is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1877, no 9, 1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER WETENSCHAPPER IJ KEN LANDBOUW.

waarin de lucht met haar koolzuur en zuurstof gedurig dieper indringen kan, doordien sommige bestanddeelen der rotsen oplosbaar en door het water weggespoeld worden. Vullen zich nu deze verruimde spleten met water en bevriest dit, dan worden daardoor de deelen der rotsen uiteen gedreven, omdat het water de bijzondere eigenschap bezit vandoor ’t bevriezen uitte zetten. Zoodoende worden grootere en kleinere rotsblokken losgemaakt en vallen inde groote bergkloven neder, waardoor ze op nieuw meer of minder verbrijzeld worden. Wanneer nu de sneeuw op de toppen der bergen in ’t voorjaar smelt en de bergstroomen met woest geweld naar beneden storten, dan worden de rotsbrokken medegesleept, tegen elkander geworpen, gerold en naarmate hunner meerdere of mindere hardheid in gedurig kleiner deelen, in rolsteenen, grind en meer of minder fijnkorrelig zand verdeeld, terwijl sommige bestanddeelen tot een hoogst fijn poeder gewreven worden, dat algemeen onder den naam van klei en leem bekend is. Al deze meer of minder vergruisde deelen der rotsen worden nu naar gelang hunner grootte en zwaarte door het water verder naar de laagte gevoerd en naarmate de kracht der strooming vermindert, daaruit afgezet. Van hier, dat men stroomopwaarts, vooral in ■de eigenlijken bedding der rivieren, meer steenen en zand, lager of zijwaarts van de bedding, waar de stroomsnelheid gedurig afneemt, meer kleideelen aantreft, waardoor o. a. in ons vaderland de vette en uit hun aard vruchtbare rivier- en zeepoldergronden gevormd zijn. § 20. De kleigronden bestaan echter geenzins uit zuivere klei, maar zijn altijd een mengsel van klei en eene grooter of kleiner hoeveelheid fijner of grover zand. Naarmate dat de hoeveelheid klei in verhouding tot het zand grooter of kleiner is, worden zij in zware en Hgte kleigronden onderscheiden, waarvan de eerste, wegens de moeilijkheid der bewerking meer tot grasbouw, de laatste meer tot akkerbouw geschikt zijn, ofschoon ook deze voortreffelijke graslanden opleveren. Zandgronden daarentegen noemt men zoodanige die geheel of nagenoeg geheel uit zand bestaan, dat inde hoofdzaak uit grover en fijner kwartskorrels zamengesteld is. Tusschen deze en de ligte kleigronden bestaan er echter nog vele tusschensoorten, die bij veel zand meer of minder kleideelen bevatten. Deze worden daarom gemengde of zavelgronden genoemd en weder in zware en ligte onderscheiden, naarmate er meer of minder klei in bevat is. In deze klasse van gronden komen de allervoortreffelijkste bouwgronden voor, omdat zij zich gemakkelijk laten bewerken en alle die eigenschappen bezitten, welke hen voor de voordeelige

137