is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandblad voor den Nederlandschen landbouwer, 1877, no 10, 1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN WONDER LEVENTJE.

zij bevreesd waren te laat te zullen komen. En dat alles, het gaat den geheelen dag onafgebroken voort, van den vroegen morgen tot aan den avond, wanneer zij weder hunne rust- en schuilplaatsen zoeken; het gaat onverpoosd voort, altijd lustig en vrolijk, en dikwerf onder gekweel en gefluit, dat het een lust is om te hooren. Inderdaad, het is dan ook wel niet alleen bij de mieren, dat de luiaard wijsheid kan leeren,' en zeker is het leven der vogels dan ook niet alleen een leventje van pleizier, maar trekt het ons niet minder aan, omdat het een leven is, dat wel met volle recht den naam vaneen bedrijvig leventje, verdient, een leventje, dat wij kortaf ook daarom zeer ongaarne zouden missen inde groote huishouding der natuur die ons omgeeft, want dit slaat toch wel vast, dat diezelfde natuur zonder hen ons al zeer verlaten en doodsch voorkomen zou. Dit alles nu echter zoo zijnde, komen wij dan niet tot het besluit, dat wijden vogels veel te danken hebben en zij meer dan eenige andere klasse van dieren veel tot ons genoegen en veraangenaming van ons leven bijdragen? Inderdaad wat zou dan ook natuurlijker zijn, dan dat wij hen daarvoor onzen dank betoonden door eene behandeling verschonend en beschermend van aard, waarbij wij dat werkzame en vriendelijke leventje ongemoeid zijn gang lieten gaan, en er voor zorgden niet verstorend daarop in te grijpen, veel minder het te onderdrukken. Waarlijk, zoo moesten wij denken, die vogels, en vooral die kleinere, die zooveel tot ons genot bijdragen, hebben vijanden genoeg, die hun leven en dat hunner jongen belagen, die hunne nesten plunderen, en onvermoeid jacht op hen maken, dan dat ook wij nog aan die vervolging deel nemen, en vijandig ons tegen hen gedragen zouden. Daartoe toch verschaffen zij ons te veel genoegen en hebben wij ze te lief. En toch, wat gebeurt er en hoe gedragen wij ons jegens hen? Waarlijk het behoeft wel nauwelijks gezegd, want het is genoeg bekend, op hoe velerlei wijzen, deze vriendelijke bewoners van woud en veld ook door den mensch zoo dikwijls worden vervolgd, hoe onze jeugd zoo vaak de nesten uithaalt en de jongen doodmartelt en, zoo zij al het leven van den vogel spaart, toch zoo dikwerf een wreed vermaak er in schept, om het dier van zijne vrijheid te beroven. Maar, zult gij wellicht zeggen, is er dan zooveel aan die vogels gelegen, en is het der moeite waard, om daar zooveel water om vuil te maken. Het is waar, wij mogen ze ook nog wel eens hun liedje hooren fluiten en dat aardige leventje aanzien, maar ten slotte is er aan hun leven toch niet zooveel verbeurd, want als zij zoo ijverig inde weer zijn om voor hen zelven en hun hongerig broedsel het noodig voedsel op te sporen, dan doen zij dat ten onzen koste en zijn wij ten slotte de kinderen van de rekening, daar zij ons alles voor den neus wegpikken. Waarlijk,

148