is toegevoegd aan je favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 607, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan door kalk hoogstens den colloidalen uitvlokkingstoestand veranderen, doch dit behoeft volstrekt geen kruimelstructuur te zijn. Ook de kalkrijkste gronden, vooral overkalkte gronden, kunnen volkomen verdicht zijn. Ze worden dit, zoodra het organische voedsel (geen stabiele humus) en daarmede de kleine wezens verdwenen, of althans ernstig verzwakt zijn. De voorbeelden hiervan liggen in de praktijk voor het grijpen. Men is er echter altijd aan voorbij gegaan. Wij beschikken overeen jarenlange, vooral ook proefondervindelijke ervaring over het verwekken van kruimelstructuur langs den physisch-chemischen weg met uitsluiting, zooveel mogelijk, van den organischen en biologischen weg. Steeds is echter het eindresultaat geweest een landbouwkundig volkomen verdichte bouwgrond, die veelvuldig zieke en slechte gewassen levert. Volgt men echter den physisch-chemisch-biologischen weg op de door ons aangegeven wijze, dan slaagt men zonder uitzondering. Dat de structuurverbetering van oude kleigronden, zooals de schrijver meent „dus volkomen onafhankelijk van de werkzaamheid van micro-organismen” plaats heeft, is alleen reeds te weerleggen door slechts te wijzen op de chemische werking van kalkmeststoffen inden landbouw, die geheel berust op de medewerking van koolzuur, dat door deze kleine wezens wordt geproduceerd. Dat ook de uitspraak inzake het intact blijven van de structuur na het voorzichtig dooden der organismen onjuist is, kan de schrijver zichzelf elk oogenblik demonstreeren door deze schijnstructuur even mechanisch te vernielen. Hij zal dan ervaren, dat deze zich niet zooals een kruimelstructuur kan herstellen. De kruimelstructuur is een dynamische toestand, die alleen door factoren met een dynamisch karakter in stand kan blijven. Klinisch Wijkt steeds weer, dat dit dynamische proces tenslotte moet worden teruggevoerd op de activiteit van de kleine wezens inden grond. Dezelfde fout wordt gemaakt door Ir. Meyers, waar deze spreekt over structuur, verwekt met mechanische middelen. Men krijgt op deze wijze slechts schijnstructuren, die na inwerking vaneen nadeeligen invloed, zooals een zwaren regenval, den druk vaneen werktuig, of een dier en op den duur ook die van het eigen gewicht van den grond, geen stand kunnen houden. De invloed van mechanische middelen op de structuur is beperkt tot het bevorderen van de luchttoetreding. Deze lucht maakt het mogelijk, dat de kleine wezens lun werkzaamheid voortzetten of hervatten, doch onder beding, dat er organisch voedsel beschikbaar is. Ontbreekt dit dan heeft zelfs deze luchttoevoer en dus ook de invloed van mechanische Middelen op de structuur geen beteekenis meer. Dit de door Ir. Meyers opgesomde mechanische middelen blijkt 'jvens, dat hieromtrent nog misverstand bestaat. Mechanische leden geven onze werktuigen en zoo men wil ook takkebossen, Puin, sintels, grind, grof zand en dergelijke. Van zuiver biologischen aard is echter eendoor Ir. Meyers in hetzelfde verband opgesomde IJdig ondergebrachte groenbemesting. De mechanische werking van jll sappige materiaal kan men veilig buiten beschouwing laten, daar let door het gewicht van den grond reeds zeer spoedig een sluitende uiassa vormt. Haar waarde schuilt in haar beteekenis voor de organische voeding van de kleine wezens en is dus biologisch. Stoppels vaneen vroegtijdig ondergebrachte groenbemesting

55