is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 609-610, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwaliteiten moeten komen, wordt thans algemeen aangenomen. Dat is ’t geval met bacon- en vleeschproductie, met granen en aardappelen, met tuinbouw-producten en met onze.zuivel. Hoe het juiste evenwicht te vinden tusschen dein hoeveelheid grootste, de goedkoopste en de kwalitatief hoogste productie, zal zich geleidelijk oplossen, stap voor stap. Niet iedere stap is juist, ook al uit die zich op een plaats inde agr. literatuur. Wanneer de moeilijkheden t.o.v. de combinatie: goedkoope productie en kwaliteitsproductie, bijzonder groot zijn, zooals dat b.v.b. bij zuivel het geval is, zullen meeningen geuit worden, tegengesproken, gecritiseerd, en herroepen worden, tot aan de uiteindelijke definitieve beslissing. Het bedrijfsleven echter vraagt steun en raad, vraagt aan de wetenschap concreet advies, geen betoog. En het handelt, omdat het produceeren moet, dikwijls volgens een beslissing, die ook tijdens den loop van het onderzoek noodig geacht wordt en gegeven wordt, maar die in vele gevallen zelf een vraagstuk kan zijn. Zoodat dan het vraagstuk fungeert als oplossing. lets is wetenschap zoolang het zich ontwikkelt, en een vorig stadium corrigeert. Bodemkunde, bemestingsleer, voedingsleer, fokleer en veredeling, ook economie, demonstreerden dat herhaaldelijk. Het zijn niet steeds persoonlijke opvattingen, die een stempel drukken op wat een p.-w. aflevert en doorgeeft. Het zijn ook tijd en conjunctuur, die de adviezen beïnvloeden, die later critiek uitlokken. En juist omdat er publicaties en adviezen met onjuisten inhoud inden loop der jaren verschenen, wil ik er uitdrukkelijk op wijzen, dat het voorgaande niet als critiek op bepaalde adviezen bedoeld is. Ik kan en wil de juistheid van technische adviezen niet beoordeelen. Dat oordeel komt later, door anderen. De bedoeling waste illustreeren, dat tijdstroomen hun weg vinden in elk p.-w. ook in het agr.; en dat de kans steeds bestaat, dat het daardoor techniek en wijze van productie tijdelijk in onjuiste richting kan stuwen, onafhankelijk van elke econ.-politieke „Planwirtschaft”. Het agr. p.-w. corrigeert echter zich zelf, als dat noodig is; het levert zelf die critiek. Dit is wel eender hoofdredenen, waarom een geval als in D., dat critiek op en correcties aan een eenmaal vooruit vastgestelde richting uit beginsel uitsluit, omdat het gebruikt moet worden als middel ineen economische planmatigheid, dat zoodanig p.-w. voor de omstandigheden in ons land, niet geaccepteerd kan worden. Er is nu nog een punt ter bespreking, voor een voorloopige conclusie kan worden opgesteld. Moet de boer zelf kiezen, of moet er voor hem gekozen worden? Wanneer een agr. p.-w. in zijn uitingen principieel den boer tot doel heeft, dan is dit een vraag, ook in verband met het zoo juist besprokene, waar niet omheen gegaan kan worden. Men onderschatte het inzicht van den boer niet. Hij weet, zoo niet alles van zijn vak, dan toch zeer veel, maar hij kan niet voldoende verklaren. Daartegenover staat, maar wij zijn daarmede op een ander niveau, dat er op de bedrijven nog zeer veel te verbeteren valt. Maar kan de boer zelf kiezen uit wat het p.-w. hem doet toevloeien? Slechts tot een bepaalde grens. De groote massa der boeren heeft noodig, dat ten haren behoeve de voorlichtende groep, consulenten, leeraars en onderwijzers, ontvangt, verwerkt en door-

212