is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 609-610, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betaalt en onmisbaar is om het bedrijf in stand te houden. Dit inzicht moet naar sprekers meening worden gecultiveerd, en bij den opzet van het door hem gedachte onderzoek mag de rentabiliteitsvraag nimmer vergeten worden.

Wat de opmerking van Prof. Visser betreft, het kan wel waar zijn, dat uiteindelijk de vruchten van den gedachten arbeid in hoogere grondprijzen worden verdisconteerd. Maar wanneer dit zoo is, zullen ook de onkosten, die op het product worden gelegd of die de landbouwers zich als een vrijwillige belasting zullen opleggen, op den grondprijs terecht komen. Het verschil bestaat echter hierin, dat wanneer de contributies door de landgebruikers worden gevoteerd, zij ook de volle medezeggenschap over den aard en het tempo van het onderzoek zullen krijgen, en bovendien intensieve belangstelling er voor. Terwijl dit niet het geval is, wanneer men den landbouw – vooruitgang uitsluitend als een staatsbelang beschouwt, waarbij a.h.w. de ontwikkeling den bedrijfsleider wordt ingegoten met de tendenz de grondprijzen en de belastingen te doen stijgen, waaruit dan de kosten van onderzoek kunnen worden betaald, buiten de direct betrokkenen om. Met alle respect voor de economie geeft spr. toch aan het eerste stelsel de voorkeur, waarmee overigens niet gezegd is, dat ook niet een groote taak voor den Staat weggelegd blijft. De opmerkingen van den heer Koeslag zijn juist, maar ze raken niet de kern van het betoog. Spr. heeft de Technische Tarwe-Commissie noch het NaCoVo aangehaald als model-organisaties voor de toekomst, maar er enkel op gewezen, dat het denkbeeld om de zorg voor een bepaalden tak van landbouw te concentreeren ineen speciale instelling, er in verwezenlijkt is. Het komt er op aan, dat wij letten op de richting, die levensvatbaarheid heeft. Wanneer men het daarover eens is, volgt de technische uitvoering vanzelf. Men kan daar een meer of minder zwaar hoofd in hebben, maar wanneer de heer Koeslag het plan bij voorbaat als niet uitvoerbaar brandmerkt, troost spr. zich met de wetenschap, dat vrijwel alles wat inde landbouwwereld is ontstaan, bij voorbaat dergelijk pessimisme heeft ontmoet en er niettemin gekomen is. Spr. verblijdt zich over het ruime standpunt, dat Ir. Veenstra inneemt, en wil gaarne, om misverstand te voorkomen, opmerken, dat zijnerzijds geen sprake is van het verdringen van den voorlichtingsdienst door de associaties. Integendeel, de quintessence van sprekers betoog is geweest alle bestaande elementen van onderzoek en voorlichting gelijk te richten met het practisch belang, en dan zijn er vanzelf samenwerking en onderlinge steun. Natuurlijk zullen een aantal details hun regeling moeten vinden. Maar dat komt vanzelf en nogmaals zegt spr,: wij zijn er allemaal zelf bij. Met belangstelling heeft spr. het betoog van den heer Veth gehoord, dat hij eveneens rangschikt onder de opbouwende critiek. Het is in sprekers conceptie geenszins uitgesloten, dat de „kruisorganisatie” de „grondorganisatie” zal steunen, op dezelfde manier waarop het Proefstation en het Bedrijfslaboratorium te Groningen elkaar steunen, zoo niet financieel dan toch in hun werk. Spr. heeft er reeds op gewezen, dat niet het doel moet zijn allerlei nieuwe laboratoria te stichten, maar veeleer de coördinatie van het werk, dat thans in brokstukken uit elkaar ligt, rondom natuurlijke keer-

189