd.

Art. XXXI blijft onveranderd.

Art. XXXII blijft onveranderd.

Art. XXXIII. Die tot de samenkomsten afge-