is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 608, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijl er extra monsters voor één ras, namelijk het staudaardias Juliana, werden verzameld. Van deze monsters werden diverse eigenschappen bepaald: de glazigheid, gevuldheid, glutengehalte en de natuurlijke glutenkwaliteit. De resultaten van de glutengehaltekarteering vindt men inde Fig. I en 11, die sterk geschematiseerd zijn. De kaarten spreken voor zichzelf. Als merkwaardigheid dient te worden opgemerkt, dat de beide kaarten vrij veel op elkander gelijken, ondanks het feit, dat 1935 een betrekkelijk droge en warme zomer had, vooial inde laatste'weken der rijping, terwdjl in 1936 de laatste afrijpiug juist ineen koele en regenrijke periode viel.

Men ziet, dat in enkele gebieden de tarwe melig (glutenarm) uitgroeit (Zeeland, de rivierkleistreek en hriesland), terwijl in Oost-Brabant, Midden- en Noord-Limburg, waarschijnlijk ook in de Geldersche Achterhoek de tarwe glazig (glutenrijk) af rijpt. Groningen is een overgangsgebied met uiteenloopende monsters in 1935, doch in doorsnee vrij glazige monsters in 1936- Noord-Holland was in tegenstelling hiermede in 1936 aanmerkelijk minder glazig clan in 1935. Alleen de Waard- en Groetpolders, bekend om hun rijke gronden, bleven glazig product leveren. De verschillen zijn groot. Het glutengehalte loopt bijvoorbeeld binnen een ras van 6 tot 15 % uiteen. Onder de Nederlandsche omstandigheden doet het glutengehalte als raseigenschap zich niet sterk gelden. Zelfs de van type meer glazige baktarwe Svalöfs Extra Kolben II rijpte bij ons in 1934 op zware klei volmelig uit. Het moet echter mogelijk worden geacht tarwes te selecteeren, die ook onder zulke omstandigheden glazig afrij pen. Glutengehalte is slechts één eigenschap der tarwe en één der meest variabele. Over de bakkwaliteiten geeft het glutengehalte rechtstreeks geen aanwijzingen. Hierbij speelt het ras een rol van beteekenis. De glutenkwaliteit bepalen wij volgens oriënteerende Duitsche methoden: de kwaliteitswaarde van Pelshenke = de tijd, dat een met gistwater aangemaakte deegbal in water van bepaalde temperatuur uiteenvalt; hoe langer de tijd, des te beter de kwaliteit en de zwelwaardebepaling van Berliner en Koopmann = de mate van oplossen en opzwellen van de uit schrootdeeg of bloemdeeg gewonnen gluten in zwak melkzure oplossing van bepaalde temperatuur; sterk zwellen en niet oplossen wijst op een goede kwaliteit. Uit ons onderzoek, dat thans reeds overeen groot aantal monsters loopt, bleek ons, dat de kwaliteit van de gluten afneemt met het toenemen van het glutengehalte (Fig. III); verder dat dit bij de zachte tarwes sneller plaats vindt dan bij de hardere baktarwes. Inde literatuur ontmoeten deze resultaten tegengestelde meeningen en resultaten, en wel zou de glutenkwaliteit betrekkelijk stabiel zijn en weinig gevoelig voor de uitwendige factoren (o.a. in Duitschland Scharnagel en in Canada Shutt 50). Men kan echter niet opmaken of deze opvattingen zich baseeren op enkele tarwes van betere bakaard of op een uitgebreid rassensortiment van echte zachte tarwes tot harde tarwes, zooals bij ons. Bij onze tarwekwaliteitskarteeringen vonden wij dus, dat inde

139