is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 608, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de wintertarwe 10.9 %. Een andere tabel geeft de gehaltes van diverse rassen. S. merkt hierbij op, dat de glutenkwaliteit ook een groote rol speelt, daar Extra Kollen 11, hoewel een lager ruweiwitgeh. hebbend dan Aurore en Fylgia, toch een betere bakwaarde had dan de laatste twee. De onderzoekingen van Holger J/rgensen (Beretning om Unders/gelser af Dansk H/ede af H/sten '33, K/benhavn '35) over de invloed van de voorvrucht der tarwe op ’t ruweiwitgehalte worden gereleveerd. Na peulvruchten heeft de tarwe o.a. hooger gehalte daaraan dan na graanvruchten. In Zweden vond men, dat ook de korrelopbrengst afhing van de voorvrucht, verschillen van 20 % werden gevonden. Uit N-bemestingsproeven bleek, dat door stijgende bemesting met kalksalpeter zoowel de opbrengst als ’t ruweiwitgehalte belangrijk stegen en derhalve ook de bakwaarde. De eiwitpremie heeft ’t gebruik van N voor tarwe dan ook bevorderd, daar het zich betaald maakte. (Voor ons land zou dit waarschijnlijk niet het geval zijn, gezien de proeven der Technische Tarwe Commissie. Ref.) R. H. V.

54- CUTLER, G. H. en WORZELLA, W. W. The Wheat Meal Fermentation Time Test for Mcasuring Quality in Wheat. Purdue University, Agr. Exp. Stat. Lafayette, Indiana no. 218. (14 blz. ge'ïll.) (Apr. ’yó). De schr. geven een geheel gestandaardiseerde, gewijzigde Saunders-methode voor kwaliteitsonderzoek van tarwemonsters voor kweekersdoeleinden. Aan de methode werden de volgende eischen gesteld: a. overeenstemming van de resultaten met de bakproef en andere kwaliteitskenmerken; b. eenvoudig nauwkeurig en snel uitte voeren, zoodat tusschen oogst en uitzaai alles onderzocht kan worden; c. geschikt voor monsters van 2—5 gram (zaad van 1 plant); d. ze moet met grof gemalen tarwe zijn uitte voeren. De monsters moeten liever niet meer dan 13.5 % vocht bevatten en moeten niet eerder dan 6 weken na ’t oogsten onderzocht worden. De tarwe wordt dooreen Labconco lab.molen gemalen en binnen een dag onderzocht. Men maakt iedere dag verscheen gist-suspensie van 10 gr persgist in 100 cc HaO. Ineen bekerglas van 150 cc 10 gr tarweschroot met S cc v/d gistsuspensie van Bo° F tot een deegballetje kneden, zoo noodig met iets water. In ’t zelfde bekerglas met 80 cc H2O in glazen thermostaat plaatsen bij Bo° F en de tijd opnemen. Als de deegbal begint uiteen te vallen, weer de tijd opnemen. Dit laatste tijdstip vast te stellen vereischt nogal eenige oefeningen. Het aantal minuten tusschen het indompelen v/d deegbal en het uiteenvallen is een maat voor de gluten kwaliteit, varieert van 15—400 minuten. Alle proeven in 3-voud en alle dagen een standaardmonster mee onderzoeken. Tusschen de triplo’s is 10 % verschil toegestaan. Biscuittarwes hebben een fermentatietijd van 30—175 minuten, broodtarwes van 150—400 min. De kosten v/d installatie waren $ 250; per deegbal (bij veel monsters) 5 Am. cent. De proef maakt bak- en maalproeven voor bepaling v/d kleur v/h meel en het rendement niet overbodig. Als oriënteerende proef voor boerderijen, kweekers, meelfabrieken is ze echter zeer geschikt. R. H. V. 55. FRIEDBERG, R. et JONARD, M. P. Comportement des céréales en 1935—36 d la Station Centrale d’ amélioration des Plant es de Versaüles. Le Sélectionneur, Volume VI, Fase 1, p. 20—40 (Mars ’3p). Rapport over de rassenproeven met tarwe en haver in '36. Grondsoort lemig, min of meer ontkalkt, vochthoudend, neiging tot slempigheid. De proeven werden in 6-voud genomen. De wintertarwes stoelden laat uit door koude; tijdens de rijping en den oogst was het weer nat, Hybride 40 en Hybride 46 hadden 2 % schot. Roest en legeering deden weinig schade. De uitstoeling was het sterkst bij Jonquois (1,9) en Providence, zwak bij Flèche d’Or (1.3). Na lucerne was de uitstoeling sterker dan na aardappelen. Werd de opbrengst van Vilmorin 27 (3400 kg) op 100 gesteld, dan was die van Jonquois 126, Chanteclair 100, Vilmorin 29 : 97, Flèche d’Or 90. De 1000-k. gewichten en hl-gew. waren laag, doordat de tarwe van de droogte te lijden had. Jonquois en Hybride 40 hebben een hoog 1000 k.-gew., Chanteclair laag. Chanteclair en Vilmorin 29 hebben een vrij hoog hl-gew., Jonquois wat lager, Providence nog lager. De bakwaarde, met de extensimeter van Chopin bepaald, was zeer goed bij Vilmorin 27, Providence en Aurèle Gaby. In ’t algemeen was de bakwaarde hoog door de droogte. Van de zomertarwes werd in Florence Aurore veel stuifbrand waargenomen, Sully had veel gele roest. De opbrengst van Hybride no. 1 op 100 gesteld gaf Florence XAurore slechts plm. 60. FlorenceXAurore had een zeer goede bakwaarde (populatie).

170