is toegevoegd aan uw favorieten.

Landbouwkundig tijdschrift; maandblad van het Nederlandsch Genootschap voor Landbouwwetenschap, jrg 50, 1938, no 609-610, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebracht. Tot cle vijanden der jonge rupsen behooren inde eerste plaats verschillende vogels.

Zwarte en kuifmeezen (Parus ater en P. cristatus) eten volgens Kluyver de bastaardrupsen en voeden zooals deze onderzoeker mij kort geleden schreef ook hunne jongen daarmede. Op de „Sijsselt” bij Ede waren in 1929 overal 70 % van de meezenkastjes bewoond. In het gebied van kaalvreterij slaagden 90 % der broedsels; buiten het kaalgevreten gebied slechts 70 %. Misschien is dit hooge percentage in het gebied van kaalvreterij wel het gevolg van den overvloedigen voorraad voedsel, die daar in den vorm van dennenbladwesplarven aanwezig was. Zekerheid daaromtrent hebben wij echter niet. Op „De Stippelberg” bij Bakel, (N.8.) waar de heeren Kluyver en de Fluiter gedurende een dennenbladwespenplaag in 1930 hun waarnemingen verrichtten,

hingen 18 meezenkasten, over het kaalgevreten gebied van 25 ha verdeeld, waarvan er 14 door meezen waren bewoond. Inde onmiddellijke omgeving daarvan lagen vakken, waar men zelfs op 50 ha geen kastje aantrof en vandaar zouden bladwespen ineen dergelijk groot aantal naar het aangetaste gebied gevlogen zijn, dat de meezen tegen zulk een aanval niet waren opgewassen. Op het landgoed „De Ginkel (Ede) inde onmiddellijke omgeving van de „Sijsselt” kwamen geen dennenbladwespcalamiteiten voor en wij zijn geneigd dit voor een deel aan den gunstigen vogelstand van dit landgoed toe te schrijven, hoewel dit niet steekhoudend is. Immers op de „Hooge Veluwe” waren de vogels inde Zuidelijke bosschen minder talrijk

Alb. 11. Voorjaarsvreterij met overgebleven z.g. middennerven; aan den rechterzijtak zijn enkele cocons zichtbaar.

227