is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 609-610, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vragen, of het die voldoende snel uit zichzelf kan vervullen. Het levert, uit zijn wetenschappelijke afdeeling, meer dan de afgestudeerde met werkkring, verwerken kan, als het dat, wat hij noodig heeft om bij te blijven, niet gemakkelijker bereikbaar naar hem toeschuift. Het levert meer dan de boer verwerken en opnemen kan. Het agr. p.-w. levert zooveel, het heeft zoodanige drang tot expansie (wat blijk geeft vaneen gezond en krachtig organisme), het is zoo rijk aan grondstof en materiaal, dat een van zijn onderdeden, de verwerkende industrie, het niet heeft kunnen bij houden. Die snelle groei is in laatste instantie niet de schuld van het agr. p.-w. Onze tijd vraagt een dergelijken groei. En wij kunnen dankbaar zijn, dat die groei er is. Maar onze tijd vraagt ook om evenwicht; in aanbod en verwerking en consumptie. Onze tijd vraagt vooral technische volmaaktheid van het productie-apparaat. En daarom meen ik, dat in het p.-w. ook tot verdere en snellere ontwikkeling gebracht moet worden een organisatie, die dat evenwicht tot stand brengt. Een agr. p.-w. heeft in wezen steeds dat ééne, groote veelhoofdige, zoo moeilijk te bewegen, en voor ons land zoo belangrijke doel voor oogen. Dat doel is via een geperfectioneerde voorlichting, de boer, de agr. producent. DISCUSSIE. Ir. F. A. v.d. Ban. Opgemerkt wordt, dat de provinciale landbouwbladen te groot zijn, er staan te veel artikelen in, die van algemeener belang zijn. Groote provinciale bladen zijn daarom geen algemeen landbouwbelang. De Heer Sevenster. De heer van den Briel heeft duidelijk laten uitkomen, dat het landbouwpubliciteitswezen moet helpen verzorgen den geheelen weg vanaf de bron; de resultaten van wetenschappelijke onderzoekingen, tot aan den dorstige: den practicus. De laatste etappe van dien weg moet worden verzorgd door den voorlichtingsdienst en de instituten, door middel van de vakbladen en andere persorganen. De wijze, waarop dit laatste geschiedt, lijkt mij niet volkomen doeltreffend. Want het wezenlijke verschil tusschen het landbouwpubliciteitswezen en b.v. de medische vakliteratuur, zooals door den inleider uiteengezet, ligt vooral in deze laatste trap. Het is niet voldoende, dat de inhoud van voor de praktijk bestemde publicaties binnen het bereik komt van den practicus, de goede smaak er voor moet ook worden opgewekt. Daarvoor is noodig een zekere mate van journalistieke verzorging. In groote gebieden wordt door den voorlichtingsdienst en de instituten, niet alleen gebruik gemaakt van de landbouw vakbladen, maar ook van goedkoope of gratis plaatselijke en streekbladen. Langs dien weg kan inderdaad het minst draagkrachtige en minst Ontwikkelde deel van de plattelandsbevolking worden bereikt. Ook aan grootere bladen wordt veel ter publicatie aangeboden. Dikwijls over vraagstukken, die van groot algemeen belang zijn. De inleider beantwoordt kort de beide opmerkingen, en wijst er op, dat aan genoemde bezwaren dooreen juiste en goed gerichte organisatie kan worden tegemoet gekomen.

222